Back to the Future: reactionair modernisme

Back to the Future: reactionair modernisme

De hype rond Back to the Future is bezig aan een terugkeer. In de tweede film uit 1989 reizen Marty en Doc naar een verre toekomst: 21 oktober 2015, om 16.29 uur om precies te zijn. ‘Dat moment hebben we bereikt’, lezen we vorige week in een krant, die er een gelegenheid in ziet om het over de technologische snufjes te hebben die ons vandaag in wat 'happiness' moeten voorzien. Ook VRT en VTM gingen de toer van de technofantasieën op. De ideologische kant van die film is nochtans interessanter.

maandag 26 oktober 2015 14:47

Onschuldig familiedrama?

‘Politieke kunst’ is vaak te vinden waar je het niet meteen verwacht. Dat is bijvoorbeeld het geval met de blockbuster van Robert Zemeckis uit 1985: Back to the Future. Het is een van de eerste sequels waar ook nog eens een themapark, videospelletjes en een musical van werden gemaakt. Back to the Future is een mijlpaal in de commercialisering.

Deze film, met Michael J. Fox in de hoofdrol, lijkt op het eerste gezicht een onschuldig familiedrama. Toch is hij bovenal een lofzang op de blanke, conservatieve familiewaarden uit de jaren 1950. Hier geldt de Amerikaanse droom van financieel succes, met het residentiële leven in een villa met zwembad en twee dikke auto’s voor de deur als bekroning. Hier klinkt het liberale riedeltje dat voorspoed niet te verwachten valt van sociaal engagement, maar wel van de nieuwste high-tech als de heiland.

Het conflict in de film draait niet rond de eigendomsverhoudingen maar rond de clash of civilizations, zoals de ideoloog Samuel Huntington dat tot theorie veredelde. Die ‘strijd van culturen’ is het beproefde afleidingsmechanisme zodat we het niet over de mondiale economische uitbuiting hoeven te hebben, of over de waanzinnige ongelijkheid in deze wereld.

Het is voor de kijker een raadsel waar ze in dit verhaal plots vandaag komen, maar de rol van slechteriken is natuurlijk weer weggelegd voor gewetenloze terroristen met Arafat-sjaal uit het Midden-Oosten. Die dreigen tussen hun religieus geraaskal door met een nucleaire aanslag, dat spreekt. (De VS bombardeerden Libië in 1986.)

Futuristische cowboys

Back to the Future bevat een scène waarin feit en fictie verbluffend samenvallen. Die scène toont de ontmoeting in 1955 van de jonge Doc Brown, een professor met gek Einstein-kapsel, met de tijdreiziger Marty McFly, die beweert dat hij net uit de toekomst komt. Doc vraagt hem argwanend wie dan wel de president is in 1985. De tijdreiziger laat weten dat het om niemand minder dan Ronald Reagan gaat. Waarop Doc vol ongeloof: ‘The actor? Then who’s the vice-president? Jerry Lewis?

In deze scène bejubelt Hollywood de eigen culturele hegemonie. President Reagan verwees op zijn beurt naar deze film in zijn State of the Union van 1986. In volle Koude Oorlog was hij de president van het nucleaire Star Wars-programma in de strijd tegen de ‘Evil Empire’ – opnieuw die verwijzing naar het universum van Hollywood. Zijn plechtige speech moest, vlak na de crash van spaceshuttle Challenger, de moraal opkrikken: ‘Never has there been a more exciting time to be alive, a time of rousing wonder and heroic achievement. As they said in the film Back to the Future, “Where we’re going, we don’t need roads”.’

Reagan incarneerde als conservatieve politicus de combinatie van geloof in de toekomst en heimwee naar het verleden. De historicus Jeffrey Herf vat dat samen in de term ‘reactionair modernisme’: de voorgespiegelde vlucht vooruit naar Star Wars mits de terugkeer naar de code van de cowboy en naar de conservatieve waarden van de jaren vijftig. Back to the Future part II en part III brengen die twee bewegingen in beeld: deel 2 is een tijdsreis naar een hoogtechnologische frictieloze toekomst, deel 3 naar de jaren van de Far West.

Propagandakamer Hollywood

 Hollywood als politieke propagandamachine? Neem de Oscarwinnaar Zero Dark Thirthy (2012) die foltering door het leger in tijden van war on terror niet als een misdaad maar als een moreel dilemma in beeld brengt – een reactie op de folterschandalen door het Amerikaanse leger die door Wikileaks bewezen werden. Of de Oscarwinnaar American Sniper (2014) die vergoelijkend inzoomt op het leed van de Amerikaanse scherpschutter die als held wordt gecast; duidelijk een dekmantel voor de liquidatie door het Amerikaanse leger van vele burgers in Irak en Afghanistan.

Er is ook de batman-trilogie, een all-round prijsbeest, met The Dark Night Rises (2012) als derde deel. Daarin zien we een typische afspiegeling van de maatschappij zoals het establishment het graag ziet: de filantropische miljardair die de maatschappij redt samen met de eervolle politiebrigade en daar tegenover Occupy Wall Street als een volksopstand van geweld en verderf.

Uit de ‘rebelse’ sciencefictionfilm Snowpiercer (2013) leren we dan weer dat onderdrukking een noodzakelijk kwaad is, omdat mensen iets nodig hebben om solidair tegen in opstand te komen. Anders maken ze elkaar onderling af. En vanaf 2016 kunnen we ons verwachten aan de zoveelste Rambo-film, Last Blood, waarin Sylvester Stallone het op zijn eentje opneemt tegen IS…

Hollywood grossiert tegenwoordig ook vlot in antikapitalistische systeemkritiek omdat dat nu eenmaal goed verkoopt, gepresenteerd als sciencefiction: van Wall-E (2008) en Avatar (2009) tot de reeks The Hunger Games (2012-2015). Zo kan het consumeren ongehinderd voortgaan terwijl je als passieve toeschouwer toch een rebels gevoel koopt. Je mag dan mee dromen van hoe je als een held de wereld zal redden, bijvoorbeeld door het heil in de ruimte op te zoeken, zoals in de sciencefictionfilm Interstellar (2014). Het summum van narcisme: het lot van de mensheid in jouw handpalm.

Kortom, Hollywood is ook fun voor sociologen: je kan als couch potato de ziektebeelden van onze hedendaagse kapitalistische maatschappij overpeinzen (en jawel, af en toe met wat guilty pleasure terugspoelen).

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!