Antal Strohmayer, le jardin des philosophes, 1834.

Afscheid van de nageschiedenis

vrijdag 12 augustus 2016 13:49

Op een warme zomeravond, alleen ijsberend rond mijn zwemvijver, zeg ik plots hardop: ‘Het Paradijs is nu’. Zoals zo dikwijls ben ik in een ingebeeld gesprek verwikkeld. Er volgt een lange gedachtegang over het paradijs die verband houdt met een essay waar ik aan bezig ben over entropie en posthistorie (ja, een hele kluif). En ik denk: ‘het paradijs ligt achter ons. Vanaf nu gaat het bergaf met de mensheid, bergaf met de welvaart, bergaf met de planeet, bergaf.’

 Ik las net (dat kan gerust tegen de tijd dat ik dit uitschrijf, en laat staan dat u dit leest, een paar jaar terug zijn – het moet zomer 2015 geweest zijn) in de krant dat België heel slecht scoort wat ecologische voetafdruk betreft. We staan op de 5e hoogste plaats wereldwijd, na Qatar, de Verenigde Emiraten, de Verenigde Staten en Denemarken, die hebben nog een grotere voetafdruk per capita. De gemiddelde Belg heeft een voetafdruk van 7.1 hectare, het Europees gemiddelde ligt op 4.6, terwijl een duurzaam gemiddelde op 1.8 hectare per aardbewoner ligt. Voor al wat daar boven ligt hebben we straks twee of meer planeten nodig.

En dan denk ik: “Het ligt net achter ons. Neen, het paradijs ligt niet achter ons. Het is nu. Deze tijd. Mijn vriend John heeft gelijk. De westerse mensheid, althans het begoede deel, heeft het nog nooit zo goed gehad als nu maar de crisis is de aankondiging van veel naderend onheil. Mijn kinderen leven in de gouden tijd, zij het wellicht als eindtijd van iets, de welvaartstaat bijvoorbeeld. Vandaar de zin die ik luidop zei: ‘het paradijs is nu!’ Baudrillard had gelijk: ‘Tant pis. Nous sommes au paradis.’ Het is niet te overzien. IJsberend rond mijn vijver, zeg ik het nog eens, luidop, als een mantra: “Het paradijs is nu.”

Hoe kom ik van entropie en posthistorie bij het paradijs? Of beter omgekeerd hoe kom ik van het paradijs (want daar was ik al) bij posthistorie en, erger nog, bij entropie? Niet moeilijk. Het paradijs is de ultieme prehistorie: dat wat voor de geschiedenis komt en de verlossing is de ultieme Posthistorie.

Maar mensen slaan tilt bij het woord posthistorie. Toch is het heel simpel. Zoals prehistorie alles is wat voor de geschiedenis komt, zo is posthistorie alles wat ná de geschiedenis komt. Doodsimpel. Posthistorie is doodsimpel. En toch begrijpt geen kat er wat van. Het is voor ons volslagen ondenkbaar dat er iets na de geschiedenis komt. Of het moet heel ver zijn. De dood van de zon, 3.4 miljard jaar ver, daar kunnen we ons toch geen zorgen over maken, dat is lichtjaren ver. De prehistorie daarentegen is gisteren. De prehistorie eindigt  naar ik schat rond het jaar 5000 V.C. Voor de eerste geschreven bronnen. Sumer en van die dingen. Moet ik eens googelen. Ik moet meer googelen. Ja. Maar: het internet moet ook nog veel leren. Niets over posthistorie. Niets. Echt niets. Niet te geloven. Ik ben diep ontgoocheld. Ja, in de Duitse Wikipedia een kort artikeltje. Ik weet meer over posthistorie dan heel Google samen. Hoe kan dat nou? Omdat ik zoveel weet over posthistorie? Bijlange niet, begot! Anders zou ik het niet googelen, of wat dacht je. Neen, ik vergis me, het was de prehistorie, die ik zou googelen. Goed, ik geef het toe: ik weet wel een en ander over posthistorie. Zoals men een paleontoloog een prehistoricus zou kunnen noemen (ook eens googelen), zo zou men futurologen posthistorici kunnen noemen, of niet?

Om een lang verhaal kort te maken, terwijl ik nog op en neer loop rond mijn zwemvijver en geniet van de zwoele, stilaan afkoelende zomeravond, zeg ik tegen mezelf (ja, ik spreek vaak luidop tot mezelf als een volleerde straatpsychoot): ‘we kunnen ons de prehistorie voorstellen, maar de posthistorie niet’. Het onbegrip bij de meeste mensen bij het begrip posthistorie, anders dan bij entropie bijvoorbeeld, ligt niet enkel in het feit dat het een moeilijk woord is – want dat is het niet, dat heb ik, mag ik hopen, in het voorgaande aan de hand van zijn tegenhanger, namelijk prehistorie, bewezen – maar in het feit dat het een ondenkbaar, onvoorstelbaar idee is, een moeilijk concept maar wel een prachtig. Een filosofische brainbreaker van formaat. Daarom: afscheid nemen van een begrip dat ten enen male allemaal alleen maar verwarring zaait. En natuurlijk, wegens zijn theologische oorsprongen, problematisch is.

Ik ben er al jaren op aan het kauwen, al jaren. En maar kauwen. Vanaf mijn eerste boek (eind jaren tachtig geschreven). Dat het begrip al voorkomt in mijn eerste boek en nu terug opduikt in mijn dertiende (dat in het najaar verschijnt, en dat heel toepasselijk Metamoderniteit voor beginners heet) geeft een soort voldoening.  En ik ben ook bezig aan een soort performance/ installatie voor het kaaitheater ‘Welcome to posthistory’ zal het heten, opening van het Burning Ice-festival begin 2016. Te beseffen dat je toch, ondanks de schijn van het tegendeel, altijd uiteindelijk met één denktraject bezig bent geweest. Of toch dat er sterke rode draden lopen doorheen het labyrint van je teksten. Het is het theologische compliment van het begrip vooruitgang, met zijn eigen seculiere theologie: het vooruitgangsgeloof. (Het begrip vooruitgang is zo mogelijk nog meer obsessief aanwezig in mijn geschriften, posthistorie is dus een secundaire term voor mij, vanuit mijn jarenlang gechicaneer over de paradoxen van de moderniteit en het postmodernisme).

De posthistorie is in feite een geseculariseerde versie van het messiaanse narratief: paradijs, zondeval, verlossing (als herstel van het paradijs). Zo simpel is het: bij Hegel is dat de Staat, bij Marx de klasseloze maatschappij, bij Kojève de Japanse consumptiemaatschappij (waar mensen niets anders te doen hebben dan zich te amuseren met allerlei gadgets en kunst ikebana wordt, klinkt toch vrij paradijselijk), bij Fukuyama de definitieve triomf van de liberale democratie. En daarna leeft het kapitalisme nog lang en gelukkig, in een eeuwig heden, , maar er gebeurt niets meer (na het einde van het verhaal). …. ‘Nous sommes au Paradis. Tant pis’.

Maar omdat de vooruitgang wel degelijk, zoals Benjamin zei, een storm is die uit het paradijs waait, zal de entropie, de chaos, het verlies van orde in complexe systemen die paradijselijke posthistorische toestand aan diggelen slaan, en komen we in een heel andere posthistorie terecht (daar kan ik kort over zijn, ik heb er al teveel over geschreven): een nageschiedenis die wellicht vergelijkbaar zal zijn met het einde van het Romeinse Rijk, de nieuwe middeleeuwen, het tijdperk van de gerealiseerde science fiction: Mad Max, District Nine, Children of Man, in elk geval een cyberpunk dystopie. ‘De capsulaire beschaving’. ‘Het entropische Imperium’. Er is niets aan te doen, het ongebreidelde technokapitalisme botst tegen de grenzen van het ecosysteem aan, daarbij geholpen door de demografische groei en de globalisering als mobilisering en migratie.

Daarom lonkt de tuin van Epikouros: met vrienden en boeken verborgen leven, ver weg van de waan van de dag en de waanzin van de wereld. Veel meer moet dat niet zijn. Doe er voor mij toch ook maar de Drievuldigheid van de rederijkers bij: ‘vrouwen, drank en gezang’, of die van Ian Dury: ‘sex ’n drugs ‘n rock ‘n roll’. Tijd voor mijn paradijs, mijn nageschiedenis.

De geest van de kritiek kan niet alleen geboren worden in de tuin, maar kan er ook tot rust komen – door gelaten bezig te zijn met het essentiële (met of zonder drievuldigheden). Nee: door uitgelaten bezig te zijn met het essentiële. De wereld is toch niet te redden, is nooit te redden geweest omdat het altijd al, en tot in de eeuwen der eeuwen, een tranendal is. Na de kameel (de bagage, de kennis) en de leeuw (het vechten voor een zaak, het activisme) komt, zo wist Zarathustra, de derde levensfase: die van het kind, de esthetische, speelse maar gebiologeerde, verwondering over het al. Voorbij de kritiek die oordeelt, die altijd gevangen blijft in oordelen, die ook altijd voor-oordelen zijn (want het laatste oordeel komt alleen God toe). In de esthetica kwamen volgens Kant theorie en praktijk tot symbolische synthese.

Voorbij de kritiek ligt de wijsheid. Het staat ook al in de Thora (of toch minstens in de Kabbala): het hervonden paradijs van de verlossing ligt voorbij goed en kwaad. De geboden van de Thora gelden alleen tijdens de zondeval (de kritieke, zij het langdurige kritieke toestand van de mensheid: zijn geschiedenis). Maar eens, zo vertelt een boek van de Kabbala, komt de ‘Thora van de verlossing’. Er staat geschreven in de Ra’ja Mehenna: ‘Waar alles heilig is, vallen de verboden af als oogkleppen’. Punaise. Daar teken ik voor. Al jaren staat die zin te zinderen in mijn zinnen. Weg met de Thora van de zondeval. Weg met de kritiek van de kritieke toestand. Tijd voor de Thora van de verlossing. “Het Paradijs is nu!” Halleluja!

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!