Is inclusief onderwijs wel zo ‘gewoon’?

Is inclusief onderwijs wel zo ‘gewoon’?

maandag 23 mei 2016 18:52

Je leest het overal: “De ouders hebben het er moeilijk mee dat hun zoon niet kan volgen”, “De samenleving, en dus de school, moéten inclusief zijn”. Ook woorden zoals ‘beperking’ en ‘label’ zijn niet meer uit ons woordenboek weg te denken. Kinderen met beperkingen vormen een vooraanstaand onderwerp op de globale agenda van het onderwijsbeleid en in principe hebben alle kinderen recht op onderwijs. Dit is echter in vele andere landen niet het geval. Men bekijkt leerlingen met specifieke noden nog steeds als ‘abnormalen’. Maar wie of wat is ‘normaal’? De standaarden liggen in deze continu veranderende maatschappij torenhoog en het is steeds moeilijker geworden voor mensen met een beperking om op deze sneltrein te blijven zitten.

De laatste jaren heeft onze westerse samenleving te kampen met heel wat ideaalbeelden. Deze zijn niet alleen van toepassing op individueel vlak, maar ook op maatschappelijk niveau. Zo is er de laatste jaren een beeld ontstaan waarbij de samenleving en dus ook de school ‘inclusief’ moéten zijn, wat een gezicht heeft gekregen door de intrede van het M-decreet. Het M-decreet staat voor maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Maar heeft niet elk individu een bijzondere interesse, bepaalde noden en bijgevolg een specifieke onderwijsbehoefte?

Bij de implementatie van het M-decreet hoopt men dat kinderen met een leerstoornis of andere beperkingen gewoon onderwijs kunnen volgen en met ‘normale’ leeftijdsgenoten in de klas kunnen zitten. Hiervoor zullen bijzondere aanpassingen gedaan moeten worden, niet alleen qua infrastructuur, maar ook de leerkrachten zullen hun werkwijze in grote mate moeten aanpassen en voldoende kennis moeten ontwikkelen in verschillende gebieden, naast de kennis en kunde van onderwijzen op zich. Hierbij zouden ze beroep kunnen doen op de expertise van het buitengewoon onderwijs. Leerkrachten uit het gewoon onderwijs zijn nauwelijks opgeleid om te zorgen voor kinderen met een beperking. Zij beheersen de leerstof die ze moeten onderwijzen en hebben (mede door ervaring) geleerd hoe ze met klasmanagement moeten omgaan. Zij dienen zich dus bij te scholen en te verdiepen in een volledig nieuw gebied, namelijk het orthopedagogisch en opvoedkundig gebied.

Mijn idee is echter niet dat het gewoon onderwijs zich nog verder moet aanpassen en moet differentiëren, maar dat het buitengewoon onderwijs daarentegen een serieus tandje kan bijsteken. Aan de hand van observaties in zowel het gewoon als buitengewoon onderwijs en het inkijken van lesmaterialen, moet ik toegeven dat sommige scholen uit het gewoon onderwijs meer differentiëren en inspelen op verschillen tussen de leerlingen dan het buitengewoon onderwijs, en dat vaak in een klas van ongeveer 25 leerlingen. In het buitengewoon onderwijs daarentegen zitten ze met +/- zeven leerlingen per klas en wordt er minder gedifferentieerd. Door de weinige differentiatie in het buitengewoon onderwijs worden de leerlingen die de leerstof bijvoorbeeld onder de knie hebben, niet voldoende uitgedaagd. Ze moeten dezelfde lessen volgen als hun medeleerlingen in de klas. In het gewoon onderwijs zouden ze weliswaar meer uitdaging krijgen, maar vraag ik me tegelijkertijd af of ze dan niet zullen verdrinken. Ik denk dat het efficiënter is om in kleine klassen met leerlingen met een beperking te differentiëren en uit te dagen dan in grote klassen in het gewoon onderwijs.

Alle leerlingen hebben recht op onderwijs, en zeker op goed onderwijs, op onderwijs op maat. Toch denk ik dat de leerkrachten uit het buitengewoon onderwijs, die nu bij de implementatie van het M-decreet de leerkrachten in het gewoon onderwijs zouden moeten ondersteunen, eerder ondersteund zouden moeten worden door de leerkrachten uit het gewoon onderwijs. Een paradox die ontstaan is doordat de leerkrachten uit het gewoon onderwijs op korte tijd bijna ‘expert’ zijn geworden in het grote aanbod van ‘specifieke noden’. Ze worden er dagelijks mee geconfronteerd in de klas en dienen zich voortdurend bij te scholen doordat deze leerlingen nu in hun school moeten blijven en niet meer zonder meer naar het buitengewoon onderwijs kunnen gestuurd worden.

Ik ben er niet echt van overtuigd dat alle leerlingen met specifieke noden gelukkig gaan zijn in het gewoon onderwijs. Ze zullen hoogstwaarschijnlijk een zichtbare achterstand hebben ten opzichte van de medeleerlingen, eventueel gevoelens van falen ervaren, merken dat ze een speciale behandeling krijgen (wat niet altijd positief uitdraait) en zich daarom niet goed in hun vel voelen. Wat met kinderen en jongeren die wel liever naar het buitengewoon onderwijs zouden gaan, ook al kunnen ze met behulp van heel veel remediëring en extra begeleiding het gewoon onderwijs aan? Buitengewoon onderwijs wordt vandaag de dag gezien als een afsluiting van de werkelijkheid, als exclusie. Echter, voelen de meeste leerlingen met beperkingen zich daar beter in hun vel en leren ze omgaan met deze beperkingen. Ze worden gesterkt in hun karakter en stralen dat ook uit.

Kinderen met meervoudige beperkingen hebben echter niet óf een school óf een hulporganisatie nodig. Ze hebben nood aan een complementair of geïntegreerd onderwijs- en hulpaanbod. Voor deze kinderen is interdisciplinaire en intersectorale samenwerking noodzakelijk om een aangepast onderwijs- en hulpaanbod te ontwikkelen. Het buitengewoon onderwijs moet daarom niet veranderen, maar moet net op de kaart gezet worden en verbeterd worden. Op deze manier kan er voor optimaal onderwijs op maat gezorgd worden en kunnen alle leerlingen in hun noden worden voorzien. Het buitengewoon onderwijs dreigt door het M-decreet in de schaduw terecht te komen terwijl net daar het licht op moet schijnen en het daarentegen van het voorvoegsel ‘buiten’ verlost zou moeten raken.

 A.G.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!