Leven in de Guantánamo Geluks/Martelmachine van de 21ste Eeuw

Leven in de Guantánamo Geluks/Martelmachine van de 21ste Eeuw

vrijdag 10 juli 2015 13:44
Spread the love

De zwarte zijde van witte martelingen

In de eerste hoofdstukken van een van haar meest gelauwerde boeken, The Shock-Doctrine, geeft Naomi Klein
(2007) de lezer een onthullend exposé van een reeks psychologische
experimenten die gehouden werden in de jaren ’40 en ’50 onder leiding
van dr. Ewen Cameron. Zelf bevangen door het waanidee
dat psychiatrische patiënten teruggebracht konden worden naar hun
kinderstaat, een soort mentale carte-blanche waarin psychische
aandoeningen simpelweg “overschreven” konden worden, werden mensen met
ernstige psychologische dysfuncties langdurig onderworpen aan wat men in
het Engels “sensory deprivation” noemt: opgesloten in witte
kamers, zonder aanduidingen van dag- of nachtritmes, en – indien ze
tenminste niet geëlektrocuteerd werden – ontdaan van elk fysiek contact.
Nadat de leegte uit hun omgeving ook in hun geest had postgevat, meende
Cameron zijn patiënten te kunnen heropvoeden en louteren van hun
mentale kwellingen. Na gelijkaardige experimenten van Donald Hebb
werden deze technieken gecondenseerd tot een handboek dat informeel
KUBARK zou gaan heten, en dat, vanaf 1963, door de CIA zou worden
uitgebuit voor ondervragingsdoeleinden. De geheime diensten ontdekten
namelijk al gauw dat patiënten die werden blootgesteld aan sensory deprivation inderdaad
tot een staat van “mentale regressie” konden gebracht worden: een vale
hersendood waarin men zodanig psychologisch gebroken wordt dat men
werkelijk alles bekent – of die bekentenissen nu fictief of
reëel zijn. Niet enkel de maag, maar ook de geest kan tot slaafsheid
uitgehongerd worden.

Sensory deprivation heeft echter ook een kwaadaardig tweelingzusje genaamd “sensory overload
– een techniek waarbij men aan intense visuele en/of auditieve stimuli
(zoals stroboscopisch licht en willekeurig lawaai) wordt blootgesteld.
In tegenstelling tot de eerstgenoemde marteltechniek is er significant
minder onderzoek gepleegd naar de effecten van het ‘bombarderen van de
zintuigen’ (afgezien van één enkele studie in de jaren ’60, verscheen
het eerste literatuuroverzicht, uitgevoerd door Z. J. Lipowski,
slechts in 1975). Desondanks suggereert onderzoek aan de universiteit
van Tohoku – waarbij vrijwilligers urenlang aanslagen op hun zintuigen
te verduren kregen – dat men zo mogelijk nog afkeriger reageert op sensory overload dan op sensory deprivation.
Na enkele uren reeds treden de typische psychologische effecten op:
mentale regressie, morbide angsten, agressie-aanvallen, chronische
depressies, hallucinaties, een alles-doordrenkende eenzaamheid,
enzovoort. Beide technieken luisteren vandaag de dag naar de naam “white torture,” waardoor men – in journalist-satiricus Ebrahim Nabavi’s woorden, die deze technieken aanschouwde in Iraanse gevange-nissen – “krijgt wat men van je wil, zonder dat ze je hoeven te slaan.” Uiteraard is de psychologische schade die deze methoden aanrichten nefast en permanent: “De eenzaamheid verlaat je nooit meer, zelfs lang nadat je weer “vrij” bent.”

Nu
zal het niemand als een verrassing overkomen dat deze marteltechnieken
vandaag nog steeds wereldwijd worden ingezet – nu en dan zelfs “hidden in plain sight”,
zoals de Engelsen dat zo mooi verwoorden; oogluikend toegelaten op
Guantánamo Bay bijvoorbeeld. Geruggensteund door KUBARK en jarenlang
experimenteren weten de ondervragers in Guantánamo Bay immers met
praktische zekerheid dat de afwisseling tussen sensory overload en sensory deprivation
tot de meest destabiliserende psychologische effecten leidt. Nieuwe
getuigenissen, rapporten of studies bevestigen dan ook slechts wat reeds
jaren publiek geheim is.

Het
nieuwswaardige venijn zit echter vaak in de details. Ze maken het
globale verhaal, hoe gruwelijk ook, soms bijna tastbaar. Zo lekte inzake
sensory overload enkele maanden geleden de zogenaamde
martel-afspeellijst van de CIA uit: een cataloog van de muziek waarmee
ondervragers hun gevangenen door langdurige blootstelling tot
medewerking dwingen – en wat daarin nu en dan opduikt, kan wel
degelijk verrassend genoemd worden. Naast de voorspelbare ketelmuziek
zoals het anarchistische Rage Against the Machine, of de shock-rock van
Marilyn Manson (die overigens beiden erg genietbaar zijn wanneer je maar
in de juiste mood bent, bijvoorbeeld wanneer je een overheidsgebouw wil
gaan bezetten), bevat de lijst, naast ronduit irritante top-40 hits,
ook allerlei deuntjes die op het eerste gehoor vrij onschuldig klinken:
het thema-lied van de Muppet-show, of “I love you” van Barney
& Friends. Met andere woorden, goedgeluimde kinderliedjes met
liefdevolle boodschappen. Het soort melodieën dat je verzekert dat het
leven een rozenbed is. Er ligt echt een pot met goud aan het einde van
de regenboog.

Ondanks
de zweem van onschadelijkheid die zulke kinderlijke nummers uitstralen,
mag er werkelijk geen twijfel over bestaan: de psychologische
ontwrichting die een gevangene ervan ondervindt na urenlange
blootstelling is even pertinent en diepgravend als eender welk ander
nummer dat uren op de gehoorgangen inbeukt. Er zijn effectief gevallen
geregistreerd van ex-gevangenen die in tranen uitbarsten en met
stuiptrekkingen in elkaar storten wanneer ze opnieuw Barney’s “I love you
voorgespeeld krijgen. Het beeld is eindeloos tragisch. De psychologie
erachter is schrijnend ironisch. Sterker nog dan aan doorsnee “white torture” hangt er aan dergelijke martelsessies immers nog een extra geperverteerde ironie vast: de gevangene wordt letterlijk
gemarteld met muzikale lieflijkheid. Hij wordt getormenteerd met
kinderlijke onschuld. Het zijn melodieën van gelukzaligheid die hem de
duimschroeven aandraaien. En dat uren aan een stuk. De uitdaging valt
aan te gaan op youtube: het themalied van Barney & Friends vijftien
keer na elkaar beluisteren – wat slechts een light-versie is van wat de gevangenen in Guantanamo Bay moeten doorstaan.

Misschien
voelt u de stuiptrekkingen nu al oprispen. Al bij al heeft het echter
iets ongrijpbaar om zich in een veilige, vertrouwde omgeving dergelijke
vormen van marteling voor te stellen; om zich in te beelden wat het moet
zijn om als het ware met geluk gemarteld te worden. De enigen die er
zich misschien toch iets bij kunnen verzinnebeelden, zijn die
beklagenswaardige ouders die nog steeds “Let it go” uit Frozen in
de woonkamer op repeat hebben staan. Dag in dag uit. Telkens opnieuw.
Maar dan nog, en even alle gekheid op een stokje – zou het niet
aanstootgevend zijn om te suggereren dat we ons kunnen inleven in
gevangenen die in neuroses ontaarden onder vrolijke deuntjes? Kunnen we
ons zelfs maar beginnen in te beelden wat het is om psychologisch ten
gronde gericht te worden door een aanhoudende stroom van opgewektheid?

De westerse geluksmachinerie

In
alle eerlijkheid denk ik dat we dat wel degelijk kunnen. Misschien niet
zo acuut als de gevangenen in Guantánamo, maar toch tot op zekere
hoogte – en de mentale regressie die zij ondervinden al evenzeer.
Wanneer we een iets minder welwillende maatschappijkritische bril
opzetten, dan zien we in onze huidige samenleving immers alle
tormenterende elementen vertegenwoordigd die we hierboven aangehaald
hebben: de westerse mens zit ondergedompeld in een niet-aflatende stroom
van reclame, aanbiedingen, pop-ups, berichtgevingen,
Facebook-meldingen, beeldschermen, spam, informatiestromen, enz., die
hem allemaal precies hetzelfde voorhouden: geluk is voorhanden. (Vind ik
leuk.) De liefde van uw leven is maar een app van u verwijderd. Hij of
zij ligt al ergens op u te wachten. Het leven kan toch zo moeilijk niet
zijn, als je die zorgeloze vakantiefoto’s van je vrienden bekijkt. Die
moordende stress met dreigende burn-out die u teistert? Die kan als
water op een ganzenveer van u afvloeien, als u maar de lijstjes met “de
10 beste tips om te ontstressen” oplettend doorneemt. Elk reclamebericht
dat ons wordt gedwangvoederd verzekert u dat alle middelen voor het
bereiken van uw levensdoel koopbaar zijn, met een uitzonderlijke 10%
korting. De Coca-Cola Train of Happiness rijdt doorheen elk
dorp. En toch. We weten het allemaal. Het zijn gefabriceerde gezichten
met een ingeoefende lach; gephotoshopte landschappen met een
halogeenzon; uitgedokterde chemicaliën die onze afgevlakte smaaklust
sussen. We leven in een overdrive van gesimuleerde gelukzaligheid.




Langs
de andere kant doet het westerse hyperindividualisme, waarin
persoonlijke zelfverwezenlijking centraal staat, ons dan weer telkens op
onszelf naar binnen klappen, onthecht van onze leefwereld en afgesneden
van diepgaand contact. Alleen-zijn en eenzaamheid zijn synoniemen
geworden – en eenzelvig zijn we vrijwel altijd en overal, slechts omarmd
door de steriele aanwezigheid van anonieme massa’s en virtuele
vriendengroepen. Zeldzame momenten van stilte, alleen en op onszelf
teruggeworpen, zijn zodoende verworden tot uitputtende sessies van
zintuiglijke deprivatie die ons psychologisch ontregelen. De horror vacuï van
de media hebben we zodanig in onze levensstijl opgenomen, dat elk
moment van afzondering ons meteen in een onpeilbare afgrond van
eenzaamheid stort. “Als je je op jezelf alleen voelt, dan verkeer je in slecht gezelschap,” kon Jean-Paul Sartre
de vorige eeuw nog uitbrengen. Zoiets is vandaag schier ondenkbaar
geworden voor de westerse mens. We zijn immers nog nooit zo eenzaam
geweest. De prikkelstorm van de buitenwereld heeft, bij wijze van
contrast, onze huiskamers en nachtelijke stiltes omgebouwd tot de
psychologische martelkamers van dr. Ewen Cameron.

De Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han (2015) omschrijft ons met de titel van zijn laatste intellectuele worp dan ook terecht als “De Vermoeide Samenleving,” waarin onze psychologische ontwrichting niet afkomstig is van “de negativiteit van het immunologische vreemde, maar door een overmaat aan positiviteit.
We worden gemarteld door de marketing-illusies van gelukzaligheid;
overstelpt door pixels die ons de recepten van gelukzaligheid
voorschrijven maar tezelfdertijd ons psychologisch welzijn vergiftigen.
We worden gekneed zoals de structuur van onze samenleving ons dat
aangeeft: tot eenzaamheid veroordeeld en tot een hersendode volgzaamheid
platgewalst. De marteltang der dartelheid omklemt ons overal. We leven
in de grote “Guantánamo geluks/martelmachine van de 21ste eeuw.”

De geluksneurosen van onze samenleving

De
infrastructuur van onze samenleving, de simulacra van zintuiglijke
martelkamers,  heeft uiteraard merkbare repercussies op haar bevolking.
In 2014 meldden 1,3 miljoen Belgen zich aan voor een behandeling tegen
depressie. Qua zelfmoordcijfers pieken we nog steeds bovenaan de
Europese statistieken. Gevraagd naar het verschil tussen de moslim- en
Westerse samenleving, antwoordde de immer polemische prof. Norman Finkelstein aan Bill Maher
dat, in het Westen, vrijwel iedereen tussen de 25 en 35 aan “een
cocktail van antidepressiva” zit – zowat elke jongere die hij kent,
voegt hij daaraan toe. Een gebrek aan solidariteit en familiariteit ziet
hij als de primaire oorzaak.

Dat boeken zoals Dirk De Wachters Borderline Times en Paul Verhaeghes De Neoliberale Waanzin
intussen heuse best-sellers geworden zijn, zijn tekenen aan de wand. Ze
houden ons de spiegel voor die eindelijk ons ware gelaat reflecteert;
de façades van gevangen in onze eigen beloftes op geluk. Vrijwel
iedereen herkent zich in het relaas van de neoliberale samenleving die
haar inwoners tot groepsneuroses drijft, elkaar vertrappelend in de rat-race waarin de ons voorgehouden pursuit of happiness ontaard is. (Het is moeilijk om hier niet aan de profetische woorden van George Orwell, Eric Blair voor de vrienden, te denken: “If you want a picture of the future, imagine a boot stamping on a human face – forever.“)
De Wachter heeft ongetwijfeld een punt wanneer hij stelt dat vrijwel
iedereen zich tegenwoordig, zwichtend onder het juk van de westerse
geluks/martelmachine, kan identificeren in de criteria die de DSM (de
Bijbel voor psychologische aandoeningen) voor borderline disorder 
opsomt: verlatingsangst, instabiele en intense persoonlijke relaties,
onaangepaste agressiebeheersing, identiteitsstoornissen, emotionele
labiliteit, impulsiviteit, dissociatiesymptomen, automutilatie of
zelfmoordnei- gingen en chronische gevoelens van leegte. Onze
maatschappij lijdt er en masse aan – en het is begrijpbaar
waarom. Alle aanwijzingen, suggesties en aangrijpingspunten voor geluk
worden ons overal aangeboden, en toch zwelgen we in ongeluk en
depressiviteit. Bij eliminatie lijkt het alsof we onze mentale
ontsteltenissen en persoonlijke leegtes enkel aan onszelf kunnen
verwijten – wat we bijgevolg ook doen.

Een
comorbide symptoom van de getormenteerde gespletenheid van onze
maatschappij is haar steeds verder doorgedreven medicalisering. Voor
alles wat als enigszins maatschappelijk afwijkend kan beschouwd worden,
bestaan nu  noemers die we als stickers op onze persoonlijkheden geplakt
krijgen. ADHD, burn-outs, bipolaire stoornissen, autisme-spectra,
persoonlijkheidsstoornissen, sociale angsten – nog nooit hebben zulke
omschrijvingen zich zo sterk in ons publieke vocabularium ingenesteld om
onze persoonlijkheid te kenmerken. Persoonlijkheidsschetsen zijn
psychopathologieën geworden. Zelfs de zelfbeschermende
‘hooggevoeligheid’, geïntroduceerd door Elaine Aron
(1996), valt in datzelfde licht te bekijken. Uiteraard – en gelukkig –
valt voor elk van deze psychologische deviaties en uitzonderlijkheden
een zelfhulpgroep, zelfbewuste levenswijze of, in het beste geval,
pillenkuur voor te schrijven. In 2012 waren er reeds zo’n 66.000
frequente gebruikers van Ritalin te vinden in de leeftijdsgroep tussen
de 6 en 17 jaar. Dat cijfer is sindsdien almaar gestegen. Elke pientere
geest ontwaart echter een zelfondersteunende cirkelwerking onder het
fenomeen van toenemende (zelf-)diagnoses: hoe sterker de criteria voor
mentale ziektebeelden versoepeld worden, des te meer zelfvertwijfelde
geesten zich aanmelden. Waren we geen kritische SKEPP-adepten, dan
zouden we er haast een grootschalig farmaceutisch complot achter zoeken.
Enkel een cynische geest zou durven vermoeden dat aan hetzelfde systeem
dat ons de hand reikt met een reddingsboei ook de andere hand bevestigd
zit die ons het water aan de lippen houdt.

Een zelfonderhoudende aftakeling

Die maatschappijdiagnose is echter exact wat de Sloveense filosoof Slavoj Žižek voorstelt. In zijn boek Violence (2007)
maakt hij een verhelderend onderscheid tussen wat hij “subjectief” en
“objectief geweld” noemt, of ook wel direct en systemisch geweld. De
eerste kennen we  onder de vuistslag, toegedeeld door de dronkenlap in
een nachtelijk café, of de verdwaalde kogel in een territoriaal
conflict: direct zichtbare schermutselingen en geweldplegingen, waarbij
slachtoffer en geweldenaar ontegensprekelijk aan te duiden vallen.
Systemisch geweld is echter een ingebed  onderdeel van een
maatschappelijke infrastructuur, dat zelf de voorwaarden schept
waarbinnen haar inwoners worden onderworpen aan subtielere vormen van
gewelddadigheid. Economische uitbuiting, latent racisme, sociale
genderongelijkheden, verpauperende geldstromen, enz., zijn maar enkele
van de talrijke voorbeelden van systemisch geweld die onder de
oppervlakte- spanning van onze samenleving liggen te borrelen. In
tegenstelling tot subjectief geweld zijn zulke geweldplegingen amper
aanduidbaar; ze kunnen vrijwel onmogelijk toegeschreven worden aan
specifieke geweldenaren. Eerder zijn ze het gevolg van het
infrastructureel functioneren van een maatschappelijke machinerie. Het
Argentinië dat ontstond nadat een militaire junta in 1976 met een
staatscoup de macht ontgreep van Isabel Peron, biedt
hier een illuster voorbeeld. Het economische beleid dat na de overname
werd geïmplementeerd – exemplarisch voor heel Zuid-Amerika destijds –
noemde de dissident Rodolfo Walsh, schrijver van An Open Letter from a Writer to the Militairy Junta, “opzettelijk georganiseerde ellende.
Systemisch geweld mag dan, net omdat het structureel is, moeilijker
vast te pinnen zijn, niettemin zijn diens gevolgen even destructief. De
jaren ’70 en ’80 kende in Zuid-Amerika duizenden doden.

Žižeks
bewering is nu dat het westerse kapitalistische, neoliberale bestel een
systeem is dat via systemisch geweld op zijn eigen verrotting teert;
dat de economische verkommering en psychologische ontwrichting van haar
deelnemers uitbuit voor haar zelfonderhoudend functioneren. Het mooiste
voorbeeld dat hij aanhaalt, is dat van Starbucks: breedvoerig wordt op
de etiketten geëtaleerd hoe de aanschaf van hun koffie hulp biedt aan
Afrikaanse bonentelers, Guatemalteekse dorpen en de bescherming van het
regenwoud. Desondanks is Starbucks hét icoon van een vrijemarktkapitalisme dat de verkommering van de landen in kwestie, door economische
uitbuiting en slinkse marktmonopolies, in stand heeft helpen brengen.
Aan de oppervlakte floreren positieve boodschappen die onze morele
inborst strelen; maar onderhuids broeien er tektonische
aardverschuivingen die mensen tot eeuwige economische achterstelling
veroordelen.




Dezelfde logica ziet Žižek overal vertegenwoordigd in het Westen. Niet ondanks maar dankzij onze vrije samenleving is er een verloren generatie pillenslikkers ontstaan. “Alle kansen liggen voor het grijpen,”
wordt ons als een mantra herhaald. Desondanks spuwen de universiteiten
jongeren uit in de wetenschap dat niemand op de arbeidsmarkt op hen zit
te wachten – allen gevangen in de catch-22 van werknemers die
hen niet aanwerven wegens gebrek aan ervaring, waardoor ze onmogelijk de
ervaring kunnen opdoen die noodzakelijk is voor hun aanwerving. De
consumptiemarkt voor onze geluksartikelen creëert zelf de noden die ze
voor ons met plezier wil verlichten: de mode-grillen die we noestig
opvolgen, zijn zelf de oorzaak van het afgetakelde zelfbeeld dat ze
willen verhelpen, vermits we zelf nooit voldoen aan de
schoonheidsidealen die ze ons voorschotelen. De iPhones die ons altijd
en overal beschikbaar stellen, zijn zelf de virtuele zeepbellen geworden
die ons van elkaar isoleren – getuige de horden cafégangers die zich
liever inchecken op Foursquare dan hun pint met een goed gesprek aan te
lengen. Dezelfde emanciperende zelf-diagnoses die ons in het reine horen
te brengen met onze persoonlijkheid, creëren een sentiment van
abnormaliteit. De Guantánamo geluks/martelmachine van de westerse wereld
heeft de aanschijn van een perpetuum mobile die zichzelf aandrijft met de verloren mensenlevens die ze vermaalt.

Het
is dan ook niet verwonderlijk dat zoveel mensen onderuitgaan aan
burn-outs, met depressies te kampen hebben, de toekomst uitzichtloos
inschatten en zichzelf radeloos wanen. De tegenkracht voor ons geluk
schuilt in het feit dat de stookhaarden van onze psychologische
instabiliteit te wijten vallen aan structurele uitbuitingen,
ongelijkheden en onrechtvaardigheden. Niet zozeer de inhoud van onze
levensprojecten maar de structuur van onze leefwerelden vormt de rem op
onze zelfontplooiing. Concreet lijkt daarom niemand te kunnen
aanduiden wat er juist schort. We hebben immers alle redenen om gelukkig
te zijn, zo wordt ons steeds gezegd; desondanks is vrijwel niemand het.
(Nog zo’n catch-22 die ons tot mistroostigheid stemt.) Onze westerse neerslachtigheid heeft geen redenen, maar gronden.

Het doorprikken van geluksillusies

De
cruciale stap naar een gelukkiger samenleving die uit deze
overpeinzingen voortvloeit – en hopelijk klinkt dat niet al te pedant -,
is dan ook geen concrete maar een structurele. Zij vraagt om de
ontmanteling van de ziekmakende infrastructuur waarop onze kortstondige
momenten van pseudo-gelukzaligheid parasiteren. Zoals karl Marx (1844) schreef in zijn Bijdrage tot de Kritiek op Hegels Rechtsfilosofie,
moeten we een maatschappijkritiek leveren die de ingebeelde bloemen
van onze ketenen rukt – niet opdat we zouden verder walsen in
onopgesmukte, troosteloze ketenen, maar opdat we de ketenen zouden
afwerpen en de  levende bloemen plukken. Niet dat die onderneming een
gemakkelijke is. Uiteraard niet. Zij vergt immers het openbreken en
tentoonstellen van de meest wanstaltige onderbouw van onze samenleving;
het ons ontdoen van onze gekoesterde geluksillusies in ruil voor de soms
gedrochtelijke realiteit van de onderbuik van onze maatschappij. Net
hoe wanstaltig onze hedendaagse maatschappij intern kan functioneren,
zien we bijvoorbeeld vertegenwoordigd in de afstotelijke maar treffende
cartoons van Luis Quiles, waarvan er slechts twee dit blogstuk sieren.

Eén
van de meest choquerende maar doeltreffende illustraties van het
project waarin de verborgen boosaardigheid van onze samenleving op de
voorgrond gesleurd wordt, vinden we echter in 99 Francs, het onderschatte meesterwerk van Jan Kounen. [Spoiler.] Het hoofdpersonage, Octave Parango, een marketing-guru die wordt ingehuurd voor het yoghurt-bedrijf Starlight,
heeft na enkele zelf-destructieve buitensporigheden genoeg van het
bedorven bedrijfsleven en zint op wraak. Daarop besluit hij, samen met
een groep anarchisten, een reclamespot te maken die de ware aard van het
systeem waarop Starlight teert, blootlegt. Hoort inderdaad niet iedereen zich vragen te stellen bij “hoe we onze CEO een bedrag betalen ter omvang van het BNP van Burkina Faso? Hoe doen we dat?” Octaves wraak is zoet, maar de gortige werkelijkheid die hij met zijn reclameclip openbreekt, smaakt vrij zuur.

99 Francs indachtig, vraagt het verwezenlijken van een gegrond welzijn in de westerse samenleving dan ook dat we de structurele
condities van ons geluk bij de horens durven te vatten en herdenken, in
plaats van ons af te matten met het uitproberen van alle
voorgeprepareerde keuzemogelijkheden die datzelfde geperverteerde
systeem ons aanbiedt – alsof geluk een zak chips is in de eindeloze
rekken van onze warenhuisketens. Die onderneming vraagt om een
ontmanteling van een maatschappelijke machinerie die ons martelt met
onze eigen drang naar geluk; de afbraak van de Guantánamomechanismen –
de afwisseling tussen een overkill aan geluksinput en de
eenzame onthechting van onze leefwereld – die onze omgeving doordesemen
en ons ten gronde richten. Er schort niet zozeer iets  aan de appels;
het is de mand zelf die niet deugt, zoals Theo Maassen dat zo mooi verwoordde.

Willen
we ons dan ook werkelijk ontdoen van de ziektebeelden van onze
samenleving, van onze subtiele martelingen, dan is er slechts één
formule: we moeten het aandurven om de hand te bijten die ons voedt.

Oorspronkelijk verschenen op mindofleaves.wordpress.com

dagelijkse newsletter

Unite Talks: Mohamed Barrie

This interview is one to to take your time for! 🙏 🔆 45 minutes of Mohamed Barrie!🔆 💥 Mohamed is a dedicated social worker, organizer and advocate for veganism. He shares his view on structural racism, power, exclusion and veganism. 🌏 Based on his own experiences he shines a new light on the vegan movement and on the role of racism within these movements. 〄 PS: We just started doing these interviews, so feedback is much appreciated!

Geplaatst door u:nite op Dinsdag 20 oktober 2020

take down
the paywall
steun ons nu!