Eric Corijn (foto: Han Soete, Indymedia)
Opinie -

Laten we Europa maar meteen opnieuw uitvinden

Eric Corijn schrijft zijn mening neer naar aanleiding van het Gentse Feestendebat van woensdag 20 juli "Fort Europa: Vluchtelingencrisis of morele en politieke crisis van de EU? Welke EU willen wij?".

vrijdag 22 juli 2016 10:09

Ik voel me echt in een Weimar-klimaat: het dagelijks treintje gaat z’n gang, maar iedereen voelt dat chaos en diepe ontwrichting onder de oppervlakte ligt. Overloop de periode van de laatste commissie Barroso en de eerste jaren Juncker en niemand zal vandaag nog betwisten dat het Europese eenmakingsproject in diepe crisis verkeert.

Bankencrisis, crisis van de Euro, de Griekse crisis, Italië, Portugal, Ierland, de groeiende macht van macht van de niet verkozen Eurogroep die vergadert als een geheim genootschap zonder verslagen, de vluchtelingencrisis, of beter de opvangcrisis die leidt tot grenzen buiten Europa, tot een de facto einde van Schengen, tot landen met prikkeldraad aan de grens, de terreurdreiging die uitzonderingstoestanden en soldaten in de straten normaliseert, de opkomst van het nieuwe nationalisme en de groeiende dreiging van uiterst rechts, de Brexit…

De Europese Unie verkeert in een existentiële crisis, het gaat niet langer om een nieuwe conjuncturele crisis waarop de klassieke recepten van crisisbeheer kunnen worden losgelaten Business as usual is geen optie meer. Er is nood aan herbronning en dus kan er nog eens over de grondvesten worden gediscussieerd. Ik richt me dan ook vooral tot diegenen die bereid zijn tot een open en grondige balans. Zij die denken dat een nieuw nachtelijk topoverleg voldoende is om de snel op elkaar volgende opstoten bij te sturen, wens ik succes, maar ik geloof ze niet, ze hebben hun geloofwaardigheid verloren.

Een stuurloos schip

De Europese eenmaking heeft geen echt politiek project meer. Er wordt soms op mythische wijze verwezen naar de “founding fathers”, maar geen van hen had in feite een duidelijk plan. Het project is een product van de koude oorlog en het Marshall plan. Churchill dacht in september 1946 aan de Verenigde Staten van Europa.

Dat leidde in die eerste jaren dan tot projecten met 18 landen, tot de NATO, de Raad van Europa… Maar het verdrag van Rome in 1957 is al een verenging van die projecten. Het is de start van een Europese economische gemeenschap, rond de as van Frankrijk en West Duitsland, met de Benelux en Italië… Het gaat om zeer beperkte samenwerking tussen zes landen, rond enkele al bestaande verdragen en geïnspireerd door een zekere welvaartstaat aanpak.

Het verder verloop is een proces dat verschillende fasen doorloopt met telkens andere projecten en andere spelers aan zet. Telkens gaat het om een andere setting. De eerste uitbreiding in 1973 brengt de andere vrijhandelszone aan boord onder de leiding van Groot Brittannië. Dan komen de jonge kwetsbare democratieën uit de Zuid-Europese landen binnen en die zijn vooral gericht op wederopbouw. Met een Europa van de 12, dan met 15, kan je zeggen dat het gaat om een integratie van verschillende vormen van democratische West-Europese Keynesiaanse politiek. Dan kan men naast de economische doelstellingen ook spreken van zekere waarden.

Maar die lijn wordt verlaten, er komt een echte politieke ommezwaai. En die verengt fors de plannen. Twee scharnierdata spelen daarbij een rol. De economische crisis van 1974 en de lange neergaande fase die wordt ingezet en vanaf de jaren tachtig leidt tot de hegemonie van het neoliberale monetarisme als dogma voor het sociaal economisch beleid. En dan in 1989 de val van de Muur en de versnelde uitbreiding naar het oosten om puur geopolitieke redenen: het herenigde Duitsland wilde stabiliteit in de postcommunistische landen aan de oostgrens.

Monetarisme en stabiliteit is het vrij enge maatschappelijk project. Vanaf 1978 wordt een Europees Monetair Systeem ingevoerd. In 1986 wordt de markt vrijgemaakt in de European Single Act. Dan komen in 1992 het verdrag van Maastricht, in 1997 dat van Amsterdam en dan in 2001 dat van Nice dat de massale uitbreiding vanaf 2004 voorbereid. Tot een Europese Unie in 2013 (toetreding Kroatië) van 28, na de Brexit weldra 27 lidstaten.  Het is die laatste fase, een eengemaakte markt met een geopolitieke ambitie die niet is gelukt, meer nog, die schandelijk is mislukt. En dat ligt niet aan de conjunctuur maar aan de constructie zelve. En het is dus nu de hoogste tijd om de balans op te maken.

Eerder dan een landenclub is Europa een kern-periferie verhaal

Laten we als intermezzo toch ook even kijken naar de huidige toestand ruim 70 jaar na de oorlog en bijna 60 jaar na de start van het proces. Bekeken vanuit de lange termijn denk ik dat we moeten zeggen dat Europa grotendeels is eengemaakt. De wisselwerking tussen de mondialisering van het wereldsysteem en de politiek van de Europese Unie is niet zonder gevolg gebleven.

Van de 750 miljoen Europeanen zitten er 500 miljoen in de Unie. Die kent een vrij verkeer van personen en heeft dus een opmerkelijke vermenging van de bevolking ingezet. Ruim de helft van de regulering van het dagelijks leven komt vanuit die unie. De meerderheid van die mensen wonen in een stedelijke omgeving. Meer nog, ruim 60% van de bevolking is geconcentreerd in het West-Europese kerngebied, van zuid Engeland, over de Lage Landen, het Ruhrgebied en Beieren tot Noord Italië, de zogenaamde Blauwe Banaan (of zo men wil de Gouden Driehoek Berlijn-Parijs-London).

Dat gebied staat in voor bijna drie kwart van de economische activiteit! Daar wordt dus de competitiviteit gemeten en worden de normen van arbeidsproductiviteit vastgelegd. In die, door een protestants productivisme gedomineerde economie en door een Duitse regering geleide rechtse politieke filosofie, worden de beleidsvragen geformuleerd. En daarnaar hebben zowel een Mediterrane als een Oost-Europese periferie zich te schikken. Door bijvoorbeeld ook sterk in te zetten op stedelijke ontwikkeling en postindustriële innovatie en door alles op alles te zetten om deel te blijven van de “space of flows” tussen de metropolitane knopen, ten koste veelal van het eigen rurale achterland. Door die positionering van de metropolen wordt ook het regionalisme aangewakkerd, omdat stad met eigen hinterland soms beter kunnen renderen dan binnen het nationaal territorium.

Dat is de werkelijkheid van het Europese economische systeem, dat inderdaad sterk gericht is op de wereldmarkt maar toch ook voor driekwart puur intern functioneert (en dus volmaakt te reguleren valt). Meer dus dan een reeks afzonderlijke landen is de EU wel degelijk een aaneengesloten gebied geworden. Een Europees project is dus zeker niet zonder object.

Men wil geen democratische integratie van Europa!

En hier komen we uit op de perversiteit van het project in de laatste fase, zeg maar de laatste twintig jaar. De versnelde eenmaking onder druk van de geopolitieke context, moest ook dienen om het keynesiaanse welvaartstaatmodel van vele lidstaten te ontwrichten en te vervangen door een nieuw flexibel accumulatiemodel. Daarin is de markt en de concurrentiecapaciteit de norm, en moeten dus de sociale en ethische beschouwingen wijken, daarin staat de markt boven Staat en samenleving.

Het neoliberale project werd gedragen zowel door de rechtse regeringen vanuit de Europese Volkspartij – waarin de Christen -democratie volkomen werd verdronken door de puur rechtse neoliberale partijen – als door die lid van de Europese sociaal democraten – waarin de reformisten werden verdrongen door het sociaal liberalisme van de derde weg. Vergeten we niet dat in de jaren negentig de overgrote meerderheid van de regeringen gedomineerd werden door de sociaal-democraten en dat het net die zijn die de huidige constructie hebben gemaakt. Het neoliberale project werd verankerd in de verdragen en de procedures.

Economie en politiek werden structureel uit elkaar gehaald. Het monetair beleid – Centrale bank of Eurogroep – kent nauwelijks democratische controle. De instellingen worden een ondoorzichtig kluwen waarin alleen nog lobbyisten hun weg vinden. De EU werd een hefboom tegen de Staat, de openbare diensten en een openbaar economisch beleid. Het is door de EU verboden een ander beleid te voeren en omzeggens alle politici hebben zich daar slaafs bij neergelegd.

Alles wat verder te maken heeft met de sociaal-culturele, de ethische of de democratische vorming van het project werd buiten de bevoegdheden van de EU gehouden en puur binnen de Natie gedacht. Geen Europese universiteit, alleen uitwisseling tussen nationaal gereguleerd hoger onderwijs. Geen Europees cultureel of artistiek veld, alleen internationale uitwisseling. Geen Europees burgerschap project, geen sociaal plan, geen gezondheidsbeleid, geen …

De markt en de economie werden aan de democratie onttrokken en de democratie werd beperkt tot “lokale” aangelegenheden. De constructie van het project leidt er ook toe dat de negentiende-eeuwse natiestaat mentaal nog steeds als norm wordt gereproduceerd en dat de burgers zich tot Europa kunnen verhouden zoals een lidstaat tot een statenbond. Terwijl zowel Europa als de wereld steeds meer in elkaar schuiven, wordt democratie en politiek herleid tot het land of steeds meer ook tot opgesplitste landen. Niemand is al “Europa”, iedereen verhoudt zich tot Europa, wij en Europa, maar niet wij, Europa…

Het is dat Europese project dat in diepe crisis is. Het werkt economisch niet, het ondermijnt de democratie, het blokkeert een Europees burgerschap… Meer nog het is de crisis van de kern van het neoliberalisme. Dertig jaar lang heeft men ons wijsgemaakt dat vrijheid, democratie, individualisme, privaat bezit en markt onherroepelijk met elkaar verbonden waren.

Vandaag ziet men dat om de markt en het privaat belang te vrijwaren steeds meer een autoritair pad wordt ingeslagen, dat vrijheden worden beknot, dat wordt geregeerd met uitzonderingstoestanden en volmachten… Wat dat Europese nationaal-liberalisme ons heeft gebracht is nu bijna overal een dreiging van uiterst rechts nationalisme, autoritaire uitzonderingstoestanden, schandalig migratie- en vluchtelingenbeleid en een ondoorzichtig bureaucratisch beleid.

De rechterzijde splitst zich vandaag op in de Eurosceptische exit-partijen en dan het “business as usual” centrum gericht op crisisbeheer. Vanuit die kant is geen grondvestendiscussie te verwachten, daar zal het principe zeer snel worden herleid tot de nationale soevereiniteit in het raam van vrijhandelspolitiek. De Britse lijn in feite. De politiek aan de nationalisten, de economie aan de ondernemers. Het EU beleid is er een van nationaal-liberalisme. Verhofstadt en Cohn Bendit zullen blijven roepen in de woestijn.

Wie levert een alternatief model?

En wat dan met de linkerzijde. Ik zie verschillende breuklijnen, niet alleen principieel maar ook in het politieke veld.

Er is in de eerste plaats de diepe crisis van de sociaal-democratie zelf en hoe die omgaat met de desastreuse balans van het sociaal-liberalisme. Hier gaat het niet alleen om de herbronning en het opnieuw schrijven van een mobiliserend project maar ook om het herschikken van de machtsposities binnen de staat.

Het gaat om een ideologisch debat doorkruist met de belangen van de mandatarissen op verschillende posities in het apparaat. Die crisis verschijnt zowel onder de vorm van het totaal verdwijnen van partijen (Griekenland), interne (overlevings)strijd ( UK) of contestatie vanuit nieuwe formaties (Spanje). Hoe dan ook een eerste breuklijn binnen de linkerzijde heeft duidelijk te maken met een balans over de verregaande individualisering en vermarkting van de samenleving die solidariteit en samenwerking hebben aangetast en uiteindelijk de basis zelf van die partijen hebben onderuit gehaald. Het moet dus anders…

En dan komt de vraag: op welke schaal is een nieuw project mogelijk, is dat land per land te denken of is dat een Europese schaal (of zelfs een wereldschaal).   En ook die vraag leidt tot diepe verdeeldheid. Voor de enen leidt de kritiek op de EU naar een herstel van de nationale soevereiniteit en een strijd binnen de nationale politiek.

Voor de anderen kan een maatschappelijk alternatief alleen worden gerealiseerd op een voldoende grote schaal en is dus het behoud van een eengemaakt Europa, zij het een totaal ander Europa, een noodzaak. En naargelang de positionering in dat dilemma wordt de discussie over burgerschap, instellingen, democratische controle, eengemaakte munt, en zo helemaal anders … Zo anders dat een front voor een Europees sociaal beleid soms echt onmogelijk wordt. De brede linkerzijde is dus verdeeld zowel over het project, als over de verhouding tussen het werk in de instellingen en in de civiele maatschappij, als over het niveau en de schaal waarop vooral moet worden ingezet.

Tot besluit

Laat ik tot slot mijn eigen stelling zo duidelijk mogelijk pogen samen te vatten:

  1.  De huidige meervoudige crisis van de EU is een opportuniteit om opnieuw over de uitgangspunten van het project te discussiëren. En die kans moeten we grijpen, overal en op alle niveaus.
  2. In die discussie moet intellectueel en politiek de kritiek opgemaakt van de desastreuze balans van het neoliberale monetarisme en de daartoe opgezette ondemocratische en ondoorzichtige vormen van beleid. Als vandaag alle studies uitwijzen dat de volgende generatie het minder goed zal hebben dan de vorige, dan lijkt me dat al voldoende om het project voor mislukt te verklaren. Het kleine broertje van het sociaal liberalisme en de Derde Weg moet in die kritiek mee sneuvelen.
  3. Een nieuw project voor Europa moet dan vertrekken van een analyse van werkelijke toestand nu: de demografische ontwikkelingen, de concentratie van mensen in superdiverse steden, de ontwikkeling van een genetwerkte economie, de toegenomen interdependentie, de grote uitdagingen van de ecologische transitie, de strijd tegen sociale ongelijkheid, het cosmopolitische samenleven, enz We zien dat de meeste van die ontwikkelingen zich doorheen de grenzen afspelen.
  4. Op basis van zo’n analyse is het onmogelijk democratisch en progressief beleid te denken alleen vanuit de in de 19de eeuw uitgetekende kaders van de territoriaal afgebakende natie-staat. Land per land is er nauwelijks nog heil te zoeken. Dat heeft de Griekse tragedie zeker aangetoond. Een links project is mijn inzien vandaag duidelijk post-nationaal en dus radicaal anti-nationalistisch. De interdependentie democratisch reguleren zal dus op meerdere schalen moeten gebeuren, waarbij vooral het deficit op de lokale stedelijke schaal en op het continentale Europese schaal moet worden aangepakt. De landen houden zowel de lokale als de Europese democratie in een houdgreep. En in die discussie moet de verhouding tussen gemeenschap en dus gemeenschapsvorming en samenleving en dus samenlevingsopbouw apart worden gedacht. Zuivere gemeenschappen dienen nationale projecten, maar zosel steden als Europa zijn altijd multi ( cultureel, religieus, communautair…). Wat mij betreft staat links dan voor een democratische, sociaal egalitaire en duurzame samenlevingsopbouw overheen de etnische, religieuze of culturele verbanden.
  5. Om zo’n nieuw programma tot ontwikkeling te brengen zijn de nationaal gestructureerde politieke partijen, die politiek vooral afleiden van de nationale politieke en sociaal-economische agenda deel van het probleem en niet van de oplossing. De zogenaamde Europese politieke partijen of fracties zijn nog teveel een conglomeraat van overigens landelijke partijen. Ze leveren niet echt een Europese visie die ook lokaal en nationaal kan worden toegepast. Daarom denk ik dat een nieuw project pro-Europa maar voor een radicaal ander Europa zal ontstaan in minder geïnstitutionaliseerde bewegingen en netwerken. Daarom bepleit ik een Europese platformwerking vanuit de verschillende burgerbewegingen die als reactie op de crisis en het bezuinigingsbeleid zijn ontstaan. Projecten als Diem 25 of Plan B moeten nu samen aan de tafel. Hart boven Hard zal in die zin initiatieven ontwikkelen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!