atelierblink.be
Opinie -

Vrije tijd als grondrecht: van recht naar luxe?

De strijd om vrije tijd. Iedereen kent het. Af en toe uit de ratrace stappen om tijd te maken voor wat we echt graag doen: sporten, een concert meepikken of voluit gaan in de jeugdbeweging. Toch is vrije tijd niet vanzelfsprekend, dat is het nooit geweest. Op 17 oktober, de Werelddag van Verzet tegen Armoede willen we onderstrepen dat vrije tijd geen luxe is. Het is een recht.

donderdag 15 oktober 2015 11:19


Wie garandeert het recht op vrije tijd?

“Men crepeert van eenzaamheid en verveling vooraleer te creperen van honger.” Het Algemeen Verslag van de Armoede in 1994 sloeg nagels met koppen. Niet kunnen deelnemen aan vrije tijd is voor mensen in armoede nog maar eens uitsluiting. De voorbije twintig jaar is werk gemaakt van het recht op vrije tijd voor mensen in armoede via concrete beleidsmaatregelen. Armoedeverenigingen, werkingen met kwetsbare jongeren, samenlevingsopbouw, sociaal-cultureel werk, lokale netwerken vrijetijdsparticipatie mensen in armoede … hebben diverse praktijken ontwikkeld om participatie aan sport, jeugd en cultuur voor mensen in armoede tastbaar en bruikbaar te maken.

Maar de recente ontwikkelingen in verband met lokale autonomie van steden en gemeenten verontrusten ons. Vanaf 2016 beslissen gemeenten zelf hoe ze Vlaamse subsidies voor  lokaal beleid in cultuur, jeugdwerk inzetten. Deze evolutie biedt kansen tot lokaal maatwerk in de vrije tijd. Evengoed leeft de vrees dat dit op termijn leidt tot besparingen in lokale voorzieningen zoals o.m. bibliotheken, cultuurcentra, jeugdwerk, laagdrempelig sportaanbod. Bovendien verdwijnt de stimulans om in te zetten op participatie van doelgroepen. En indien gemeenten in gebreke blijven, wie staat dan nog garant voor het recht op vrije tijd van mensen in armoede?

Wie heeft nog geld voor vrije tijd?

De federale overheid bespaart in 2016 een flink stuk op de middelen die de OCMW’s krijgen voor sociale, sportieve en culturele participatie. Intussen wordt ook her en der geschrapt in de werkingsmiddelen van lokale armoedeverenigingen. Door deze besparingen kunnen zij op hun beurt minder werk maken van de begeleiding van mensen in armoede in de vrije tijd. Tegelijk stijgt ook de druk op mensen in armoede zelf. De deelnameprijzen voor cultuur, jeugdwerk en sport stijgen, maar ook de kosten op andere levensdomeinen zoals bijvoorbeeld mobiliteit nemen toe. Voor wie al krap bij kas zit, wegen deze effecten zwaarder door.

Waar is het draagvlak?

Maatregelen voor mensen in armoede op het vlak van vrije tijd hebben een politiek, ambtelijk en maatschappelijk draagvlak nodig. Ook daar knelt het schoentje. Het discours rond vrijetijdsparticipatie van mensen in armoede dreigt meer en meer in een individueel schuldmodel terecht te komen. Als mensen niet participeren aan cultuur, jeugd of sport is dat geen probleem van de samenleving maar van mensen in armoede zelf. “Ze zijn niet geïnteresseerd, ze willen niet” klinkt het.

Zo wordt het recht op vrije tijd meer en meer gekoppeld aan plichten en sociale activering. De federale middelen voor OCMW’s zijn in 2013 omgeturnd tot een ‘subsidie voor de bevordering van participatie en sociale activering’. Een subtiele maar veelzeggende naamswijziging die het recht op participatie koppelt aan de plicht tot sociale activering?

Een andere tendens is de versmalling van vrije tijd tot marketing en individuele consumptie. Het aanbod zelf of de wijze waarop die georganiseerd is, wordt niet in vraag gesteld. Dit wordt nog versterkt door de Vlaamse invoering van de UitPas, een voordeelpas met kansentarief voor mensen in armoede. In de praktijk gaat veel aandacht naar betaalbaarheid, terecht. Maar door participatie van mensen in armoede te versmallen tot het aantal pashouders en deelnames dreigt een onevenwicht in investeringen op het vlak van communicatie, kortingen en technische omkadering tegenover de broodnodige middelen voor begeleiding, maatwerk en actieve participatie van mensen in armoede.

Investeren aan de basis

Investeren in vrijetijdsparticipatie van mensen in armoede stopt niet aan de grens van deelname aan het cultuur, sport- of jeugdwerkaanbod: het gaat om investeren aan de basis, om groepsparticipatie mogelijk maken, het recht op bruikbare informatie over vrijetijdsparticipatie realiseren, de individuele keuzevrijheid van mensen in armoede respecteren, een gelijkwaardig recht op vrijetijdsparticipatie voor alle mensen in armoede realiseren of het eigenaarschap in initiatieven bevorderen.

Zoals een jeugdopbouwwerker vinger aan de pols houdt bij een groepje jongeren in een wijk, zoals een straathoekwerker luistert naar de verhalen op de straat. De ruimte om dingen te mogen doen die het reguliere aanbodsgerichte werk overstijgen vraagt meer verdediging en legitimering dan ooit. Het zijn immers die laagdrempelige manieren van werken via brugfiguren, vertrouwenspersonen en vindplaatsgerichte werkers die de meest kwetsbare mensen bereiken. Het zijn net deze werkwijzen die nu terug in vraag worden gesteld, omdat de output, het management en de strategie niet concreet zijn en daarom niet meer passen in het managementdenken.

Het tij keren

Het tij keren en opnieuw investeren in het recht op vrije tijd van mensen in armoede is een verantwoordelijkheid van de hele samenleving en meer in het bijzonder van onze beleidsmakers. Op de Dag van de Armoede roepen we op om van het recht op vrije tijd terug een prioriteit te maken. Om meer en meer gelijke kansen te geven door te durven differentiëren. Via een brede school kan je inzetten op jonge talenten in de buurt. Een armoedevereniging kan door samenwerking met sportclubs kansen creëren. De cultuurdienst kan zelforganisaties betrekken bij hun programmatie en een podium bieden.

Zet dialoog op over sectoren heen om een gedeeld beleidskader te ontwikkelen, voorzie voldoende budgettaire ruimte om werk te maken van begeleiding én maatwerk, van experiment en toegankelijkheid. Daarnaast roepen we zowel burgers als middenveldorganisaties op om zorgzaam om te springen met het recht op vrije tijd. De geschiedenis leert dat dit recht allesbehalve gegarandeerd en stabiel is. Onze hoop ligt bij die initiatieven die dit -ondanks het slinkende draagvlak en de beperkte middelen- onverminderd blijven doen.

De auteurs zijn verbonden aan Démos. Démos is als kenniscentrum actief in het Vlaams Participatiedecreet. We zetten in op het vernieuwen en verdiepen van de participatie van kansengroepen aan cultuur, jeugd en sport.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!