22 maart 2016: een pleidooi voor behulpzaamheid

22 maart 2016: een pleidooi voor behulpzaamheid

woensdag 23 maart 2016 14:19

22 maart. De dag startte veelbelovend. Een aangename lentezon scheen over Vlaamse straten, Waalse huizen en Brusselse pleinen. Iedereen begon aan zijn of haar dagelijkse bezigheden. Maar deze op het eerste zicht normale en zelfs aangename tweede lentedag zou slechts enkele uren later al bloedrood kleuren. 
Om acht uur werd ons land opgeschrikt door een aanslag op onze nationale luchthaven. Onschuldige mensen, reizigers die vertrokken voor een zakentrip, terug zouden keren naar hun naasten en geliefden na een verblijf in Brussel of een lang geplande reis eindelijk zouden maken. Niemand kon ontsnappen aan de terreur waar we in Zaventem mee geconfronteerd werden. 
Kort daarna volgde een tweede aanslag, deze keer in het hartje van het bruisende en levendige Brussel. Onschuldige mensen, pendelaars die elke dag de metro nemen naar hun werk, toeristen die aan hun dag wilden beginnen en Brussel zouden verkennen, ouders die hun kinderen naar school wilden brengen. Allen werden ze het slachtoffer van een laffe daad van terrorisme.
 
Het land, de media en de politiek stonden in rep en roer. Niemand wist wat er te gebeuren stond. We werden met de neus op de feiten gedrukt, onder andere door de live-verslaggeving van verschillende tv- en radiozenders. Al snel werd gesproken over “onze 9/11”. 
Na de aanslagen in Madrid (2004), Londen (2005) en Parijs (2015) volgde nu dus Brussel. “Het zat er aan te komen”, speelde door het hoofd van velen en was het gevoel dat meteen overheerste. Maar waarom deden we dan niks? Hoe kan het dan zijn dat zelfs met strenge veiligheidsmaatregelen, verhoogde waakzaamheid en opgedreven militaire aanwezigheid ons land toch nog zo enorm kwetsbaar is? 
De vraag stellen is ze in dit geval jammer genoeg niet beantwoorden. Gewelddadig extremisme zal altijd een weg vinden, terrorisme zal altijd door de hoofden spoken van een inmiddels angstiger wordende bevolking. Tenminste, zolang we blijven reageren op terreur en extremisme zoals we dat deden na de aanslagen van 11 september 2001 of 13 november 2015. 
Meteen na deze laffe daden werd de oorlog verklaard aan een ongrijpbare vijand, meteen werden schuldigen aangewezen en meteen werd stoere oorlogstaal gesproken door respectievelijk George W. Bush en Francois Hollande. Zolang we met dit soort reacties op de proppen blijven komen en zolang we haat met haat blijven beantwoorden, zal de eerder gestelde vraag onbeantwoord blijven. Tijd voor verandering. Hoog tijd om de spiraal waar we sinds 2001 in terecht zijn gekomen om te draaien. 
In de uren na de aanslagen die vandaag gepleegd werden leek er toch een sprankel hoop te zijn. Mensen gebruikten sociale media om hun huis ter beschikking te stellen van gestrande reizigers die op zoek waren naar een opvangplaats. Ritten naar alle uithoeken van het land werden aangeboden aan gestrande pendelaars. 
De kracht van simpele hashtags als #ikwilhelpen of #PorteOuverte is zelden gezien. Maar toch lijkt dit ook weer een hypocriete houding te zijn die ons Vlamingen soms zo kan typeren. Over het initiatief om mensen te helpen na deze nationale catastrofe is geen kwaad woord te zeggen en dit valt dan ook alleen maar toe te juichen, laat daar geen twijfel over bestaan. 
Maar het is ook een moment om na te denken over hoe selectief we zijn in het aanbieden van onze hulp. Die selectiviteit kan makkelijk samengevat worden in één vraag: welk verschil is er tussen enerzijds een gestrande, misschien zelfs gewonde pendelaar die in het metrostation Maalbeek aanwezig was op het moment van de aanslag, en anderzijds een Syrische vluchteling die ook op zoek is naar een dak boven zijn hoofd, al is het maar voor een dag of enkele uren? 
Beide worden getroffen door dezelfde zieke geesten, door dezelfde terreur en door dezelfde horror die we vandaag spijtig genoeg dichter dan ooit konden ervaren. Beide kunnen niets doen aan hun hulpeloosheid van dat bepaalde moment. Beide zijn aangewezen op de hulp van anderen, maar wij beslissen als maatschappij dat alleen de gestrande pendelaar onze hulp verdient. 
Het idee om hulp te bieden aan hen die dat nodig hebben was vandaag, net als op 13 november van vorig jaar, heel nadrukkelijk aanwezig in ons land en onze buurlanden. Misschien moeten we deze golf van solidariteit gebruiken om mee te varen op een positieve stroom, waarbij we hulp bieden aan iedereen die dit nodig heeft, van de gestrande pendelaar, over de bejaarde dame die de straat moet oversteken, tot een hopeloze Syrische vluchteling. 
Het vermogen om daarover na te denken en om deze gedachten om te zetten in daden onderscheidt ons van de wereldvreemde terreurzaaiers die in Syrië, Frankrijk, Tunesië of België aanwezig zijn. Het is ook de beste manier om duidelijk te maken dat wij, als solidaire samenleving, een gepast antwoord kunnen bieden op de wantoestanden en de problemen waar we tegenwoordig dagelijks mee geconfronteerd worden. 
De grootste nederlaag die IS tot vandaag toe geleden heeft, bestond uit drie woorden die uit de mond van Angela Merkel kwamen: “Wir schaffen das.” Door ons zo op te stellen werd elke terrorist, elke extremist met verstomming geslagen. 
Op dat moment weigerden wij ons te wentelen in het zwart-witbeeld dat extremisten langs beide kanten van het spectrum proberen op te hangen. Laat ons de drie woorden van Merkel onthouden. Wir schaffen das. Niet alleen in verband met de vluchtelingencrisis, maar even hard op vlak van het opvangen van slachtoffers van aanslagen zoals die van vandaag. Laat ons een menselijk antwoord geven op onmenselijk gedrag. Laat ons vooruit kijken en elkaar als mensen behandelen. 
This is what could make us human.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!