Audi investeert in Brussel, maar het is niet dankzij Van Overtveldt

De Audi-fabriek in Vorst zal vanaf 2018 de eerste elektrische SUV van het Duitse automerk bouwen. De werkgelegenheid is dus nog een hele tijd verzekerd. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt probeert de pluimen op de hoed van de regering te steken. De vakbonden zien dat anders.

donderdag 21 januari 2016 18:34

Een honderd procent elektrische SUV die de rechtstreekse concurrent moet worden van de Tesla ‘Model X’, zo klinkt de ambitie die Audi heeft met de ‘E-tron Quattro’. De fabriek in Vorst zal ook de batterijen produceren.

“Dit is het bewijs dat ons beleid werkt”, liet premier Michel meteen weten. “De beslissing van Audi toont aan dat België opnieuw sexy is voor investeerders. Het is ook een signaal naar andere bedrijven dat ons land steeds aantrekkelijker wordt.”

Ook minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) verwees naar het beleid van de regering. “Ik ben heel erg verheugd dat we Audi hebben kunnen overtuigen van het verbeterde investeringsklimaat en van de troeven van de tax shift die de lasten op arbeid aanzienlijk verlaagt. Het herstelbeleid van de regering is gericht op het behouden en aantrekken van jobs.”

Bij de vakbonden klinkt een ander verhaal. “Dit is vooral het resultaat van lange onderhandelingen tussen de vertegenwoordigers van de werknemers, zowel in België als in Duitsland en de directie”, reageert Manuel Castro, voorzitter van de metaalcentrale van het ABVV in Brabant. Volgens het ABVV heeft de Duitse vakbond IG Metall een doorslaggevende rol gespeeld.

In 2007 hing de toekomst van de fabriek in Vorst (toen nog een Volkswagenvestiging) aan een zijden draadje. De werknemers hebben toen heel veel toegevingen gedaan om de fabriek toch open te houden.

“Er werden bij de doorstart begin 2007 afspraken gemaakt over flexibiliteit, kostenbeheersing en de organisatie van het sociaal overleg. Het was een moeilijke periode waarin héél wat inspanningen van het personeel werden gevraagd om een volwaardige Audi-vestiging te worden”, zegt het ACV daarover. Voor de vakbond is dat een bewijs dat sociaal overleg kan werken.

Het ABVV wijst ook nog op de rol van de gewesten. “Het Brussels Gewest heeft immers geïnvesteerd in een nieuw vormingscentrum dat kwaliteitsvolle vormingen voor heel wat werknemers kan waarborgen.”

Wie heeft gelijk?

Wie heeft er nu gelijk? De regering heeft 100 miljoen klaarliggen voor Audi. Dat snoepje zal toch wel meegespeeld hebben in de beslissing. Dat moet nog blijken. Mckinsey ‘s Quarterly, een blad voor ‘topmanagers’ zoals ze zichzelf omschrijven, stelde ooit: “Populaire stimuli zoals lage belastingen, gesubsidieerde financiering of gratis grond zorgen er alleen voor dat er waarde onttrokken wordt aan die investeringen die hoedanook zouden gemaakt worden.”

Met andere woorden: multinationals kiezen niet op basis van die cadeaus. Het is weggesmeten geld. Audi zou hoedanook investeren in Brussel. Die 100 miljoen is een leuk appeltje voor de dorst. Voor België is het een pure verliespost die afgetrokken moet worden van de opbrengst van de investering.

Maar misschien was Audi wel gecharmeerd door de loonlastenverlaging? Economieprofessor Paul De Grauwe wuifde het geweeklaag over de hoge loonlasten van ons land begin januari weg in een interview met De Standaard. “Die loonkosten zijn een teken van welvaart. Ze zijn het resultaat van onze hoge productiviteit. Je ziet dat landen met hoge bruto uurlonen concurrentiëler zijn dan landen met lage uurlonen. Er is dus een positief verband, geen negatief verband.”

Dat lijkt inderdaad de conclusie uit heel wat wetenschappelijk onderzoek. Het aan de Amerikaanse overheid gelieerde Bureau of Economic Analysis wou wel eens weten waarop Amerikaanse multinationals zich baseren bij hun keuze om te investeren in het buitenland. De conclusie: “De factoren die de productiviteit verhogen (zoals de nabijheid van leveranciers, de aanwezigheid van hooggeschoolde werknemers en een goede transportinfrastructuur) zijn belangrijker dan factoren die gelieerd zijn aan productiekosten (zoals de beschikbaarheid van goedkope arbeid).”

En waarmee worden spoor- en autowegen en scholen die werknemers opleiden gefinancierd? Met belastingen natuurlijk. Er kan dus net zo goed een positief verband zijn tussen hoge belastingen en het aantrekken van investeringen.

Dat de hoogte van de lonen niet zo’n grote rol spelen bij de keuze van buitenlandse bedrijven op zoek naar plaatsen om te investeren, blijkt uit een vraagstuk waar economen al lang op kauwen. Multinationals betalen hun werknemers hogere lonen uit dan gemiddeld. Uit de salarisenquête van Vacature blijkt dat je in ons land maar beter voor een Duits, Amerikaans of Brits bedrijf werkt. De lonen liggen daar 10 procent hoger. Over de mogelijke redenen zijn al honderden studies verschenen.

Volgens de Amerikaanse econoom en nobelprijswinnaar Paul Krugman is competitiviteit een gevaarlijke obsessie. Het was de titel van een van de essays waarmee hij beroemd werd. Competitiviteit is iets tussen bedrijven, niet tussen landen, betoogt Krugman daarin. Landen concurreren niet met elkaar. Als Coca-Cola wint, verliest Pepsi. Maar twee landen kunnen perfect allebei winnen. Als de lonen en de productiviteit stijgen in twee landen die met elkaar handel voeren, dan kunnen ze daar allebei beter van worden. De koopkracht stijgt en dus de markt wordt groter.

Maar waarom blijven politici dan op die nagel kloppen? Krugman had daar al in 1994 een goede verklaring voor. “Veel wereldleiders vinden de competitiviteitsmetafoor extreem nuttig als een politiek instrument. De retoriek over competitiviteit blijkt een goede manier om harde keuzes ofwel te rechtvaardigen of om ze net te omzeilen.”

De regering heeft er voor gekozen om cadeaus te geven aan bedrijven en kapitaalkrachtige groepen. De bevolking wordt wijsgemaakt dat dat gebeurde in naam van de competitiviteit. Economie is een weliswaar wankele wetenschap, maar de afgeleide vormen die u daarvan vindt in de kranten en op tv zijn dat zeker niet.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!