Waarom noemt Gatz zichzelf een cultuurbarbaar?

Waarom noemt Gatz zichzelf een cultuurbarbaar?

In een nieuw boekje zelfpromotie blikt minister Gatz terug op zijn eerste werkjaar. Dit behaagziek essay wil bewijzen dat Gatz geen cultuurbarbaar is. Een open deur, want dat stond niet ter discussie. Door de aandacht op zijn cultuurkennis te vestigen, hoeft het niet meer over zijn cultuurbeleid te gaan. En daar zit natuurlijk het probleem. Besparen en vermarkten, dat komt toch neer op cultuurpolitieke barbarij.

donderdag 8 oktober 2015 11:48







Bekentenissen van een cultuurbarbaar is een vlot geschreven boek waarmee Gatz zijn profiel wil scherpstellen, vooral dan het eventuele verschil met N-VA. Superdiverse steden zijn bij Gatz de toekomst, Vlaanderen is top maar België is ook prima, Stromae en Abu Jahjah krijgen een pluim, al was het om toch maar te benadrukken dat deze liberaal met zijn wortels in de Volksunie vandaag niet meer zo warmloopt voor het cultuurflamingantisme.

 Het blijft wel bizar: een boek betaald door subsidies dat bulkt van bewondering voor het zelfstandig ondernemerschap. Want ‘kunstenaars, dat zijn per definitie individualisten’, alsof ze niets collectief kunnen doen. Het boek voegt helaas weinig toe aan wat Gatz al in interviews verkondigde, tenzij misschien de fascinatie van de minister voor de neoliberale ideoloog Richard Florida, bekend van de bestseller The Rise of the Creative Class. Dat zegt op zich genoeg.

En voor de kunstenaar-marketeer Arne Quinze. Als het van Gatz afhangt, komen er ‘op markante plaatsen van de Brusselse vijfhoek’ een reeks werken. Hebben we na het subsidieschandaal met de kunstige fietsbrug van Quinze op het domein van Tomorrowland en de potsierlijke rode blokken in Oostende onze les dan nog niet geleerd?

 De Grijze Man

Opmerkelijk in stilistisch opzicht is dat de tekstschrijver van de minister, Peter Dejaegher, na elk hoofdstuk zelf even aan het woord komt als ‘De Grijze Man’. Die stukjes dragen weinig bij, ze mijmeren wat over de beleidscultuur van het kabinet, ‘waar wel hard gewerkt wordt’.

De ene keer informeren ze ons schalks over een mogelijke quote voor de minister uit de televisieserie House of Cards: ‘Rouw niet zo. Elk poesje wordt een kat. Ze lijken eerst zo onschuldig. Klein, stil, likkend aan hun kommetje melk. Maar wanneer hun klauwen lang genoeg zijn, zijn ze op bloed uit. Soms van de hand die hen voert. Voor wie naar de top van de voedselketen klimt, bestaat er geen genade. Er is maar één regel: doden of gedood worden.’

De Amerikaanse dramaserie van HBO brengt een reactionaire fantasiewereld waarin cynisme, corruptie, vakbondsbashen en brutaal pragmatisme tot politiek professionalisme is verheven. Hoewel elke kritische dimensie, progressieve stem of kiem van activisme hier vakkundig zijn weggesneden, wordt de reeks wel eens met een Shakespeareaans drama verward. Is dat de politieke cultuur waar het kabinet zich aan spiegelt?

Blijkbaar niet altijd, want een andere keer is Peter Dejaegher vol lof over de Portugese schrijver José Saramago, de Nobelprijswinnaar wiens hele literaire werk ‘een expressie is van humaan respect’ (lees: communisme). Het had Dejaegher getroffen ‘met hoeveel respect en bewondering voor de warme en diepmenselijke persoonlijkheid van Saramago de personeelsleden van de stichting [die zijn nalatenschap beheert] hadden voor de grote schrijver. En dat voor een van ’s werelds laatste marxisten, kon De Grijze Man zich niet bedwingen te denken.’

Liberalen hopen natuurlijk dat er dadelijk geen marxisten meer zijn. Maar is het de tekstschrijver van de minister ontgaan dat de vijf kandidaten voor de Nobelprijs literatuur in de ronde van Saramago allemaal uitgesproken marxisten waren? ‘Men privatiseert de zee en de hemel, men privatiseert het water en de lucht. Men privatiseert de wolk die voorbijtrekt, men privatiseert de droom, vooral de dagdroom en de droom die met open ogen gedroomd wordt’, noteerde Saramago. Cultuur is die ‘droom met open ogen’. Met het uitverkoopbeleid van Gatz staat die droom nu in de vitrine en wel onder de noemer ‘Culturele en Creatieve Industrieën’.

Pas achteraan in het boek ontdekt de lezer waarom deze stijlformat met ‘De Grijze Man’ nodig was: om uit te leggen dat de minister natuurlijk geen cultuurbarbaar is, dat is ironie. Maar dat had Gatz nochtans in de inleiding zelf al benadrukt. We lezen op het einde van het boek: ‘Met wat een inlevingsvermogen en passie schrijft de minister over dat eerste jaar. Hij heeft er duidelijk van genoten. [hij wel… ] En hoe overtuigend illustreert hij zo dat zijn bekentenissen helemaal niet uit de pen van een cultuurbarbaar zijn gevloeid… Ergo: de minister wil de lezer met zijn titel bewust op het verkeerde been zetten.’

En voor zover nog niet duidelijk was, lezen we vervolgens: ‘De titel is dus ironisch bedoeld, want het boek laat de lezer een minister kennen die zijn karakter van ware cultuurminnaar niet onder de korenmaat zet, zoals hij het zo mooi formuleerde over de uitingsdrang van een bekend kunstenaar. Bij De Grijze Man deed die conclusie het respect voor zijn baas een trede stijgen’.

Hier ontkomen we toch moeilijk aan de vergelijking met zo’n stereotiepe dienaar van de Grote Leider in Noord-Korea, die met een notitieboekje in de hand diens verwezenlijkingen vereeuwigt en het volk uitlegt hoe we ons daarbij moeten voelen. Even verder lezen we: ‘ondanks de besparingen die Sven Gatz de brede cultuursector had opgelegd, geniet hij daar en in de media nog altijd een hoge gunfactor.’ Gunfactor? Dat is een marketingterm waarmee je de populariteit van een merk uitdrukt.

Dat maakt de intentie van dit pamflet duidelijk: de boodschap verkondigen dat de minister zijn legitimiteit nog altijd heeft. Werkelijk? Nergens in het boek komt de hold-up op de openbare omroep ter sprake, alwaar Gatz het vuile werk doet voor de monopolies van de private pers. Zegt het op zich niet genoeg dat je al over een essentieel deel van uw eigen beleid moet zwijgen om je populariteitspoll rond te krijgen?

 Minister-Gatz-het-geld-is-op?

Om ook even in te gaan op wat de minister concreet schreef, enkele uitspraken die de intussen gekende misleidende retoriek van Gatz nogmaals bevestigen.

Het boekje opent met de volgende interpretatie: ‘de internationale conjunctuur had de nieuwe regering met een deficit opgezadeld. Als politicus, maar evengoed als huisvader, vind ik dat gaten er zijn om gedicht te worden. Net zomin als een gezin of een individuele burger kan een overheid volgens mij geld blijven uitgeven dat het niet heeft. Daarom vond ik het niet meer dan juist dat de regering een besparingsoefening afsprak om de begroting opnieuw in evenwicht te krijgen’.

Gaten zijn er inderdaad om gedicht te worden. Dat geldt ook voor de gaten in cultuur die het huidige bespaarbeleid aan de lopende band produceert, onder het mom van de welbekende het-geld-is-op-fabel. Maar zelfs als je als liberaal mordicus geen vermogensbelasting wil, waarom geef je dan wel zoveel geld uit aan dure culturele infrastructuur, terwijl de overlevingskansen van een toekomstige generatie kunstenaars onder druk staan? Onze regering heeft verder wel 130 miljoen veil om de productie van het nieuwe model van autofabrikant Fraudi naar hier te halen, zonder enige garanties inzake extra jobs, een bedrag zo groot als het budget van het kunstendecreet.

En waarom dan ondertussen ook nog eens 200 miljoen euro investeren in ‘veiligheid’ en de cultuur van de angst? (We zwijgen over de 6 miljard euro voor de nieuwe F16’s, of over de 600 miljoen die onze overheid uitgaf aan militaire interventies in Afghanistan, met alleen maar meer doden, chaos en een aanslag op onze begroting als resultaat).

Waarom vervolgens AB InBev, de biergigant waar onze minister in een vorig leven voor lobbyde, vrijstellen van belastingen? InBev boekte vorig jaar een winst van 6,6 miljard, GDF Suez klokte af op 2,4 miljard en bankverzekeraar KBC haalde 1,7 miljard winst. Drie bedrijven die samen 10,7 miljard euro winst boeken, wat is de ‘return on society’? AB InBev betaalt 0,0 procent belasting (korting: 590 miljoen), KBC Group betaalt 0,8 procent op haar winst (korting: 127 miljoen), en GDF Suez betaalt 6,8 procent belastingen (korting: 50 miljoen). Mochten die drie reuzen het wettelijke tarief betalen, dan was onze schatkist jaarlijks ongeveer 767 miljoen euro rijker. Geld dat men dan niet zou moeten zoeken in de zorgsector, in cultuur, in het onderwijs of bij de werkende mensen. Met de taxshift verliest de sociale zekerheid nota bene nog eens 2 miljard euro.

Nog eentje? Electrabel mag een geschil over vroegere belastingverplichtingen afkopen voor 120 miljoen, een cadeau van 580 miljoen. Dit staatsgevaarlijk monopoliebedrijf krijgt ook een verlaging op de nucleaire taks die ze moet betalen op haar woekerwinsten, een cadeau van 339 miljoen. Verder geeft deze overheid ook nog eens haar investering van 700 miljoen in de oude kerncentrales cadeau: die zijn fiscaal aftrekbaar met nog eens een 9,3% bovenop. Woekerwinsten tot in 2025! Allemaal geld dat niet naar groene energie gaat, en ondertussen moeten wij ons voorbereiden op het ‘afschakelplan’.

Maar hoe legt onze openhartige en democratische minister die het debat zogezegd niet schuwt de besparingen uit? ‘Het was de bedoeling dat de zwakkeren in de samenleving zo veel mogelijk zouden worden ontzien. Is dat correct gebeurd? Ik meen van wel.’ En hoe motiveert hij zijn besparingen? ‘Moet cultuur niet wat nederiger zijn? Is onderwijs niet belangrijker? Of welzijn’. Die valse of/of retoriek is ordinair volksbedrog.

 Korte pijn, en andere holle praatjes

’Als minister van cultuur heb ik gekozen voor de korte pijn. Ik heb mijn hele beleidsveld snel duidelijkheid willen geven.’ Wil Gatz ons nu doen geloven dat er alleen die grote besparing was in het begin van zijn mandaat? Wat met de historische cut op de subsidies voor individuele kunstenaars en kleine instellingen deze zomer? Wat met de extra besparing van 1,5 procent op het sociaal-culturele veld die sinds deze week een feit is? Is er dan duidelijkheid over de historische besparing die het ontmantelen van de provincies met zich zullen meebrengen?

En hoe komt het dat zowat alle culturele instellingen die vorige week hun subsidiedossier moesten indienen – hoeveel belastinggeld zou die managementbureaucratie trouwens gekost hebben? – nu tot 2017 in het ongewisse blijven? Gatz kan niet genoeg dramatisch herhalen dat hij ‘keuzes’ zal moeten maken. Duidelijk een schrikbewind: die onduidelijkheid houdt de sector een lange periode, voor het merendeel van zijn lopend mandaat, aan de leiband. Tot zover die verheerlijkte vrijheid van de liberalen.

’Mijn voorganger Bert Anciaux is erin geslaagd het budget voor cultuur in vijf jaar te verdubbelen. Fantastisch. Maar ik heb sindsdien geen verdubbeling van de sociale cohesie vastgesteld’. Weet de minister dan niet dat de cultuurparticipatie jaar na jaar is gestegen? Zijn administratie beschikt toch over de cijfers aan bezoekersaantallen, al die metingen waar al zoveel geld naartoe ging, waarom die niet gebruiken?

Twijfelt Gatz aan de waarde van de sociaal-culturele en sociaal-artistieke werking die sindsdien zijn uitgebouwd? Is het de minister onbekend dat zoveel instituten vandaag de besparingen nog even konden uitzweten door de reserves en werking die ze in die periode hebben opgebouwd? Die buffer is nu op. Chomsky wees er al op: het is de klassieke truc van liberalen, eerst besparen zodat de werking van publieke instellingen kraakt en hapert, waardoor onvrede toeneemt, om vervolgens de loper uit te rollen voor de privatisering.

 ’Ik wil mij niet uitspreken over de grootte van de bijdrage die de overheid in cultuur moet stoppen’. Een zoveelste leugen, want de minister stelde al meermaals mediageniek dat de cultuursubsidies nu toch wel hun plafond hebben bereikt. Het zijn vrijblijvende uitspraken, die hengelen naar wat publieke bijval van mensen die in onmin zijn geraakt met het kunstenveld.

Hij is er ook ‘van overtuigd dat wat gratis is, waarde verliest’. Dat is dan weer het liberale fantasma pur sang: iets moet een prijs hebben om iets waard te zijn. Verliest gratis onderwijs dan zijn waarde? Was Adam Smith niet een grote voorstander van een overheid die cultuur en onderwijs verzorgde, om te vermijden dat vele mensen die betrokken zijn in het intensieve arbeidsproces anders verstoken blijven van elke emancipatie als mens? En is lucht minder waard omdat ze (nog steeds) gratis is? De subsidies aan bedrijven en banken, die zijn voor hen ook ’gratis’, laten we die dan ook afschaffen.

 ’In kleine landen zijn mensen trots als een kunstenaar erin slaagt voor veel geld een schilderij te verkopen aan een steenrijke emir.’ Is dat zo? Waarom zouden mensen zich niet eerder afvragen dat het toch gek is dat een ‘topkunstenaar’ eerst maanden zwoegt aan een werk, in alle intimiteit, om het dan te verkopen aan een bankier of oligarch met wie hij of zij misschien geen moment in dezelfde kamer zou willen doorbrengen? Dat lijkt vandaag gek genoeg vanzelfsprekend te zijn, waaruit blijkt hoe gevangen die top van de ‘vrije kunstenaars’ zit. Waarom zouden mensen zich niet de bedenking maken dat de beeldende kunst vandaag toch wel erg verstrikt zit in het geld? En dat een vermarktingsbeleid dat alleen maar erger maakt?

 ‘Topkunstenaars’ die willen vermijden dat de kunstmarkt de waarde van hun oeuvre via technieken van prijszetting en dumping kapot speculeert, zien zich soms genoodzaakt voor belachelijk veel geld hun eigen werk terug te kopen. Met als sinister neveneffect dat ze het kunstcasino mee draaiende houden. Voor Gatz is cultuur natuurlijk ‘een internationaal exportproduct dat de Vlaamse overheid in het buitenland moet slijten’. Gatz:’ het is een van mijn belangrijkste strategische doelstellingen’. Check.

 Vakantie van de geschiedenis

Nog zo een: ‘we mogen niet vergeten dat cultuursubsidies in de geschiedenis een relatief recent verschijnsel is.’ Daarmee wil Gatz ons doen geloven dat kunst en cultuur vooral bij gratie van privaat kapitaal leefde en leeft. Die claim was al meermaals zijn belangrijkste argument om de uitverkoop via ‘alternatieve financiering’ verkocht te krijgen. Maar wil de minister dan terug naar de horigheid van de hoofse kunstenaar die in opdracht moest leven? En is het niet eerder eigen aan een conservatief om te denken dat wat in het verleden traditie was, ook goed is voor morgen?

Hier spelen trouwens heel wat misvatting mee. Het is bijvoorbeeld veel te simplistisch om te beweren dat kunst vroeger floreerde uitsluitend dankzij het private kapitaal. Bijvoorbeeld, vormden die adellijke en kerkelijke mecenassen niet net de overheid van toen? Was hun mecenaat niet eerder zoiets als ‘gemeenschapssteun’, ver weg van wat we vandaag onder private financiering door bedrijfsmecenaat begrijpen?

De familie de Medici bijvoorbeeld bracht drie pausen voort, meer dan vijftig kardinalen en twee Franse koninginnen. De familie was een centrum niet alleen van financiële maar ook van politieke macht. Het is alleszins te gemakkelijk om naar een periode te verwijzen waar zoiets als ‘de staat’ zoals wij dat vandaag kennen nog niet bestond, om dan te beweren dat ‘de markt’ steeds de weldoener voor de kunsten was. Wat die ‘markt’ vroeger was, is bovendien ook iets anders dan het hedendaagse kapitalisme met de religieuze cijfercultus op hondsdolle beurzen en criminele multinationals.

Nog een voorbeeld: ook de fameuze tentoonstelling Salon des Refusés, waarmee het impressionisme in de beeldende kunst op de kaart werd gezet, wat dan weer het startschot gaf van wat vandaag de moderne kunst heet, was uiteindelijk een initiatief van keizer Napoleon III en werd officieel ondersteund door het Franse hof. Het klopt duidelijk niet dat het artistieke academisme samenviel met staatskunst en de avant-garde een exclusieve zaak van galeriehouders was. Dat zijn fabels die elitaire kunstverkopers graag aanblazen als camouflage voor de woekerwinsten die ze zelf als vampiers binnenhalen.

De eerste kunstbiënnale van Venetië in 1895 was trouwens opgezet door de staat. Vrijwel alle biënnales die erop volgden ook. Het is natuurlijk begrijpelijk dat een minister het belang van publieke ondersteuning voor de moderne kunst bewust onderschat, evenals de gevaren van de vermarkting, maar dat maakt het liberale leugenpaleis net zo gevaarlijk.

 ‘We hadden de rel niet zien aankomen’

Een andere dwaallicht doemt op zodra liberalen het hebben over ‘vrijheid’. Gatz: ‘ik gaf de lokale besturen de vrijheid zelf te beslissen wat ze met hun subsidies zouden doen. Dat impliceert inderdaad dat de wettelijke verplichting om een bib te hebben, wordt afgeschaft.’ Maar hoe vrij ben je dan als lokaal bestuur, als je ondertussen ook met saneringen af te rekenen krijgt? En wat betekent dit voor de vrijheid van de mensen? Voor hen rest de vrijheid boeken te kopen?

Wie de discussie over de afschaffing van de bibliotheekplicht volgde, weet dat de minister daar uiteindelijk bijdraaide: hij gaf na een commentaar van Walter Pauli van Knack toe dat het allicht zo zal zijn dat er bibliotheken zullen verdwijnen. In dit boek keert de minister toch weer op zijn passen terug: ‘De bib is vandaag een essentieel onderdeel van het culturele aanbod in elke gemeente. En dat laatste zal niet snel veranderen, daarvan ben ik overtuigd.’ Maar als de bibs dan zo essentieel zijn, waarom schaf je dan de bibliotheekplicht af?

We zullen het niet weten, want Gatz doet alsof het ‘om een rel’ gaat die intussen van de baan is. Nochtans zullen we pas de volgende jaren de negatieve impact van deze beslissing over ons heen krijgen, wat allicht ook met veel protest gepaard zal gaan. De minister rondt de discussie liever nu al af, door van onderwerp te veranderen.

Enerzijds tracht Gatz zich eruit te praten door over de uitdagingen van de ‘digitale revolutie’ te beginnen. Om dan over te gaan naar de stelling dat ‘de Vlaamse games-industrie internationaal potten kan breken’. Betekent dit dat boeken en bibs voor de visionair Gatz minder van belang zijn? En als de minister dat vindt, hoe gaat hij dan motiveren dat hij elders in het boek zoveel nadruk legt op het belang van de Frankfurter Buchmesse in 2016, waar hij in tijden van besparingen toch al gauw een miljoen euro voor heeft vrijgemaakt? Omdat het dan om handel en vertaalrechten gaat?

Anderzijds tracht de minister wat hij minimaliserend ‘de bibliotheekdiscussie’ noemt, te ontmijnen door erop te wijzen dat ‘er al die jaren toch nooit een gemeente gesanctioneerd was omdat ze geen bib had.’ Op wat slaat dat nu? Denkt de minister dan werkelijk dat de wettelijke verplichting in lokale besturen geen stimulans was om de bestaande bibliotheken te behouden?

Gatz vergeet blijkbaar ook dat deze wetten een democratisch instrument zijn waarmee een lokale gemeenschap kan mobiliseren voor de oprichting een bibliotheek, als ze die zouden wensen. Het geeft hen die vrijheid. En het is natuurlijk niet omdat er hier en daar verzaakt wordt aan een wet, dat die wet dan maar meteen weg mag… maar ook wettenloosheid is goed voor ‘de vrijheid’, ten minste, voor de vrijheid van de vos in het kippenhok.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!