Democratie is de achilleshiel van dit Europa

Longread -
donderdag 30 juli 2015 16:00
© Nikos Pilos

In een lijvig opiniestuk dat verscheen in De Morgen liet Frank Vandenbroucke zijn licht schijnen op de crisis van de Eurozone. Hij komt tot een diagnose omtrent wat er fout loopt in Europa. Hij stelt een remedie voor en geeft aan op welke manier de Europese sociaaldemocratie kan bijdragen tot die remedie. Maar het stuk van Vandenbroucke is – om binnen de medische terminologie te blijven – bovenal een symptoom van waar het blijft fout lopen met Europa én met de sociaaldemocratie.

Kort samengevat komt
de diagnose van Vandebroucke hierop neer. De eurozone bevindt zich in
een spagaat waarin er te weinig soevereiniteit gedeeld wordt om
effectief te zijn, en te weinig risico’s gespreid worden om crisissen
daadwerkelijk op te vangen. De enige oplossing die Vandenbroucke ziet
is de vlucht vooruit: meer soevereiniteit delen en meer risico’s
spreiden. Concreet kan dit de vorm aannemen van een begroting voor de
eurozone, euro-obligaties of een Europese werkloosheidsuitkering.
Voor Vandenbroucke moet de sociaaldemocratie de kaart trekken van een
unie van welvaartsstaten. Zoniet, betekent het niets minder dan het
einde van de sociaaldemocratie, aldus Vandenbroucke.

Op zich
is deze analyse van Vandenbroucke niet fout. Maar ze schiet wel
schromelijk tekort door te blijven focussen op oppervlaktefenomenen
en niet door te stoten tot de kern van de zaak. Soevereiniteit en
risico’s zijn niet de kernwoorden van de Europese crisis die we nu
meemaken. Deze crisis heeft wel alles te maken met democratie. Of
beter, het gebrek daaraan.

Het is een gegeven
dat Vandenbroucke weigert in te zien. Sterker nog, zijn voorstel
draagt enkel bij tot een verdere de-democratisering van Europa. Een
unie van welvaartsstaten betekent simpelweg dat die welvaartsstaten
zelf een bepaalde oriëntatie opstellen die individuele staten
moeten volgen. Op zich houdt dit geen enkele garantie in voor een
democratisch en daadwerkelijk sociaal beleid. Waarom zou iemand die
zich sociaal-democraat noemt zich daarachter moeten scharen?

Macht zonder democratie

Het
Europese project en de euro in het bijzonder zijn van meet af aan een
aanval geweest op de democratie. Voor alle duidelijkheid: met
democratie wordt hier niet per definitie de nationale democratie
bedoeld, maar wel het basale gegeven dat een democratisch
georganiseerde collectiviteit op autonome wijze zijn eigen toekomst
kan bepalen. Zonder daarbij fundamenteel gebonden te zijn aan hogere
of externe instanties. Het niveau waarop die collectiviteit opereert
– de natiestaat, de regio, de federatie, etc. – is van secundair
belang.

Reeds van bij de prille stappen richting Europese
integratie primeerde een antidemocratische logica. Het eerste en
voornaamste doel was het stimuleren van een vrije markt. De obstakels
die de circulatie van goederen, diensten en kapitaal belemmerden
moesten weggewerkt worden en dat veronderstelde de geleidelijke
oprichting van een supra-nationaal beleidsniveau. De naïeve gedachte
die dit proces begeleidde was dat een vrije markt en economische
samenwerking uiteindelijk zouden leiden tot een langdurige vrede en
en toenemende politieke samenwerking.



foto: Horia Varlan

Het nastreven van die
utopie heeft geresulteerd in een Europa waarin de machtigste instellingen het minst democratisch zijn en de minst machtige het meest
democratisch. Het enige instituut waarvan de leden op directe wijze
verkozen worden is het Europese parlement. Maar dat parlement
grossiert in machteloosheid. Mede daardoor geniet het ook steeds
minder legitimiteit. De opkomst bij de laatste Europese verkiezingen
was dramatisch laag. In vele Europese lidstaten kwam minder dan
vijftig procent van het electoraat opdagen.

De Europese
Commissie wordt over het algemeen beschouwd als de machtigste
intstelling van Europa. Het is het uitvoerend lichaam dat
beslissingen implementeert en wetsvoorstellen ontwerpt. Het is de
hoeder van het gemeenschappelijke Europese belang. Maar de Europese
Commissie is berucht omwille van de ontransparantie waarin ze
opereert en de sterke banden met lobbygroepen en bedrijven. Bovendien
zijn de leden van de commissie niet verkozen. Elk van de
achtentwintig lidstaten vaardigt zelf een vertegenwoordiger af naar
de commissie.

Maar misschien is de machtigste Europese
instelling op dit moment wel de ECB. Tegenover de ECB is de Commissie
een toonbeeld van transparantie en democratie. Sinds de Troika –
waar de ECB deel van uitmaakt – is de macht van de ECB sterk
toegenomen. Tegenover die machtstoename staat echter geen enkel
democratisch tegenwicht of toezicht.

Zo zijn de interne
beslissingsprocedures van de ECB volstrekt geheim en bestaat er een
heel dunne scheidingslijn met de commerciële bankenlobby. Officieel
gezien mag de ECB geen politiek beleid voeren, maar dat doet ze in
praktijk natuurlijk wel. Denk maar aan Griekenland. De ECB is één van de
stuwende krachten achter een beleid van privatiseringen,
liberaliseringen en loonpolitiek. 

Duizend conferenties

En dan is er de
euro. Vanuit democratisch oogpunt is het belangrijk om te benadrukken
dat de euro er gekomen is na bijzonder intensief gelobby uit het
bedrijfsleven. De euro werd gecreëerd voor en door het
bedrijfsleven, en daarna eenvoudigweg opgelegd aan de Europese
bevolking.

Sinds 1985 heeft The European Roundtable of
Industrialists – het lobbyorgaan van de vijftig grootste bedrijven
in Europa – campagne gevoerd, om de euro te realiseren. Vanaf 1987
wordt daarvoor zelfs een bijkomend lobbyorgaan opgericht: de
Association for the Monetary Union of Europe (AMUE). Verantwoordelijk
voor de oprichting van dit lobbyorgaan waren de bedrijven Fiat,
Solvay, Philips, Rhône-Poulenc en Total. Het ledenaantal van de
groep steeg snel tot meer dan driehonderd. Amerikaanse banken als
Goldman Sachs en Morgan Stanley schoven mee aan. In de jaren negentig
organiseerde AMUE meer dan duizend conferenties ter promotie van de
euro.

Maar waarom dat
wilde enthousiasme voor een Europese eenheidsmunt vanuit het bank- en
bedrijfswezen? Morgan Stanley was er vrij duidelijk over in 1998:
“Wanneer we kunnen bekomen dat nationale munten niet langer als een
veiligheidsmechanisme fungeren, dan zullen regeringen moeten focussen
op echte veranderingen om competitief te worden: minder belastingen,
flexibilisering van arbeid en een ondernemersvriendelijk
klimaat.”

Met andere woorden: de euro fungeerde van meet af
aan als een hefboom om, buiten de democratie om, een bepaald politiek
beleid door te voeren. Een beleid dat vooral het grootkapitaal ten
goede komt. 

Al Capone

Dat zowel
de euro als de Europese instellingen nooit de ambitie hadden om
Europa te democratiseren, is welgekend. Even oud als het Europese
project zelf is de kritiek erop. In academische middens was en is het
aanklagen van het democratisch deficit van Europa haast een
gemeenplaats geworden. Maar die kritiek bleef lange tijd
vrijblijvend. Het democratisch deficit was weliswaar een probleem,
maar toch vooral een theoretisch probleem zonder al te veel
praktische implicaties. Het democratisch deficit werd aanzien als een
jammerlijke ontwerpfout die mettertijd zou rechtgetrokken worden.
Niets om dramatisch over te doen.

Samen met het democratisch
deficit werd ook de post-politieke, technocratische geest aangeklaagd
die door de Europese instellingen waart: Europa vernauwt politiek tot
technisch management. Dit zorgt ervoor dat de onvermijdelijk
ideologische dimensie van het Europese beleid onderbelicht blijft en
het remt de democratische discussie over dat beleid af, of maakt die
zelfs onmogelijk. Europa was post-politiek, post-democratisch en
technocratisch. Maar ook dat bleek al bij al geen urgent probleem.
Leuke materie voor theoretische papers. Maar niets waar Jan Modaal nu
echt moest van wakker liggen.

De Griekse crisis heeft de
vrijblijvendheid van die discussie in één klap van tafel geveegd.
Wat de Griekse crisis heeft duidelijk gemaakt is dat we het
democratisch deficit van Europa of het post-politieke karakter van
Europa noemen, er niet voor terugdeinst om zijn tanden te tonen. Wat
al die tijd latent was, werd de afgelopen maand manifest: in
confrontatie met een uitdagende democratische kracht deinst dit
Europa er niet voor terug om gewelddadig en agressief op te treden.

Op dit moment hangt
voormalig minister van financieën Varoufakis zelfs strafrechterlijke
vervolging boven het hoofd. De poging van Varoufakis en enkele
vertrouwelingen om Griekenland opnieuw democratische controle te
laten herwinnen, wordt letterlijk gecriminaliseerd. Europa zwijgt en
kijkt toe. De houding en het karakter van Europa doet denken aan die
beruchte quote van Al Capone: “Don’t mistake my kindness for
weakness. I am kind to everyone, but when someone is unkind to me,
weak is not what you are going to remember about me.”

Bom

De ware
achilleshiel van Europa is het gebrek aan democratie. En zolang dat
gebrek niet drastisch wordt beperkt, zal Europa zich van crisis naar
crisis blijven slepen. Democratie kan hier niet aanzien worden als
een luxeproduct, een leuke bijkomstigheid die we ons kunnen
permiteren in tijden van groei en vooruitgang. Nee, het is bijna
andersom. Net in tijden van crisis hebben we democratie nodig om
frustraties van onderuit politiek te vertalen en uiteindelijk om te
zetten in een alternatief politiek beleid. Het is dat of chaos en
revolutie.



(foto Bruno Tersago)

Vanuit democratisch perspectief is het Griekse
Syriza een modelleerling. Syriza wist de onvrede en sociale onrust
die heerste in Griekenland te capteren en om te zetten in hoop. In de
nu reeds jaren aanhoudende austeriteitswinter die de Grieken
trotseren was Syriza een lichtpunt. Een kracht die bovendien de
bevolking wegleidde van meer duistere krachten, om Gouden Dageraad
maar niet te hoeven vermelden. Tsipras speelde het spel volgens de
regels, leidde de partij naar een klinkende verkiezingsoverwinning en
nam plaats in het parlement. Het doel was bescheiden: een betere deal
onderhandelen met de instellingen. Geen revolutie, geen paradijs.
Gewoon een betere deal en een draaglijker leven voor de gewone Griek.

De prille hoop die
Syriza belichaamde werd door Europa verpletterd. De impact van die
daad en de consequenties ervan zijn groter dan we kunnen vermoeden. Het is
een bom onder het geloof in de kracht van de parlementaire
democratie. Wat Europa heeft duidelijk gemaakt is dat de
parlementaire democratie niet langer het mechanisme is waarmee
verandering kan afgedwongen worden. Daags na het akkoord tussen
Griekenland en Europa, verklaarde Europees president Tusk dat hij
vreesde voor een nieuwe revolutionaire golf. Hij zal vermoedelijk
gelijk krijgen. Want wanneer de parlementaire democratie niet langer
de hoop op verandering kan belichamen, blijft enkel nog
buiten-parlementaire en revolutionaire actie mogelijk om politieke
doelen te verwezenlijken.

Tegenmacht

Revolutionaire
actie. Het klinkt zowel belegen als agressief. Maar toch is het de
enige manier waarop een nieuw progressief en ander Europa kan vorm
krijgen. Het is ook de manier waarop de sociaaldemocratie haar
hoogdagen bereikt heeft. Hoewel de sociaaldemocratie de revolutie
vanuit zowel strategische als principiële overwegingen afzweerde,
was haar succes pas mogelijk doordat er een revolutionaire dreiging –
de reële mogelijkheid van een andere orde – bestond.

Toen in maart 1871
een bont gezelschap van revolutionairen en soldaten Parijs innam en
de commune uitriep, werd de dreiging van een sociale revolutie plots
heel reëel voor de Europese elites. Parijs was in de negentiende
eeuw de officieuze hoofdstad van Europa. Dat uitgerekend de stad die
de Europese vooruitgang en rijkdom belichaamde, werd veroverd door
revolutionairen die rode vlaggen op de gebouwen lieten wapperen, was
ongezien. 



De Commune van Parijs

Vanaf dat moment wisten de elites dat er
toegevingen moesten gebeuren. Die tendens zette zich verder doorheen
de twintigste eeuw. Na de Russische Revolutie en de twee
wereldoorlgen zien we steeds opnieuw hoe elites ingaan op
emancipatorische eisen van socialisten en communisten, om de wind uit
de zeilen van de revolutie te halen. Dat mechanisme speelde ook bij
het tot stand komen van de sociale welvaartstaat na de Tweede
Wereldoorlog. Het bestaan van een alternatief politiek project –
genaamd de USSR – noopte ertoe om een kapitalisme met een menselijk
gelaat te ontwikkelen dat zoveel mogelijk ten goede kwam aan
iedereen.

Wat vandaag is weggevallen, is die revolutionaire
dreiging en de mogelijkheid van een andere orde. Links is niet langer
die tegenmacht waarmee de gevestigde macht moet onderhandelen om zijn
voortbestaan te verzekeren. Maar wil een sociaal en democratisch
Europa vorm krijgen, dan zal werk moeten gemaakt worden van een
tegenmacht die dreigend genoeg is om serieus genomen te worden. Of en
hoe die tegenmacht vorm zal krijgen valt niet te voorspellen. Maar
dat ze nodig is om tot de realisering van een nieuw emancipatorisch
project en een echt democratisch Europa te komen, is absoluut zeker.



Content

    take down
    the paywall
    steun ons nu!