“We bevinden ons in een tijd waarin economische groei heilig is”
Interview -

“We bevinden ons in een tijd waarin economische groei heilig is”

Afgelopen jaren had België, Europa en een groot deel van de wereld met verschillende crisissen af te rekenen. De economische -, banken - en klimaatcrisis kwamen sindsdien geregeld in de media ter sprake. Veel minder werd er over de democratische crisis bericht waar men op mondiaal vlak mee te kampen heeft. Maar staat het democratische verval niet in nauw verband met de eerder genoemde crisissen? Om het over deze kwestie te hebben spraken we met professor Jozef Van Bellingen, als politiek filosoof verbonden aan de VUB.

vrijdag 13 mei 2016 10:28

Onze huidige democratie claimt zich te baseren op de klassieke, Atheense democratie. Maar toch zijn er ook, naast gelijkenissen, belangrijke verschillen tussen onze democratie en die van de klassieke Grieken. Verschillen die erg releverend zijn en ons in staat stellen om onze democratie vanuit een nieuw licht te bekijken.

Van Bellingen: De Atheense democratie, die tot volle rijpheid kwam aan het einde van de zesde eeuw voor Christus, is historisch gezien een uitzonderlijk gegeven. Het politieke werk werd er niet door een traditionele elite, gewoonlijk een aristocratische erfopvolging, gedaan noch was het bezetten van een politiek mandaat afhankelijk van iemand zijn economische status.

Met andere woorden in de volksvergadering, waar al de burgers aan konden deelnemen en inspraak hadden, zaten er naast rijke burgers ook minder gegoede burgers. Vanzelfsprekend vonden de Atheense rijken, die meer middelen hadden, toen al wegen om makkelijker hun belangen te verdedigen. De Atheense volksvergadering kan men moeilijk vergelijken met ons parlement dat een Angelsaksische origine heeft en een standenmaatschappij weerspiegelt.

De representatieve democratie zoals wij die vandaag kennen is naar Griekse normen in feite een contradictio in terminis omdat het volk dat de macht in handen krijgt ze aan haar vertegenwoordigers opnieuw afstaat en hierdoor de macht zich opnieuw gaat concentreren. In tegenstelling tot het klassiek democratische idee dat er in bestond om net zoveel mogelijk burgers te laten participeren aan de maatschappelijke discussie.

Hierbij moet wel vermeld worden dat een groot deel van de bevolking geen burgerschap genoot. Vrouwen, slaven en vreemdelingen waren allen van de Atheense democratie uitgesloten. De democratische hoogdagen duurde ongeveer vijf eeuwen maar deze periode kende verschillende onderbrekingen waarin dictaturen de heerschappij tijdelijk overnamen. Desalniettemin bleef de Atheense democratie altijd een referentiemodel in de politieke praktijk en politieke studies.




Hoe werkte de democratie in het klassieke Athene precies? Waren er bijvoorbeeld beroepspolitici of verkiezingen?

Van Bellingen: Er waren geen beroepspolitici. Dit had niet gekund, om de simpele reden dat de meeste politieke mandaten per loting ingevuld werden zodat iederéén een even grote kans had om aan het actieve politieke leven te participeren. Bovendien duurden de mandaten slechts één jaar om machtsconcentratie preventief tegen te gaan.

Op de dag dat de volksvergadering bijeen kwam, een tiental keer per jaar, ontving iedere aanwezige gelotene een kleine vergoeding, ongeveer het dagloon van een landbouwer,  om ervoor te zorgen dat ook de armere burger aanwezig zou zijn tijdens de volksvergadering. Bestuursorganisatorisch was het toentertijd makkelijker voor de burger om actief deel te nemen maar hij moest het wel intrinsiek als zijn burgerplicht aanvoelen om aan het politieke leven deel te nemen. Atheens burger zijn dat betekende voor de Atheense burger iets!

Ook de rechtspraak werd door gelotenen verzorgd. Er bestonden wel magistraten maar die hielden zich alleen met de structurele en logistieke aspecten van de rechtspraak bezig, niet met de uitspraken zelf.

Een ander groot verschil met onze huidige democratie was het feit dat de mandatarissen na hun mandaat ter verantwoording voor het volk konden worden geroepen. Op dat moment moesten ze vragen beantwoorden aangaande hun gevoerde beleid en konden ze bij een slechte evaluatie gesanctioneerd worden. Sommige hoge ambtenaren zoals legergeneraals werden voor langere periodes gekozen maar konden bij vermoeden van te grote machtswellust en machtsconcentratie, via een stemprocedure (het ostracisme) , voor verschillende jaren uit de staat verbannen worden.

Hoe groot is het democratische gehalte van onze huidige bestuursvorm?

Van Bellingen: Vandaag beperkt onze actieve participatie zich tot om de vijf jaar stemmen op vooraf door de partijen geselecteerde volksvertegenwoordigers. Deze laatsten worden door een partij naar voren geschoven om een betaald mandaat op te nemen. De loyaliteit van de volksvertegenwoordiger ligt dan veelal in de eerste plaats bij de partij, niet bij de kiezer.



Jozef Van Bellingen

Partijvoorzitters en de regering beslissen onderling hoe ze de politieke bevoegdheden verdelen en kunnen automatisch rekenen op de goedkeuring van hun voorstellen want ze vormen de meerderheid in het parlement. De oppositie kan oppositie voeren, wat een zeker belang voor de burger kan hebben, maar uiteindelijk beslist de meerheid.

Daarbij komt dat de regering, of een regeringsminister, een enorme macht heeft. Met één pennenstreek kan ze over grote sommen overheidsgeld beslissen zonder verdere verantwoording bij het volk te moeten afleggen. Deze gang van zaken had in Athene niet gekund. Vandaag is volksvertegenwoordiging en democratie erg problematisch. Bovendien zorgt het technische, of voorgewende technische, karakter van heel wat dossiers dat de politieke inzet van de discussie onduidelijk blijft.

De aarde en haar vruchten

Laten we ons op een andere historische gebeurtenis richten om de huidige economische situatie beter te begrijpen. Kan u vertellen wat de ‘commons’ (gemeenschappelijkheden) en de ‘enclosure-beweging’ (omheining-beweging) waren?

Van Bellingen: De klassieke commons en de daarop volgende enclosure-beweging kennen we vooral vanuit de Engelse geschiedenis van het einde van de vijftiende eeuw. Maar ook in andere Europese plaatsen voltrok zich een gelijkaardig proces. De commons vormden op het platteland de gemeenschappelijke plaatsen die door al de burgers vrijelijk gebruikt werden. Versta hieronder het bos als leverancier van sprokkelhout en dergelijke en het veen waar men turf stak dat als brandstof diende. In de gemeenschappelijke beken en rivieren kon men vissen en het vee mocht vrijelijk op gemeenschappelijke weiden grazen. De mensen gebruikten deze gemeenschappelijkheden naar eigen behoeften maar het was verboden om bijvoorbeeld een vishandel met vis uit een gemeenschappelijke beek voor eigen gewin te beginnen.

Op het einde van de vijftiende eeuw ging de landadel deze commons omheinen (enclosure) en als privégrond beheren. Dit leidde tot het verarmen en proletariseren van een groot deel van de plattelandsbevolking en luidde tegelijkertijd het begin van het kapitalisme in. Mensen moesten vanaf dan voor een schamel loon gaan arbeiden om te kunnen overleven.

Aanvankelijk bestond er geen wettelijke omkadering voor de arbeid en de arbeidsomstandigheden. Zodoende moesten mensen ieder soort van werk, onder welke omstandigheden en tegen welk loon dan ook, aanvaarden. Nog wat later ontstond de manufactuur en de gemechaniseerde industrie wat voor een grote verhuizing naar de steden zorgde. Vandaag werkt de grootte meerderheid van onze bevolking nog steeds in loondienst. Zelfs vele zelfstandigen zijn niet echt zelfstandig omdat ze afhankelijk zijn van leningen, subsidies of contractueel voor andere bedrijven werken.

Wat blijft er vandaag van de commons over?

Van Bellingen: Van de bovengenoemde voorbeelden, niets.

Jean Jacques Rousseau, de achttiende-eeuwse filosoof, zei over de enclosure beweging “de mensheid is verloren wanneer ze vergeet dat de aarde van niemand is en de vruchten van iedereen”. Vandaag zien we in het verlengde van zijn uitspraak dat vele multinationals de vruchten van het gemeenschappelijke, bijvoorbeeld grondstoffen, kunnen privatiseren en de schade aan het milieu als gemeenschappelijkheid aan de samenleving kunnen nalaten. Dit is alleen mogelijk omdat de politici niet gepast tussenkomen. De burger heeft hier eveneens schuld aan. Want de zorg voor de samenleving en van iedere burger afzonderlijk is eveneens een common waar de burger zich actief moet voor inzetten.

Maar vergis u niet de enclosure-beweging bestaat nu nog. Het openbaar vervoer, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid, de arbeidswetgeving enzovoort zijn allemaal voorbeelden van gemeenschappelijkheden die door een privatiseringsgolf, een moderne enclosure-vorm, bedreigd worden en die zonder burgerlijk verzet dreigen te verdwijnen.

De huidige politici lijken bij deze gebeurtenissen te schitteren door hun afwezigheid, hoe kan dit?

Van Bellingen: We bevinden ons in een tijdperk waarin de economische groei heilig is verklaard en de politici het als hun taak ervaren om vooral te zorgen dat de economische groei ongehinderd kan uitbreiden. Tegelijkertijd is de economie tot een vorm van exacte wetenschap gepromoveerd waar blijkbaar nog alleen enkele economen en technici iets zinnigs over kunnen en vóóral mogen vertellen.

Beroepspolitici verstoppen zich achter deze evolutie met de smoes “wij volgen het pad dat de economen en specialisten uitstippelen” als rechtvaardiging voor hun politiek-economisch beleid. Maar het samenleven in een polis heeft niet alleen een economische invulling. De samenleving moet naast de welvaart tevens voor het welzijn van haar burgers zorgen.

Bovendien is de economie géén exacte wetenschap en vergissen deze economen zich meer dan eens, zoals de geschiedenis al herhaaldelijk bewees en dan moet de burger telkens de verliezen bijpassen door zijn levensstandaard drastisch verminderd te zien.

Het gegeven waarbij verkozen politici de macht overlaten aan de economische spelers is wat men ‘de-politisering’ noemt en deze gang van zaken geraakt meer en meer ingeburgerd. Dat dit ver kan gaan hebben we ondertussen in het hedendaagse Griekenland gezien waar de harde economische macht van de trojka de democratische macht van het Griekse volk volledig uitwiste.

Een ander probleem waar we ons vandaag mee geconfronteerd zien is dat de ‘werkelijke macht’ onzichtbaar is. Zeer veel beslissingen op topniveau voltrekken zich in achterkamers. Wie wat in wiens belang beslist, is niet langer duidelijk. Volgens mij zijn veel Europarlementariërs zelf niet altijd op de hoogte van de beslissingswijze van de Europese Commissie of de Europese Centrale Bank.




Is de depolitisering de oorzaak van de economische crisis waarin we ons bevinden?

Van Bellingen: Het is in ieder geval opmerkelijk hoe laks de politiek tegenover de banken en andere financiële spelers optreedt. Aan het begin van de bankencrisis werd voortdurend gehamerd op het feit dat er weer een splitsing moest komen tussen deposito- en zakenbanken. Er werd eveneens duidelijk gemaakt dat de overheid zich niet langer met zakenbanken moest inlaten. In hoeverre is dit gebeurd? Zijn er daarnaast al mensen verantwoordelijk gesteld en gesanctioneerd geweest voor de economische averij dat ons land en zijn burgers opliep? Blijkbaar is het zeer moeilijk voor de politici om aan de banken regels op te leggen of schuldigen in hun rangen aan te duiden.

In tegenstelling hiermee zien we dat dezelfde politici op vierentwintig uur tijd beslisten dat heel de Belgische bevolking twee jaar langer moest werken om de gerechtigde pensioenleeftijd te bereiken. Is dit niet vreemd? Daarbij komt dat we ondertussen een werkloosheidsgraad van 8,5% kennen. Dit is een situatie dat een zichzelf respecterende polis niet mag aanvaarden. Deze werklozen ontberen niet alleen een goed inkomen. Ze worden door hun lage inkomen tevens uitgesloten om aan sociale – of culturele aangelegenheden deel te nemen. Ze worden miskend en niet langer als volwaardige samenlevingsleden gezien.

Op de koop toe is er binnen onze samenleving een onjuist discours ontstaan waarin de werklozen samen met de vroeg gepensioneerden, invaliden, asielzoekers en andere marginale groepen omschreven worden als profiteurs van onze sociale zekerheid. Anderzijds constateert men dat banken, economische spelers, fraudeurs, belastingontwijkers en dergelijke in dit discours met rust worden gelaten. Een samenleving is het aan zich verplicht om hier tegen te durven ageren. Te meer dat zulk discours als een sluipend gif de cohesie van onze samenleving aantast. Maar een burgerlijke reactie blijft uit. Eén van de redenen waarom dit gebeurt, heeft te maken met de genoemde onzichtbaarheid van de werkelijke macht. Met de Panama papers krijgen politici opnieuw een kans om tegen mogelijke fraudeurs in te grijpen. We zullen zien of ze deze keer wel iets doen.

Burgerschap

Als de burgers niet altijd op hun politici kunnen rekenen, moeten ze zich dan tot de rechtspraak wenden om hun rechten te laten gelden?

Van Bellingen: De rechterlijke macht is geen echte macht. De rechters kunnen slechts oordelen door middel van wetten die in het parlement werden gemaakt en goedgekeurd. De rechtspraak kan bovendien niet oordelen over een politiek beleid. De huidige regeringspartijen hadden geen van allen een verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd aangekondigd, toch voerden ze dit uit. Ik denk niet dat u als burger deze situatie via een rechtszaak kan veranderen.

Is er iets dat burgers dan wel kunnen doen?

Van Bellingen: We beschikken in België nog steeds over genoeg middelen om ons te organiseren en inspraak af te dwingen. Maar een groot probleem hierbij is dat de moderne burger zich vaak niet aangesproken voelt om zijn burgerplicht op te nemen. Zo lang men het zelf goed heeft, ziet men dikwijls geen reden tot actief burgerschap. Daarnaast ontbreekt het bij een groot deel van de burgers ongetwijfeld aan politiek inzicht. Zeer veel minder welstellende stemmen bij de verkiezingen voor partijen die niets aan hun sociaaleconomische problemen zullen veranderen. Vaak worden deze mensen tijdens entertainmentprogramma’s op tv door een sympathieke politicus verleid en geven hun waardevolle stem zonder verder te denken weg. De mensheid heeft de laatste eeuw op technologisch en sociaaleconomisch vlak enorme vorderingen gemaakt doch de maatschappelijke kennis van de publieke opinie is niet in eenzelfde mate mee geëvolueerd.

Moet het onderwijs zich meer inspannen om politieke en sociaaleconomische kennis aan te leren?

Van Bellingen: Absoluut, ik vraag me af of de vorming tot burgerschap vandaag niet helemaal in ons onderwijs ontbreekt. Mensen die het secundair onderwijs verlaten zouden meer kennis van het politieke gebeuren moeten hebben. Hoe een begroting wordt opgesteld of hoe wetten gemaakt worden hoort basiskennis in het onderwijs te zijn.

Daarnaast zouden schoolverlaters niet alleen over deze basiskennis moeten beschikken, ze moeten tevens het nieuws kunnen begrijpen en vooral een kritische houding ontwikkelen om het besturen van onze samenleving te begrijpen of in vraag te stellen. Spijtig genoeg scoort onze samenleving hier ondermaats op. Tenslotte gaan ook de media niet helemaal vrijuit. Vaak worden politici met te veel egards ontvangen en krijgen ze op tv-plateaus een forum aangeboden waar ze zonder veel journalistiek weerwerk hun politieke boodschap kwijt kunnen. De politieke verslaggeving wordt daardoor banaal en oppervlakkig.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!