Opinie - Lowiese Broes

PISA, Power, Policy: globaal onderwijsbeleid. Het einde van de pedagogiek?

De resultaten van de PISA-cyclus van 2015 worden verwacht in het najaar van 2016. Spannend! Of moeten we hier toch enkele bedenkingen bij maken voor we binnenkort de cijfers binnengestroomd krijgen? En wat betekent de PISA test voor de pedagogiek?

woensdag 25 mei 2016 09:05

PISA is de afkorting voor Programme for International Student Assessment. Het is een driejaarlijks, grootschalig internationaal onderzoek georganiseerd door de OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) dat de kennis en vaardigheden van 15-jarigen test. PISA startte in 2000 als een gezamenlijke studie van OECD-landen. Sindsdien is de reikwijdte ervan steeds uitgebreid naar landen die geen lid zijn van de OECD. In 2015 deden reeds meer dan 70 landen mee (in 2000 slechts 43), waaronder naast heel wat Europese landen ook bijvoorbeeld Peru, Japan, Nieuw-Zeeland… De internationale dimensie van de survey, die voorbijgaan aan de grenzen van Europa, geeft PISA een significant gewicht als indicator van onderwijskwaliteit. Er ontstaat een globaal beleidsveld met betrekking tot onderwijs. Graag formuleer ik hier enkele bedenkingen bij.

Over het laatste decennium heeft de OECD (onder het motto: weten is meten) zich ontwikkeld tot een grootmacht in internationale debatten over onderwijsbeleid. Aan de hand van de PISA testen, neemt de OECD een institutionele rol in als scheidsrechter van globaal onderwijsbeleid. Daarnaast zet de OECD ook de petjes op van diagnostisch centrum, rechter en beleidsadviseur voor de problemen schoolsysteem op mondiaal niveau. Maar kan de kwaliteit van onderwijs geëvalueerd worden door een test die beweert politiek en ideologisch neutraal te zijn? Wereldwijde standaardisatie van het onderwijs kan een gevaarlijk beestje zijn.

Laat me mijn redevoering beginnen met een clichématige stelling: technologie staat nooit stil. Deze logica kunnen we doortrekken naar onze huidige samenleving: alles moet snel en efficiënt gebeuren. Voor onderwijs is dit niet anders. Technologie die vandaag de dag prominent aanwezig is, is er niet zomaar. Het staat zodanig centraal dat het de pedagogische praktijk fundamenteel aan het veranderen is. Technologie is inherent verweven met de pedagogische praxis, met het handelen van de leerkracht, de pedagoog, de ouder… PISA ademt deze logica uit. PISA breidt zich uit naar steeds meer landen en neemt hun surveys op steeds efficiëntere manieren af dankzij technologische ontwikkelingen.

PISA gaat gepaard met een vorm van ‘zacht beleid’ waarbij deze enorme databank op een heel verleidelijk en overtuigende manier naar voren worden gebracht. Men krijgt elegante tabelletjes en stijlvolle grafieken voorgeschoteld die aanzetten tot actie. Er ontstaat een beleid op basis van cijfers waarbij diezelfde cijfers gillen om actie. De cijfers wijzen rechtstreeks naar de bloedende wonde die men moet stelpen, hoe deze wonden te stelpen kunnen we leren van Finland. Gestandaardiseerde testen en de cijfers die eruit voorkomen hebben de macht objectief voor te komen en zijn geportretteerd als neutraal en objectief. Maar de PISA test verandert fundamenteel de landen die eraan deelnemen: de cijfers nodigen uit tot particuliere vormen van analyse en actie.

Het handelen van deelnemende landen wordt steeds gekaderd binnen de Europese context. Men gebruikt Europa als instantie om het eigen (lokaal) beleid te legitimeren. Hierdoor creëert men een heel economische en instrumentele focus waarbij onderwijs getransformeerd wordt in een quasi-markt. Onderwijs moet hier dienen om (in verhouding tot andere staten) steeds beter te scoren. Men bestuurt door vergelijking. De PISA test creëert hierbij een nieuwe werkelijkheid die er vroeger niet was, een ruimte van equivalentie. In deze ruimte wordt elk onderwijssysteem equivalent met de andere. De PISA test installeert, steeds opnieuw, specifieke problemen en hierbij aansluitend specifieke actie die ondernomen dient te worden. Dit alles gebeurt onder de hoede van het begrip ‘neutraliteit’. Deze actie is echter een actie vanop afstand. De cijfers, die letterlijk op afstand worden geproduceerd, hebben een enorme invloed op lokaal niveau.

Er gaat een enorm krachtige retoriek gepaard met de PISA test, gekoppeld aan een grote drang om zaken te veranderen en steeds hoger te scoren dan de andere. Het is een spektakel van winnaars en verliezers geworden. Hoewel dit spektakel zeker kansen biedt, is het naar mijn mening ook een vergiftigd geschenk. Door op internationaal niveau aan onderwijsbeleid te doen, is er steeds een groeiende determinatie over wat (goed) onderwijsbeleid inhoudt, wat een (goede) overheid onderneemt en wat dé (goede) weg is om uit te gaan in het onderwijs. In deze paper pleit ik voor een heropvoering van de discussie over waar we precies naar toe willen met het onderwijs. Betreft het onderwijs geen gemeenschappelijke wereld, over kennis en praktijken publiek maken om zo een nieuwe generatie de kansen te bieden om vernieuwing te brengen. Ik pleit voor een herwinnen van de pedagogische praxis door het PISA-fenomeen in vraag te stellen. Niet door een beleid centraal te zetten die zich baseert op cijfers, maar een beleid die zorgt voor de gemeenschappelijke wereld en de mogelijke toekomst van de nieuwe generatie voorop draagt. Zo’n beleid houdt een bewustzijn in dat men steeds (af en toe) stil moet blijven staan (waar zijn we mee bezig?), en steeds blijft discussiëren over wat we belangrijk achten in het onderwijs.

Lowiese Broes is eerste master student Pedagogische Wetenschappen

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!