NO FUTURE: Manifest van de onderklasse

NO FUTURE: Manifest van de onderklasse

zondag 23 augustus 2015 22:56

Er
moet me iets van het hart. Een bekentenis. Hoe meer ik erover lees en
hoe meer ik erover nadenk, hoe duidelijker het mij voor ogen staat: Ik
vertoon alle kenmerken van een potentiële extremist. Slachtoffer van
werkloosheid en precaire tewerkstelling? Check. Verleden met depressies?
Check. Slachtoffer geweest van pesterijen? Check. Gediagnosticeerd
geweest met AD(H)D, een stemmingsstoornis of een posttraumatische
stressstoornis? Check, check, check. Zich in een kantelmoment in het
leven bevinden? Check. Een geschiedenis met een laag zelfbeeld? Check.
Geen duidelijke toekomst voor ogen? Check. Een gebrek aan financiële
stabiliteit? Check. 




Kortom,
volgens veel ‘specialisten’ heb ik het typische profiel. Ik ben een
potentiële extremist. De overijverige speurder die mijn profiel onder
ogen krijgt zou er zich misschien over verbazen waarom ik nog geen ticket
richting Syrië heb besteld – dat wil zeggen: als mijn naam niet Pieter,
maar Mohammed was. 

Als we de perceptie echter tussen
haakjes plaatsen en kijken naar de naakte feiten dan kom ik al snel tot
de conclusie dat ik helemaal niet zo extremistisch ben. Al bij al kleur
ik mooi binnen de lijntjes, voel ik me niet geroepen door de lokroep
van een mislukt Kalifaat in het Midden-Oosten of een illusoir
arbeidersparadijs in Pyongyang. En hoewel ik al onnodig veel tijd en
energie heb verspild aan woede om de zoveelste denigrerende opmerking of
domme uitspraak van Liesbeth Homans, de She Wolf van de Vlaamse
Beweging, heb ik nooit plannen gekoesterd om een Molotovcocktail door de
ramen van haar ministerie te gooien. 

En eerlijk gezegd is
dat redelijk verbazingwekkend. Het hoeft niemand te verwonderen dat
extremisme de kop opsteekt in tijden van crisis. Wat mij dan ook verbaast is dat
er niet meer jongeren naar Syrië gaan, dat de straten niet overspoeld
worden door bendes en extreemrechtse knokploegen. Kortom, dat het met
dat extremisme al bij al nog redelijk meevalt. Ik ben immers lid van een
groeiende groep mensen die steeds meer naar de rand en soms over de
rand van de samenleving wordt geduwd: het zogenaamde precariaat. En er
is één ding dat ik wel zeker weet over mijn klassegenoten: Wij zijn
tikkende tijdbommen. 

Het precariaat is een klasse zonder
vaste grond onder de voeten. Niet noodzakelijk de armste (al horen die er zeker bij), maar wel de onzekerste leden van de samenleving. Wij bestaan uit
mannen en vrouwen bij wie het water tot aan de lippen komt, die dat
water soms moeten inslikken om niet volledig kopje onder te gaan. Mannen
en vrouwen die steeds meer verstrikt raken in een web van
pestmaatregelen, nepstatuten, deeltijdse contracten,
schijnzelfstandigheid en een inkomen waar zelfs een hond niet van kan leven. Wij zijn mensen die steeds vaker onder druk
komen te staan omdat onze politieke leiders slechts in naam
volksvertegenwoordiger zijn, en in werkelijkheid hun dagen slijten in een
afgeschermde wereld die de onze niet is: de wereld van schatrijke
ondernemers en managers die alles hebben maar met niets tevreden zijn,
omdat politieke deelname in het ‘democratische’ Europa meer en meer het
privilege wordt van oligarchen. Wij zijn een groep mensen die zelfs in
onze slaap geen rust kan vinden omdat we niet zeker zijn waar we over
een jaar de nacht zullen doorbrengen. Die zodanig gedisciplineerd,
gemotiveerd, geactiveerd en gecontroleerd worden dat we ons beginnen af
te vragen wie of wat nu eigenlijk de schuld draagt voor ons ongeluk. Die niet meer weten of onze VDAB-coach nu een hulpverlener of een
agent in burger is, of de arts van de mutualiteit het uniform van
dokter of kampbewaker draagt. Het precariaat is een klasse voor wie de
slogan ‘NO FUTURE’ geen nostalgische knipoog naar de punkperiode is,
maar de gebalde omschrijving van de werkelijkheid. 

Het
precariaat heeft één verlangen: stabiliteit. En om dat te bereiken zijn
we tot veel in staat. Werklozen maken zichzelf wijs – onder zachte dwang
van de VDAB-gedachtepolitie – dat ze zo flexibel zijn als een elastiek
en zonder problemen een onbezoldigde stage met ‘kansen’ kunnen
combineren met een fulltime job als strontraper in een andere uithoek
van het land. Alleenstaande moeders slaan een maaltijd over om hun
kinderen alles te geven waar ze recht op hebben, om uiteindelijk toch
geen andere keuze te hebben dan te besparen op hun toekomstdromen,
wegens gebrek aan geld en tijd. Werkloze jongeren die bruisen van het
talent hoppen van de ene fabrieksband naar de andere zonder ergens vaste
grond onder de voeten te krijgen, waardoor ze noodgedwongen tot hun 30
of 35 thuis blijven wonen, terwijl de goegemeente hen denigrerend
wegzet als de rotverwende inwoners van ‘Hotel Mama’ dat in werkelijkheid
eerder een vergulde kooi dan een vakantieoord is. Allochtone gezinnen
nemen uit noodzaak hun intrek in spotgoedkope woningen om na enige tijd
vast te stellen dat de leidingen zo lek zijn als een vergiet en één van
de kinderen een longinfectie heeft opgedaan, terwijl ze amper geld
hebben voor een behandeling. Vijftigers en zestigers komen na een
ongeval terecht op een arbeidsmarkt die hen liever uitspuwt dan opnieuw
kansen geeft, zodat ze werkloos en radeloos ronddolen tot jaren later de tijd komt om een miezerig pensioen te innen. 

Het
precariaat is het steeds groter wordende doembeeld van een onberekenbaar
monster dat niet enkel materieel, maar ook psychisch en sociaal
op de rand van de samenleving balanceert omdat er in het centrum geen plaats meer is.
Het is een klasse die smacht naar zekerheid, en als ze die niet vindt in
het verrotte systeem dat hen heeft voortgebracht en uitgekotst dan
vinden ze het wel in drank, drugs, geweld, religie, bijgeloof of
ideologie. 

Het precariaat dat ben ik: de dertigjarige,
onregelmatig tewerkgestelde, pillenslikkende trauma-overlever  die
ondanks alle stront die ik de voorbije jaren over me heen heb gekregen vrij gelukkig is geworden en overloopt van energie, maar
snakt naar een uitdaging, een job, een vast inkomen en een toekomst, liefst voor ik terug wegzak in een depressie. 

Het
precariaat dat zijn wij: langdurig werklozen, kansarmen, permanente
interimmers, alleenstaande moeders met een minimumloon,
schijnzelfstandigen, mensen met een arbeidshandicap, psychiatrische
patiënten, (ex-)verslaafden, (ex-)gedetineerden, pechvogels, mannen,
vrouwen, allochtonen en autochtonen, jong en oud. Iedereen die in de
armoede zit of er alleszins mee flirt. 

Wij zijn de nieuwe
gevaarlijke klasse – een klasse van angstige, in het nauw gedreven honden
die zelden blaffen, maar des te harder bijten wanneer we ons pijnlijk bewust worden
van onze onderdrukte mogelijkheden. 

Het wordt tijd dat we onze tanden laten zien.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!