foto: Filip Gilissen
Opinie - Leen Laconte

De ‘Taxshift’, de Kunstensector en het vel van de beer

De aangekondigde regeringsmaatregelen ter ondersteuning van de koopkracht en de tewerkstelling – in de volksmond ‘taxshift’ genoemd – helpt de Kunstensector minder vooruit dan De Standaard gisteren beweerde. De studie waarop het krantenartikel zich baseert, ging veel te kort door de bocht. Dat valt overigens uit het artikel zelf af te leiden. Toch werd het grove en ongenuanceerde onderzoeksresultaat een kop in een krant en leerde de snelle lezer dat de kunstensector, dank zij de ‘taxshift’, uit de financiële problemen zou zijn. Quod non.

donderdag 15 oktober 2015 12:05

Op 13 oktober 2015 kopte De Standaard dat “de ‘taxshift’ de besparingen op cultuur compenseert”. Goed nieuws, zou men denken, voor de kunsteninstellingen die, na gekaasschaafd te zijn, de afgelopen jaren ook nog bij de slager moesten passeren. Zij zagen de ondersteuningsmiddelen die hen door de Vlaamse overheid contractueel waren beloofd in 2015 en ook in 2016 met 7,5% ingekort. Heel wat kunstenorganisaties verloren ook 20% van de provinciale subsidies.

De artistieke sector is afhankelijk van de inspanning van concrete, levende mensen. Automatisering of robotisering van creatieve productieprocessen zijn onmogelijk en dus niet aan de orde. In deze arbeidsintensieve sector zijn subsidiegelden dan ook cruciaal. Zij worden door de band genomen integraal ingezet voor de dekking van de loonkosten. Besparingen drukken dan ook zwaar, met name op de tewerkstelling bij kunstenorganisaties. Door de besparingen van de laatste jaren is de werkgelegenheid afgenomen. In 2016 komt daar bovenop nog de onzekere situatie van tewerkstellingsstatuten als GESCO (Gesubsidieerde Contractuelen).

Net daarom, zou men dus kunnen denken, zal het bericht dat een verlaging van de werkgeversbijdragen de besparingen in de kunstensector geheel of gedeeltelijk kan compenseren, en er dus de nodige arbeidsmogelijkheden kan garanderen, een zucht van opluchting ontlokken in onze theaterhuizen, concertzalen en tentoonstellingsplekken, in de ateliers, bij de dansgezelschappen, filmfestivals en sociaal-artistieke en kunsteducatieve organisaties.

Hoe goed het nieuws ook klinkt, de kunstensector zucht inderdaad bij het vermelde krantenartikel, maar, helaas, niet van opluchting. Waarom? 

Elke besluitvorming over de gevolgen van de ‘taxshift’ voor de werkbaarheid van de kunstensector is nu nog voorbarig maar de werkelijkheid ziet er naar alle waarschijnlijkheid veel minder rooskleurig uit dan de UA-scriptie stelt. Hoeveel minder, dat is nog niet geweten. Specialisten bij de diverse werkgeversorganisaties hebben op dit moment hun handen vol met tekst- en cijferexegese. Want er moet met heel wat parameters en openstaande vragen rekening gehouden worden:

Komt de nieuwe ‘taxshift’-maatregel in aanvulling op de bestaande structurele werkgeverskortingen? Of vervangt hij die systemen? En is het dan al of niet gunstiger voor de werkgevers in de kunstensector?

Gaat het om de gehele kunstensector? Of komen enkel de podiumkunsten in aanmerking en worden de beeldende en audiovisuele kunsten en de kunsteducatie niet gevat door de ‘taxshift’-maatregel? Misschien gelden in dat geval voor deze artistieke sectoren andere gunstmaatregelen? Zo ja, welke?

De informatie die vanuit de analyserende werkgeversfederaties binnen sijpelt, geeft aan dat er misschien een lichte positieve kentering te verwachten valt, maar dat het – in het betere geval – om luttele percenten zou kunnen gaan.

Ook over de temporele gevolgen van de nieuwe maatregelen hangt voldoende mist. Met de besparingen wordt nu al meerdere volle jaren gekampt en de impact ervan is dus al een hele tijd voelbaar in de sector, ook al wordt die voor de cultuurparticipant zo onzichtbaar mogelijk gehouden. Het eventuele gunstige gevolg zal echter nog niet voor morgen zijn; de precieze datum van inwerkingtreding van de relevante ‘taxshift’-maatregelen is nog niet eens gekend.

Toepassing, effect én timing zijn dus nog onduidelijk. Het is daarom bijzonder jammer dat het onderzoek het woordje ’winst’ in de mond neemt om het eventuele gunstige effect van de ‘taxshift’ te beschrijven. Eventuele positieve effecten van de overheidsmaatregelen worden ongetwijfeld direct ingezet voor bijkomende tewerkstelling. Het gaat bij de kunsten nooit om het verrijken van aandeelhouders.

Is het erg dat er niet voorzichtiger werd gecommuniceerd over de onderzoeksresultaten? Is het een ramp dat de illusie wordt gewekt dat de Kunstensector hun schaapjes nu wel op het droge heeft?

Laat het duidelijk zijn: de kunstensector is in elk geval blij dat hij door de onderzoeksinstituten en de media onder de loep wordt genomen omdat hij vanuit economisch perspectief een belangrijke actor is. Het is goed dat over de technisch-economische aspecten ervan bericht wordt. De unieke maatschappelijke functie van de kunsten staat dergelijke analyses immers geenszins in de weg.

Maar die berichtgeving mag dan best zowel accuraat als genuanceerd zijn, zeker als het over financieringsaspecten gaat. Enkel dan kan het publieke gesprek over de plaats van de kunsten in onze samenleving op een deugdelijke en onderbouwde wijze gevoerd worden.

Leen Laconte is directeur van oKo (Overleg Kunstenorganisaties), sectorfederatie van de professionele kunsten

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!