Presidentsverkiezingen VS: same show, different faces

Analyse -
dinsdag 8 september 2015 14:29
Bernie Sanders (berniesanders.com)

De vierjaarlijkse mediashow van het Amerikaanse tweepartijenmonopolie komt er weer aan. Afwezigheid van politieke inhoud – voor zover die er ooit was – wordt nog schrijnender, de dominantie van de financiële elite over het verkiezingsproces nog groter. Er is één kaper op de kust, maar die zal het eindresultaat niet bepalen. Een eerste overzicht.

Een presidentsverkiezing na een president met dubbel mandaat is altijd wel een klein beetje spannend. Ze draait rond slechts één vraag: zal de partij van de zetelende president opnieuw een president uit eigen rangen verkozen krijgen.

DE VASTE VIERJAARLIJKSE INGREDIËNTEN

Het Amerikaanse kiessysteem

In het Amerikaanse kiessysteem zal de winnaar – ditmaal kan dat voor het eerst een winnares worden – het halen door te winnen in ongeveer ’12 swing states’, die deelstaten waar het opdagende kiespubliek ongeveer even veel voor één van beide partijen stemt, Democraten of Republikeinen. Het zijn die staten waar een kleine verschuiving ten voordele van één kandidaat grote gevolgen heeft voor het aantal zetels in het presidentiële kiescollege.

In tegenstelling tot wat nog veel wordt gedacht, wordt de Amerikaanse president niet rechtstreeks door het volk verkozen maar door een kiescollege. Dat college wordt wel per deelstaat apart door de burgers gekozen, ook al kennen ze de namen van de betrokkenen niet. In het Amerikaanse kiessysteem – dat geënt is op het aloude Britse ‘winner takes all’ principe – krijgt de kandidaat met de meeste uitgebrachte stemmen 100 procent van de leden van het kiescollege per deelstaat achter zijn/haar naam.

Dat hoeft niet eens de helft van de stemmen te zijn. Als kandidaat A pakweg 45 procent behaalt, kandidaat B van de andere grote partij 44 procent en de overige negen procent verdeeld zijn over lokale presidentskandidaten, ongeldige en blanco-stemmen, dan krijgt kandidaat A alle zitjes van die staat.

De gevolgen van dit systeem werden breed uitgesmeerd bij de presidentsverkiezingen van 2000. Toen kon de Republikein George W. Bush president worden met minder stemmen dan Democratisch tegenstrever Al Gore dankzij de grilligheden van de verkiezing van het kiescollege. In 2000 was het reeds de vierde maal dat zich dat voordeed in de Amerikaanse geschiedenis. Die anomalie werd in het buitenland toen zwaar bekritiseerd. Dit systeem is echter ongewijzigd gebleven.

Participatie van de bevolking

Net als bij zowat alle vorige presidentsverkiezingen blijft ongeveer de helft van de kiesgerechtigde Amerikanen thuis – of op hun werk (als ze dat hebben). De verkiezingsdag is immers een gewone weekdag. De cijfers variëren enigszins maar het gemiddelde participatieniveau ligt steeds rond de 50 procent.

Bij verkiezingen in eender welk EU-lidstaat noemt men een dergelijk lage participatiegraad een ‘democratisch deficit’. Het is een haast nooit becommentarieerde constante bij Amerikaanse presidentsverkiezingen. Overigens ligt de deelname voor de Amerikaanse parlementsverkiezingen – zowel federaal als voor de deelstaatparlementen – nog lager. Bij gemeenteraadsverkiezingen, verkiezing van sheriffs en rechters, van gewestraden (‘counties’) zakt de deelname van de kiezers soms tot 15 procent en lager.

Financiering van de kandidaten

De Amerikaanse presidentsverkiezingen werden altijd gewonnen door de kandidaat die het meest geld voor zijn campagne wist te verzamelen, van individuele burgers en van bedrijven samen. Sinds de verkiezingen van 1992 wordt het record van het totaalbedrag dat werd uitgegeven door de kandidaten bij elke verkiezing telkens opnieuw gebroken – zelfs als men rekening houdt met de inflatie van de dollar. Dat zal ook in 2016 het geval zijn.

Tot in de jaren 1970 werd dit financiële aspect van de verkiezingen nauwelijks gevolgd in de media. Dat veranderde geleidelijk vanaf de verkiezing van president Ronald Reagan in 1981. Sindsdien is het bedrag dat kandidaten weten te verzamelen één van de centrale besproken onderwerpen van het debat in de Amerikaanse media, een graadmeter voor de kansen van de kandidaten.

Dat dit een bedenkelijke achteruitgang is voor de democratie is geen thema bij die debatten. Dat de Amerikaanse media dat aspect niet benadrukken heeft een heel concrete reden. Het grootste deel van de campagnefondsen wordt immers uitgegeven aan advertenties en zendtijd op TV, op de radio en in de kranten.

Ook de twee partijconventies van Republikeinen en Democraten zijn een grote bron van inkomsten voor de media. De uitzendingen over de conventies halen niet echt hoge kijkcijfers, maar dat is irrelevant. U betaalt, wij draaien. Dat is het zowat. De bedrijven weten ook wel dat hun advertenties niet goed worden bekeken maar betalen toch, als ‘steun’ voor de kandidaten, die de boodschap uiteraard begrijpen.

Citizens United,niet voor de burgers

Een en ander is nog erger geworden sinds het Amerikaans Hooggerechtshof heeft bepaald dat bedrijven niet langer begrensd zijn in de bedragen die ze mogen geven aan een kandidaat (meestal geven ze aan beide kandidaten). In 2010 won een groepering genaamd Citizens United een rechtszaak tegen de Federal Election Commission, de overheidsdienst die toeziet op de correcte wettelijke uitvoering van de federale verkiezingen (voor Congres en president).

De naam Citizens United is misleidend. De organisatie staat voor een belangengroep van bedrijven die een einde wil aan de beperkingen op de bedragen die aan kandidaten mogen worden gestort. Het Hooggerechtshof oordeelde dat die beperking een inbreuk is op de ‘vrijheid van meningsuiting’. Inderdaad, geld storten is sindsdien een uiting van een mening in de VS.

In de praktijk verandert het niet zo veel aan de totale campagne bedragen, maar het storten van geld voor kandidaten wordt nu openlijk gedaan. Bedrijven kopen hiermee de facto de verkiezingen en steunen de kandidaat die het best hun wensen vertegenwoordigd.

Tweepartijenmonopolie

Dat de VS een tweepartijenmonopolie is klopt niet helemaal. Op niveau van de deelstaten doen er ook wel derde partijen mee. Ook voor de presidentsverkiezingen zijn er veel meer dan de twee kandidaten van Republikeinen en Democraten (ook al zal je dat aan de berichtgeving in de mainstream zo goed als niet merken).

Op het niveau van de deelstaten is de uitvoerende macht nog enger verdeeld dan op federaal niveau. In de meeste deelstaten heeft één van beide systeempartijen soms tot tientallen jaren na elkaar de overmacht en beheerst zowat alle overheidsdiensten volledig (nog een gevolg van het Britse systeem waarbij de winnaar altijd alles krijgt). Slechts in twaalf tot dertien staten ligt de uitslag van de presidentsverkiezingen niet bij voorbaat vast. Alleen daar woedt er een werkelijke verkiezingsstrijd.

Dit zijn zowat de constanten die bij elke Amerikaanse presidentsverkiezingen meegaan. Over naar 2015 en de nieuwe kandidaten. De twee partijen van het systeem organiseren binnenkort hun eigen selectie(de ‘primaries’) voor de kandidaat die ze naar voren willen schuiven op hun partijconventie.

AFLEVERING 2016

Hillary Clinton, gedoodverfd winnaar

Bij de Democraten zijn dat tot op 8 september 2015 Hillary Clinton, Lincoln Chaffee (senator van de staat Rhode Island), Martin O’Malley (gouverneur van de staat Maryland) en Jim Webb (senator van de staat Virginia). Bernie Sanders dingt ook mee voor de nominatie van de Democraten, over hem meer verder. Vice-president Joe Biden zou misschien ook nog meedingen, maar de kans is klein. Om privé-redenen doet hij waarschijnlijk niet mee (op 6 juni 2015 is een van zijn zoons overleden).



Hillary Clinton (US Department of State)

Chaffee, O’Malley en Webb zijn zo goed als kansloos tegenover Clinton, die algemeen de meeste kansen wordt toegedicht om Obama op te volgen. Zij heeft ook reeds de meeste financiële campagnesteun gevonden bij de bedrijven.

Zij staat voor de verderzetting van het presidentschap van Obama, met min of meer dezelfde retoriek en exact dezelfde inhoud. Zij pleit net als hij voor een minimale staat, beperkte sociale taken voor de overheid en een verderzetting van het buitenlandse beleid van de VS. Op een aantal ethische kwesties zoals abortus, euthanasie, het homohuwelijk en vrouwenrechten e.d. is ze naar Amerikaanse maatstaven redelijk progressief. Vergeleken met Europa is dat nogal altijd zeer behoudsgezind, vergelijkbaar met de standpunten van de rechtervleugel van de Europese christen-democraten en conservatieven. Clinton is net als Obama voorstander van de doodstraf.

Voor het ogenblik leidt ze nog steeds de Democratische peilingen, maar een zaak uit het verleden blijft haar parten spelen. Tijdens de vier jaar dat ze voor Obama minister van buitenlandse zaken was (2009-2013) heeft ze als minister blijkbaar heel wat e-mails verzonden via haar eigen privé-server, omdat ze de versleutelde server van het ministerie te omslachtig en te traag vond.

Persoonlijkheid, daar gaat het over

Haar tegenstrevers (ook in de eigen partij) vinden daarom dat ze ‘onbetrouwbaar’ is omdat ze vertrouwelijke informatie zou hebben verspreid in e-mails die het land ‘in gevaar zouden kunnen brengen’, maar vooral omdat ze dit aanvankelijk ontkend heeft, dus ‘gelogen’ heeft.

Deze kritiek is typerend voor de manier waarop de politieke cultuur en de media functioneren in de VS. Het gaat niet om het beleid dat ze voerde (of zal voeren, de electorale beloften die ze nu maakt) maar over haar persoonlijkheid, haar leiderschap, haar karakter. Kortom, zaken die zo goed als niets zeggen over het inhoudelijke profiel van haar kandidatuur.

Bernie Sanders

De Amerikaanse media zwijgen er in zowat alle talen over maar ook de kandidatuur van Bernie Sanders (1941) speelt haar parten. Hij is de enige kandidaat die – ook al heeft hij geen campagnegeld om zich aan te kondigen – overal bomvolle zalen trekt.

Sanders is een geval apart in de Amerikaanse politiek. Hij begon zijn politieke loopbaan toen hij als onafhankelijk kandidaat (niet-partijgebonden) tweemaal verkozen werd als burgemeester van Burlington, de hoofdstad van de staat Vermont, in 1981-1989. Burlington is een stadje met 42.000 inwoners. 



Het stadje Burlington, hoofdstad van de staat Vermont, ziet er verrassend Europees uit (vermont.org)

De staat Vermont is de enige Franse kolonie die lid werd van de allereerste VS-federatie met 13 ex-Britse kolonies (die nu nog steeds New England wordt genoemd). De staat is grotendeels overdekt met heuvelachtige bossen (vandaar de Franse naam ‘vermont’, groene heuvel). Het is met 625.000 inwoners tevens de tweede kleinste staat van de VS (niet in oppervlakte). 

New England is veel Europeser, blanker en sociaal-democratischer dan de rest van de VS, maar Vermont steekt daar nog bovenuit. De doodstraf werd er afgeschaft in 1965 (en niet meer toegepast sinds 1954). De staat heeft de beste score van alle staten van de VS op gebied van gezondheidszorg en openbaar onderwijs. Het is de tweede veiligste staat op vlak van criminaliteit en de derde veiligste staat op vlak van autoverkeer.

‘Democratisch socialist’

Bovendien zal Vermont vanaf 2016 de eerste staat zijn die openbare gezondheidszorg aanbiedt aan alle werknemers op zijn grondgebied (ook zij die niet in Vermont wonen, maar niet aan Vermonters die in andere staten werken). In de rest van de VS wordt gezondheidszorg voor werkende mensen onder 65 jaar uitsluitend door de werkgever georganiseerd. Obamacare is geen openbare gezondheidszorg, maar een vorm van openbare subsidiëring voor wie niet (of onvoldoende) voor een privé-verzekeringspolis kan betalen .

Bernie Sanders was van 1991 tot 2007 het enige lid van het federale Huis van Volksvertegenwoordigers van de staat Vermont en tevens het enige onafhankelijke lid van dit parlement. Sanders is ook het enige parlementslid dat zich openlijk sociaaldemocraat noemt, wat naar Amerikaanse normen zeer links is. Hij noemt zich zelf ‘democratisch socialist’ (de term ‘sociaaldemocraat’ is voor de meeste Amerikanen onbekend).

Zijn sociaaleconomische standpunten kan je positioneren als gematigd sociaaldemocratisch naar Europese normen. Sinds 2007 is hij één van de twee federale senatoren van de staat Vermont. (In de federale Senaat heeft elk van de 50 deelstaten twee senatoren, de grootste deelstaat Californië met 38 miljoen inwoners heeft er ook slechts twee).

Wat betreft aantal kiezers was Sanders geen hoogvlieger. De kleine kieskring waar hij moet ijveren voor zijn zetel laat een relatief goedkope campagne toe. Die kleine schaal is ook grotendeels wat zijn onafhankelijke politieke loopbaan heeft mogelijk gemaakt.

Sanders is de enige federale politicus die openlijk pleit voor openbare gezondheidszorg en openbaar onderwijs, gefinancierd per aantal leerlingen. Het huidige openbare onderwijs in de VS wordt gefinancierd door schoolbelastingen in de counties. Welvarende counties hebben daarom degelijke openbare scholen. Arme getto’s in de grootsteden of op het platteland hebben daarentegen amper geld om leerkrachten te betalen in aftakelende gebouwen.

Kandidaat voor de Democratische Partij

Hoewel onafhankelijk politicus dingt Sanders nu mee naar de Democratische nominatie, dus niet als onafhankelijk kandidaat. In de peilingen moet hij tot nu alleen Clinton laten voorgaan. Hij trekt ook als enige bomvolle zalen, zowel in het diepe zuiden als de Midwest en als enig kandidaat weigert hij financiële steun van de grote Political Action Committees (PACs), mantelorganisaties van grote bedrijven (die nu dankzij het Citizens United-arrest onbeperkt kunnen doneren). Hij financiert zijn campagne uitsluitend met individuele donaties.

Voor een groot deel is die keuze natuurlijk academisch, omdat de grote bedrijven er niet aan denken een kandidaat te steunen die een minimumloon wil opleggen aan het hele land, die de overheidssubsidies aan de bedrijven drastisch wil inkrimpen, openbare gezondheidszorg voor het hele land wil invoeren e.d. Hij is daarenboven de enige kandidaat die openlijk tegen het TTIP-vrijhandelsakkoord is.

Alsof dat nog niet genoeg is, is hij de enige die openlijk de massamedia bekritiseert. Kortom, op binnenlands vlak staat deze man voor een grote ommezwaai in sociaal-democratische richting. Door de  Amerikaanse media wordt hij mede daardoor zo goed als doodgezwegen. Dat hij desondanks volle zalen trekt en 25 tot 26 procent haalt in de peilingen is een teken aan de wand. Een deel van het Amerikaanse publiek laat zich niet meer vermurwen door de barrage aan anti-politieke berichtgeving in hun media.

Hij heeft echter enkele niet onaanzienlijke nadelen. Hij wordt 73 in september 2015. Als kandidaat uit het blanke, ‘Europese’ New England spreekt hij de etnische minderheden zo goed als niet aan. Zijn publiek bestaat uitsluitend ut blanke middenklassers.

Tot nu heeft Clinton halsstarrig elke commentaar over zijn kandidatuur geweigerd. Dat wordt haar door de media ook niet moeilijk gemaakt, enkel journalisten van kleine alternatieve media vragen er naar en krijgen korte, ontwijkende antwoorden. Het maakt van haar vertoon als ‘progressief’ kandidaat wel een bedenkelijke farce. Clinton staat voor continuïteit van het huidige beleid.

Op buitenlands vlak staat Sanders niet echt voor fundamentele veranderingen. Hij is een kind van de Amerikaanse politieke cultuur en gelooft rotsvast in de mythe van het Amerikaans ‘exceptionalisme’. Als president zou hij waarschijnlijk een veel minder agressief beleid voeren en de militaire ontplooiing van de VS over de wereld wat inperken. Op een aantal specifieke vlakken, zoals bijvoorbeeld Israël staat hij echter voor een verderzetting van het huidige beleid. Uiteindelijk zal het Amerikaanse politieke systeem zijn kandidatuur uitwieden, door hem dood te zwijgen of te ridiculiseren, zoals dat in het verleden altijd met derde kandidaten is gebeurd.

De Republikeinen daarentegen



Donald Trump(Michael Vadon/CC)

Aan Republikeinse kant, de uitdagende partij die na 8 jaar ‘socialist’ Obama absoluut wil winnen, is het voorlopig niet veel soeps. Kandidaten vallen over elkaar heen en blinken uit in het uiten van de meest waanzinnige ideeën en voorstellen om de blanke mannelijke middenklasse en arbeiders voor zich te winnen. Abortus, euthanasie, Mexicanen, homohuwelijken, alles passeert de revue, om het maar niet over sociale thema’s te hebben.

Over Donald Trump, de meest exuberante van de hoop, is al veel geschreven. Hij zegt nochtans niets nieuws. Het uitzonderlijke aan de man is alleen dat hij de dingen veel explicieter zegt dan men tot nog toe gewoon was. Hij gaat nog veel verder en hanteert een zeer direct en openlijk woordgebruik en passeert zo op rechts andere kandidaten die vier jaar terug zelf nog als ‘extreem’ werden weggezet.

Jeb Bush en Scott Walker versus Donald Trump

Het maakt dat Jeb Bush, voormalig gouverneur van Florida (tevens broer van president George W. Bush en zoon van president George Bush senior) en Scott Walker, gouverneur van de staat Wisconsin – de staat waar enkele jaren terug nog grote sociale protesten woedden tegen Walker’s afschaffing van de vakbonden – het moeilijk hebben om zich te positioneren als de meest waarschijnlijke kandidaat-winnaars van de nominatie.



Jeb Bush (Michael Vadon/CC)

Trump is bovendien ook uitzonderlijk door het feit dat hij geen kandidaat is met superrijke machtige steungevers, maar gewoon zelf een superrijk machtig persoon is. Hij is echter niet de eerste die dit doet. Ross Perot deed het hem reeds voor als onafhankelijk kandidaat in 1992 en 1996.

 Het traditionele establisment zit met Trump zwaar in de maag. Trump jaagt immers heel wat vrouwelijke kiezers weg die zijn beledigend machismo maar matig kunnen appreciëren. Bovendien beseft de partijtop dat een man die ooit nog campagnesteun heeft gegeven aan zowel Republikeinse als Democratische kandidaten (onder meer aan Hillary Clinton tijdens haar eerste campagne in 2008, toen nog tegen Barack Obama), die bovendien in zijn verleden viermaal van het bankroet werd gered met zware overheidssteun, een veel te controversieel kandidaat is om in stelling te brengen tegen de waarschijnlijk vrouwelijke winnaar van de Democratische nominatie, Hillary Clinton.

De campagnes beginnen steeds vroeger

De andere Republikeinse kandidaten zijn het afzonderlijk vermelden niet waard. Het eerste tv-debat dat Fox News organiseerde met de Republikeinse kandidaten toonde ondanks makke en perfect voorspelbare vragen dat deze politici nauwelijks kaas hebben gegeten van de onderwerpen, geen enkele ervaring of kennis hebben over het buitenland en niet in staat zijn om meer dan clichés en platitudes te reproduceren.

Dat kan een Europees publiek verbazen, maar ook dit is niet uitzonderlijk. Dergelijke debatten in de voorbereidingsperiode tot de primaries hebben altijd al plaatsgehad. Ze bleven vroeger beperkt tot lokale tv-stations in de afzonderlijke staten. In de buitenlandse media hoorde je er vroeger niets van.

Dat kan je ook in het algemeen zeggen van de buitenlandse verslaggeving. Tot eind de jaren 1970 werd de verkiezingsstrijd in Europa pas gevolgd vanaf de twee partijconventies. Dat is geleidelijk naar voren opgeschoven. Nu wordt er dus al bericht over de komende presidentsverkiezingen anderhalf jaar voor ze plaatshebben.

Dit artikel verschijnt tevens op de website en in het tijdschrift van Vrede, editie september 2015.



Content

    take down
    the paywall
    steun ons nu!