Getuigenis - Fay Haelterman

“Ik wil gewoon graag werken”

Het aantal studenten met een leefloon is sinds 2005 met 82% gestegen. Dat cijfer vertelt ons dat veel ouders de kosten van een studie niet langer kunnen opbrengen. Dat cijfer vertelt ons ook dat er steeds meer mensen aankloppen bij het OCMW, waarna ze in dezelfde situatie kunnen belanden als ik.

dinsdag 25 augustus 2015 11:33

Wat is die situatie dan? Dankzij een leefloon kon ik gaan studeren. Die studie legde ik af volgens een ‘modeltraject’, dat wil zeggen dat ik elk jaar slaagde. Niets om bijzonder trots op te zijn, en toch stond ik slechts met een handjevol medestudenten op onze proclamatie. 

Ik wist al vroeg dat werk zoeken niet eenvoudig zou zijn. Daarom probeerde ik een streepje voor te hebben op de rest, door tonnen vrijwilligerswerk uit te voeren. Eenmaal ik mijn diploma in de hand had, hielp dat echter niets. 

“Waarom heb je dan ook voor de richting kunstwetenschappen gekozen?” werd mij vaak gevraagd, waarbij het woord kunst werd uitgesproken alsof het een harige braakbal in de keel was. Over de zin van kunst kan een ander debat gevoerd worden, maar laat ik toch kort mijn keuze toelichten. Naast een passie voor cultuur bezit ik de capaciteiten om veel en snel te leren – nogmaals, niets om bijzonder trots op te zijn. Helaas heb ik geen groot wiskundig, praktisch of economisch talent, waardoor zowat alle studierichtingen die de kans op werk verhogen, uitgesloten zijn. Bovendien moedigt iedereen achttienjarigen aan om vooral te doen wat ze graag doen. En zolang je een universitair diploma hebt, zo meent de volksmond, vind je wel werk!

Ik dus niet. Het OCMW heeft mij wel geholpen met mijn wens om niet langer thuis op mijn lui gat te moeten zitten. Via hen kon ik een tewerkstelling zoeken ‘conform artikel 60’. In een notendop betekent dat dat je je werkgever een appel en een ei kost en dat de rest wordt bijgepast door het OCMW via subsidies van vadertje staat. Bovendien kan je ervaring opdoen, zodat de zoektocht later makkelijker wordt. Iedereen blij. 

Het probleem was opnieuw: waar kon voor mij een job gevonden worden? Dit systeem is zodanig gericht op mensen zonder een diploma, dat hooggeschoolden buiten de boot vallen. De functies zijn vooral gericht op poetsen en koken, wat zeker zinvol werk kan zijn, maar waar ik naar de maatstaven van de culturele sector geen relevante ervaring mee kan opdoen.

Na verloop van tijd kreeg ik een plekje toegewezen binnen een gezellige organisatie. Maar mijn contract eindigde onherroepelijk na een jaar. Er is geen budget om mij daarna aan te nemen. Daarom wil ik proactief op zoek gaan naar een job. Dat hoeft geen droomfunctie te zijn, ik hoef geen 1500 euro per maand op mijn bankrekening, ik vind het niet erg om elke dag drie uur onderweg te zijn. Ik wil gewoon graag werken. 

Helaas, voor jobs waarbij een hoger diploma gezocht wordt heb ik te weinig ervaring, voor de andere ben ik te hoog geschoold.

Tijdens mijn zoektocht kwam ik in aanraking met Gesco- of IBO-contracten, statuten van de VDAB. In aanmerking komen voor een speciaal statuut zou mijn kansen op werk significant verhogen. Helaas. 

Om in aanmerking te komen voor Gesco moet je één jaar uitkeringsgerechtigd werkloos zijn. Aangezien pas afgestudeerden tegenwoordig minstens één jaar moeten wachten op een uitkering, betekent dit in praktijk meestal dat je al twee volle jaren werkloos bent. Heel wat culturele organisaties werken met Gesco-contracten. Mensen die hier liever belanden dan in een callcenter, koffiezaak of fabriek worden zo bijna aangemoedigd om vooral géén werk te zoeken. 

Ik werk, dus ik heb geen recht op een Gesco-statuut. “Jammer eigenlijk, als je nu nog een leefloon had gekregen voldeed je wél aan de Gesco-voorwaarden”, deelde een medewerker van de VDAB me mee.  Met andere woorden: jammer dat ik niet wat luier ben geweest, anders kon ik nu solliciteren voor een job die al mijn passies belichaamt én een tewerkstelling voor onbepaalde duur garandeert. 

Een IBO-contract dan? Het loon ligt nauwelijks hoger dan een uitkering, maar je doet wel heel wat ervaring op. Ik vond een geweldige job in een klein bedrijfje, maar door een beperkt budget – het eeuwige klappen van de zweep bij de non-profit en de culturele sector, overigens – konden zij zich enkel werknemers via een IBO-contract permitteren. “Helaas”, werd me verteld, “deze maatregel is om mensen aan werk te helpen, niet voor mensen die al werk hebben. Bovendien heb je na afloop ook geen 100% zekerheid op een vast contract.” Grammaticale fouten in die zin weggelaten, heb ik momenteel 0% zekerheid op een vast contract. 

Voortdurend ben ik bang voor de komende maanden. Ik moet een nieuwe job vinden, anders word ik werkloos. Noch het OCMW, noch de VDAB lijken die angst te begrijpen, want als mijn contract afloopt heb ik immers toch recht op een uitkering? Niemand lijkt te snappen dat wij wíllen werken, een carrière opbouwen waarbij we iets kunnen beteken. 

Als ik mijn voeten had geveegd aan mijn opleiding en geen diploma had, kon ik nu bij de VDAB terecht. Als ik geen zin gehad om werk te zoeken en nog steeds van een leefloon profiteerde, kon ik nu bij de VDAB terecht. Ik zou niet alleen zomaar geld krijgen, ik zou vooral veel meer kansen hebben om een carrière uit te bouwen waarvoor ik jaren geblokt én gratis gewerkt heb.

19055 jongeren stevenen af op een gelijkaardig lot. Ook zij hebben zich jaren uit de naad gewerkt voor een diploma. Ook zij willen niets liever dan werken. Als er niet snel een betere samenwerking komt tussen VDAB en OCMW, als er niet snel meer tewerkstellingen in artikel 60 komen die gericht zijn op hoger geschoolden belanden ze in hetzelfde straatje: een job die ver beneden hun scholingsniveau gaat, waarbij ze geen relevante werkervaring opdoen en waarbij ze geen zicht op een betere toekomst hebben. 

take down
the paywall
steun ons nu!