Barack Obama werd in 2012 president, dankzij de zetels van het presidentieel kiescollege in de blauwe staten (WikiMedia Commons)
Reportage, Nieuws, Samenleving, Politiek -

Systeem voor verkiezing president VS moet grondig worden hervormd

In de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2012 had vier van de vijf Amerikanen geen effectieve stem, volgens een onderzoek van Amerikaanse wetenschappers. Het kiesstelsel zit fundamenteel fout in elkaar en moet grondig gewijzigd worden.

donderdag 28 april 2016 16:13

Op dinsdag 8 november 2016 vinden in de VS de vierjaarlijkse presidentsverkiezingen plaats. Anders dan veel mensen denken, stemmen Amerikaanse kiezers niet rechtstreeks voor de presidentskandidaat van hun keuze. Ze stemmen voor afgevaardigden in een presidentieel kiescollege, dat vervolgens de president kiest.

The winner takes it all

Elke staat heeft een bepaald aantal leden in dat kiescollege, gelijk aan het aantal federale senatoren en het aantal leden van het federale Huis van Afgevaardigden van de betrokken staat (Huis en Senaat samen worden het Congres genoemd). Het aantal federale senatoren is altijd twee per staat, los van de relatieve grootte van die staat. Zo heeft zowel Californië met 39 miljoen inwoners als Wyoming met 560.000 inwoners twee federale senatoren. Wyoming is (qua bevolking) de kleinste staat van de Amerikaanse federatie.

Het aantal leden van het federale Huis van Afgevaardigden is wel gebaseerd op het inwonersaantal van de staten. Californië heeft 53 leden in het federale Huis. Kleine staten zoals Wyoming en Vermont hebben minstens één lid. Zo was Bernie Sanders jarenlang het enige lid van het Huis van Afgevaardigden van zijn thuisstaat Vermont (1991-2007) en is hij nu één van de twee senatoren van zijn staat (sinds 2007). Kleine staten hebben dus minimaal drie zetels in het presidentieel kiescollege.

De federale hoofdstad Washington DC (officiële naam is District of Columbia) heeft een apart statuut zonder staatsrechten, maar sinds 1961 ook drie zetels in het presidentiële kiescollege. Samenvoeging van die cijfers geeft dan 55 zetels voor Californië, gevolgd door Texas (38), Florida en New York (beide 29). De presidentskandidaat die in november 2016 een meerderheid plus één (270) van totaal 538 zetels in het presidentieel kiescollege achter zijn naam krijgt, wordt dan enkele weken later officieel tot president verkozen door dat college.

Het grootste democratische probleem met deze methodiek is dat vrijwel alle staten hun zetels in het kiescollege aanduiden volgens het winner-takes-all-principe. Dat betekent bijvoorbeeld dat degene met de meeste stemmen in Californië alle 55 leden van het presidentieel kiescollege van die staat op zijn naam krijgt, ook al haalt hij bijvoorbeeld maar 51 procent van de stemmen in die staat. Het kan zelfs met minder dan 50 procent, als er bijvoorbeeld een derde kandidaat is die enkele procenten haalt. Aangezien Californië doorgaans een meerderheid geeft aan de Democratische kandidaat, is de stem van een Republikeins kiezer in die staat zo goed als compleet nutteloos.

Zo gaat het in een groot aantal staten, zegt socioloog Doug McAdam van Stanford University. Als gevolg van dat systeem heeft “een grote meerderheid van Amerikaanse kiezers met zijn stem geen invloed op de uitkomst van de presidentsverkiezingen.”

Het winner-takes-all-principe maakt het zelfs mogelijk dat een kandidaat, die landelijk de meeste stemmen van Amerikaanse kiezers in alle staten samen haalt, toch niet de verkiezingen wint. Dat gebeurde tot nu toe al vier keer. De laatste keer was in 2000, toen de Democratische kandidaat Al Gore wel een meerderheid van stemmen behaalde, maar Republikein George W. Bush toch nipt een meerderheid van de zetels in het presidentieel kiescollege veroverde.

Het belang van de battleground

Omdat heel wat staten steeds traditioneel Democratisch of Republikeins stemmen, concentreren de meeste kandidaten zich op de staten waar het verwachte verschil in stemmen tussen beide partijen klein is, de zogenaamde swing states of battleground states. Kiezers in die staten hebben een heel waardevolle stem, zegt McAdam, zoals blijkt uit zijn onderzoek van de verkiezingen van 2012.

“Als we battleground states definiëren als staten waarin het verschil tussen stemmen voor Republikeinen of Democraten slechts 5 procent of minder is, komen er slechts zes staten in aanmerking”, zegt hij. Het ging in 2012 om Colorado (4 procent verschil), Florida (1 procent), North Carolina (3 procent), Ohio (2 procent), Pennsylvania (5 procent) en Virginia (3 procent). In de overige 44 staten was het verschil tussen verliezer en winnaar gemiddeld 19 procent. Daar maakte een stem op de verliezende partij dus niets uit, omdat de uiteindelijke winnaar reeds op voorhand bekend is.

De stem van de kiezers in die zes (hierboven vermelde) staten maakt daarentegen wel een groot verschil voor het eindresultaat. In die zes staten woont echter maar een vijfde van de Amerikaanse bevolking. Vier op de vijf Amerikanen hebben met andere woorden geen impact op het uiteindelijke resultaat. “Voor hen is elke vier jaar stemmen een oefening in politieke machteloosheid, als het gaat om de presidentsverkiezingen”, zegt McAdam.

Het kiesstelsel moet daarom grondig hervormd worden, vindt McAdam. In plaats van het indirecte systeem van het presidentiële kiescollege, moet de president worden verkozen op basis van een nationale verkiezing waarbij elke stem in elke staat evenveel telt. De kandidaat met de meeste stemmen wint dan altijd.

Jack Rakove, historicus en politicoloog aan Stanford is het met die analyse eens. Volgens Rakove zou een nationale rechtsreekse verkiezing de verdeeldheid in de Amerikaanse politiek kunnen verminderen. Bovendien, zelfs de stichters van het Amerikaanse presidentiële systeem vonden het kiescollege al niet optimaal. “Ze kozen het niet omdat het een goede optie was, maar omdat dit het enige alternatief was waar toen het minst tegen in te brengen was”, zegt hij.

Het kiesstelsel veranderen, kost echter veel tijd. Er moet een amendement op de grondwet ingediend worden door het Congres of door een parlementaire speciale commissie. Die grondwetswijziging moet daarna aanvaard worden met een meerderheid van stemmen in de parlementen van de deelstaten. Driekwart van de staten moeten zo de grondwetswijziging goedkeuren om ze geldig te maken.

Als dat zou lukken, zegt McAdam, kan dat de deelname aan de verkiezingen fel vergroten en tijdens de verkiezingscampagne meer aandacht genereren voor inhoudelijke onderwerpen van nationaal niveau, in plaats van voor aparte belangen van de staten,. “Er is geen andere aanpassing die meer zou betekenen dan deze”, zegt hij.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!