Frank Vande Veire

Žižek: tussen blinde fascinatie en vrijheid

Laten we het eens niet over de populaire Žižek hebben. Deze Sloveense filosoof komt als tegendraadse cultuurcriticus of het geweten van links al ruim aan bod. Daarnaast is hij een van de weinige hedendaagse denkers die in de lijn van filosofische traditie de dialoog aangaat met de continentale grootmeesters. Zo bracht Žižek de voorbije jaren, tussen zijn populair werk door, een paar dikke pillen van boeken uit waarin hij het denken van Hegel, Marx en Lacan op elkaar betrekt, radicaal herdenkt en zo zijn eigen denken vormgeeft.

zondag 14 juni 2015 23:05

Filosoof Frank Vande Veire schreef recent zijn doctoraat over
die Slavoj Žižek. Het boek verscheen intussen bij uitgeverij Vantilt, getiteld:
Tussen
blinde fascinatie en vrijheid.
Tijdens zijn boekpresentatie
in Antwerpse boekhandel De Groene Waterman bracht Frank Vande Veire de hierna volgende inleidende lezing.

De Elvis van de cultuurtheorie?

Ik moet bekennen dat de labels die men altijd weer op Slavoj
Žižek plakt me steeds meer irriteren: ‘academische Rockster’, ‘de man die
sneller denkt dat zijn schaduw’, ‘the most dangerous philosopher in the West’,
‘a one-man heavy industry of cultural criticism’, ‘de Elvis van de
cultuurtheorie’.

Dergelijke spectaculaire labels zijn een soort
bezweringsformules die eigenlijk verbergen dat Žižek gewoon een serieuze denker
is. Vooral het laatste label vond ik altijd ongepast, zelfs bepaald obsceen,
zeker nadat ik het volgende fragment las uit een brief die de goddelijke Elvis
in 1968 schreef aan president Nixon: ‘Ik ben Elvis Presley en heb het Grootste
Respect voor uw ambt. De drugsverslaafden, de Zwarte Panters en de Hippie
Elementen spreken over het establishment, maar ik noem het Amerika en ik hou
ervan.’

Slavoj Žižek is afkomstig van Llubljiana, hoofdstad van
Slovenië, waar hij na het uiteenvallen van Joegoslavië eventjes bijna minister
werd. Hij is 66 en schreef zo ongeveer dertig boeken. Hij is vooral gekend als
een soort allround
superintellectueel. Dat wil zeggen dat hij het niet kan laten om zich over een
ongelooflijk aantal, erg uiteenlopende onderwerpen uit te laten, niet alleen in
zijn boeken maar ook in de pers.

Alleen al in het eerste Engelstalige werk waarmee hij in
1989 doorbrak, The Sublime Object of
Ideology
, komen we te weten wat Žižek denkt over Adorno’s visie op
ideologie, Brechts Driestuiversopera,
het socialisme van Rosa Luxemburg en Eduard Bernstein, Walter Benjamins
geschiedfilosofische Thesen, Cola- en
Marlbororeclames, de Antigone van Sophocles, antisemitisme, sciencefiction, de romans van Jane
Austin, Augustinus’ theorie over de erectie, een aantal films van Hitchcock,
Bunuel, Fellini, Lubitsch, Syberberg, Von Trotta, Scorsese en vele anderen,
Marx’ analyse van de warenvorm, de verhouding tussen jodendom en christendom,
het wezen van het cynisme, Charlie Chaplin, de naamtheorie van Saul Kripke, de
ecologische crisis, het wezen van de democratie, de religiekritiek van
Feuerbach, Shakespeare’s Hamlet,
Althussers visie op ideologie, het genot in de filosofie van Sade, het
feminisme, de stalinistische showprocessen, Alice
in Wonderland
, fetisjisme, hysterie, dwangneurose en droomanalyse bij
Freud, het fascisme, Fichtes Tathandlung,
Schellings filosofie van de vrijheid, Pascals visie op de oorsprong van het
gezag, Het proces van Kafka, de Tom and Jerry-cartoons, de Franse
Revolutie, de theorie van Laclau en Mouffe over hegemonie, enkele opera’s van
Mozart en Wagner, en uiteraard de filosofie van Kant en Hegel… In de
tientallen boeken die hierop volgden, kwamen daar nog eens talloze onderwerpen
bij. Žižek spreekt zélf over zijn manie om alles wat hij op zijn pad ontmoet te
theoretiseren.

Het gevolg hiervan kan zijn dat de lezer al gauw door de
bomen het bos niet meer ziet. Toch heeft alles wat Žižek over al die
verschillende onderwerpen uit de politiek, de sociologie, de esthetica, de
theologie en zelfs de natuurwetenschap te vertellen heeft, wel degelijk een
filosofische basis.

Deze basis komt neer op een gewaagde synthese tussen
enerzijds de psychoanalyse van Jacques Lacan en anderzijds de
Duits-idealistische filosofie van het begin van de negentiende eeuw: vooral Hegel, maar
ook Schelling, en ook niet te vergeten Kant. Žižek heeft dus wel degelijk een
filosofie. Hij heeft een hegeliaanse passie voor het Grote Systeem, zij het dat
de neerslag van die passie allesbehalve systematisch is. In zijn teksten
springt hij van de hak of de tak. Als je zijn theorie wil kennen, moet je deze
zelf bij elkaar sprokkelen. En hoewel hij talloze boeken op zijn naam staan
heeft, blijft hij beweren dat hij een hekel heeft aan schrijven.

Anekdote

In wat volgt wil ik toch even één pad belopen in
het woud van Žižeks denken. Ik wil het vooral hebben over een aspect van zijn
denken waarmee hij volgens mij een blijvende bijdrage heeft geleverd tot ons
inzicht over hoe mensen zich verhouden tot ideologie en tot gezag in het
algemeen. Hierbij ben ik zo vrij jullie een anekdote te vertellen die nogal
smakeloos is, maar die Žižek aanhaalt als een gebeurtenis die bij hem naar
eigen zeggen een epifanie teweegbracht, een ware openbaring, alsof hij plots
heel veel begreep. Het is een anekdote uit de tijd van zijn legerdienst in
ex-Joegoslavie.

Bij een medisch onderzoek legde een jonge rekruut verlegen
aan zijn legerarts uit dat zijn voorhuid te smal is. Omdat dit probleem zich
enkel voordeed wanneer hij een erectie had, maande de arts hem aan dit dan maar
eens te demonstreren. Toen de jongeman daar om begrijpelijke redenen niet in
slaagde, nam de arts een postkaart van een blote dame van de spiegel boven de
wastafels van de soldaten, en riep de jongeman toe: ‘kijk naar dit lekker stuk,
wat voor man ben jij dat je hierbij geen erectie krijgt!’ De hele scène werd
begeleid door vettig gelach van de arts zelf én van de soldaten die stonden te
wachten. Al gauw begon ook de jongeman te giechelen terwijl hij blikken van
solidariteit met het groepje soldaten uitwisselde.

Voor de meeste politieke of sociale filosofen zijn
dergelijke ranzige, smakeloze anekdotes van geen betekenis. Žižek heeft echter
van de psychoanalyse geleerd dat juist schijnbaar betekenisloze, in dit geval
stompzinnige en gênante zaken een licht kunnen werpen op hoe het met ons
gesteld is. Juist het afwijkende dat zich in de marge afspeelt kan iets openbaren
over wat essentieel is aan een maatschappelijk systeem. 

Uiteraard is de context hier belangrijk. De anekdote speelt
zich af in ex-Joegoslavië, toen het communisme nog de officiële ideologie was
die overal werd uitgedragen. Op het eerste gezicht heeft dit gebeuren niets met
ideologie te maken. Het gaat gewoon om een soort vernederende pesterij van het
soort dat je wel meer in het leger hebt, vroeger meer dan nu, mag ik hopen, en
tot op vandaag vooral in bedenkelijke regimes. Er is hier duidelijk macht in
het spel.

De legerarts is ongetwijfeld een hogere officier en dus zeker een lid
van de Communistische Partij. Hij vertegenwoordigt voor de jonge rekruut en
diens collega’s het staatsgezag en de bijhorende ideologie. Maar in deze
specifieke situatie lijkt hij even zijn officiële status van zich af te leggen.
Hij spreekt de rekruut aan als een gelijke, namelijk als iemand die met hem
zijn belangstelling voor blote dames deelt. Hij lijkt te zeggen: ‘ach, ik mag
dan wel een officier zijn en jij een onopgeleide rekruut, maar zijn we in wezen
niet allebei gewoon mannen die graag naar blote dames kijken?’

Maar deze suggestie van gelijkheid, deze solidariteit van
‘mannen onder elkaar’, is natuurlijk vals. De arts doet bij de rekruut beroep
op een primitieve solidariteit in de vorm van een bevel, meer bepaald een bevel om te genieten, om althans het meest duidelijke teken van genot te
presenteren waartoe een man in staat is. En daarenboven geeft de arts dit
obscene bevel in een context die zodanig is dat de rekruut in de onmogelijkheid
verkeert het op te volgen. 

Door de rekruut te verplichten in het bijzijn van zijn
collega’s een erectie te presenteren, suggereert de arts-officier dat hij zich
zelf van de officiële communistische ideologie niets aantrekt. Die ideologie
eist immers ascetische zelfdiscipline. Ze eist dat iedereen zijn streven naar
het eigen genot opzij zet ten gunste van een inzet voor de Partij en het
vaderland.

De arts echter eist het tegenovergestelde, hij eist van de rekruut
met hem een genot te delen dat diametraal tegenstrijdig is aan de officiële
ideologie. Aangezien hij die eis stelt als vertegenwoordiger van de Partij komt
dit erop neer dat de Partij hier zichzélf bespot. De boodschap van de arts tot
de rekruut luidt eigenlijk: ‘ach, als je naar zo’n blote dame kijkt, dan weet
je toch waar het ons mannen echt om te doen is, en besef je dat al dat gepraat
over inzet en opoffering voor Partij en Vaderland flauwekul is!’

Overtredingsfanatasie

Nu, volgens Žižek is wat de legerarts doet niet zomaar een
misplaatste act die aantoont dat ook officiële vertegenwoordigers van de
ideologie bedenkelijke, perverse kantjes kunnen hebben. Nog minder ondermijnt
volgens Žižek dergelijk soort grappenmakerij de officiële ideologie.
Integendeel. Deze smakeloze anekdote legt nu net de essentie van de ideologie
bloot. Uit deze anekdote kunnen we namelijk leren hoe het komt dat mensen in de
ban van een ideologie raken.

Om mensen werkelijk aan zich te binden is het niet
genoeg dat ideologie hun een verhaal inprent over hoe een maatschappij er hoort
uit te zien, waarom zo’n maatschappij voor iedereen het beste zou zijn, en hoe
elke individu daartoe kan bijdragen, enzovoort. Ideologie bindt pas mensen aan
zich door tegelijk ook in te spelen op hun verlangen naar overtreding. Terwijl ideologie natuurlijk altijd een positief
verhaal, een doctrine is, verleidt ze mensen heimelijk ook altijd door hen uit
te nodigen tot een genot dat in die doctrine geen plaats mag hebben. 

Uiteraard gaat het er niet altijd zo gortig aan toe als bij
deze legerarts. Maar het is Žižeks ervaring dat in communistisch ex-Joegoslavië
partijleden de officiële ideologie enkel naar buiten toe, op officiële
gelegenheden, onderschreven. Onder elkaar deden ze alles wat er in tegenstrijd
mee was, of bespotten ze hun ideologische frasen. Deze gezamenlijke overtreding
van de officiële doctrine, de spot en het obsceen gelach waarmee ze blijk gaven
van minachting voor de doctrine, creëerde tussen hen een diepe solidariteit. En
het was ook voor zover het volk aan de vertegenwoordigers van de ideologie deze
minachting voor de ideologie kon aflezen dat die vertegenwoordigers voor hen
een dwingend charisma hadden.

In Žižeks oeuvre duiken zeer uiteenlopende voorbeelden op
van deze structuur, bijvoorbeeld de film The
Duelists
van Ridley Scott. Om zich omhoog te werken op de sociale ladder, imiteert een man van lagere stand zo veel mogelijk zijn adellijke vriend. Hij
respecteert zo precies mogelijk de erecode van de adel. Hoe meer hij zich
echter inspant, hoe belachelijker hij zich maakt.

Hij grijpt steeds naast ‘die
mysterieuze X’ die iemand echt adellijk maakt. Dat komt, zegt Žižek, omdat deze
X geen specifiek kenmerk is dat deel uitmaakt van de officiële code. Het
‘geheim’ van de ware adel van de vriend, en de reden waarom die vriend hem zo
imponeert, zit hem immers in de onnavolgbare wijze waarop die vriend
voortdurend die code overtreedt,
namelijk stilzwijgend, met allerlei gebaren en terloopse opmerkingen, laat
weten dat hij die code flauwekul vindt.

Een ander voorbeeld is dat van blanke conservatieve Amerikanen in het Amerika van de jaren twintig: wat hen als groep samenhield
was niet de christelijke ideologie waarachter ze zich officieel schaarden, maar
de nachtelijke terreur van de Ku Klux Klan tegen zwarten waaraan ze deelnamen
of die ze stilzwijgend goedkeurden. 

Ook de pedofilieschandalen in de katholieke Kerk begrijpt
Žižek op die manier. Pedofilie is niet zomaar een fenomeen dat de Kerk
‘vooralsnog’ nog niet heeft weten uit te roeien. De Kerk behandelt dit probleem
niet toevallig als iets dat alleen haar aangaat; ze weet immers dat deze
‘afwijking’ haar huidige functioneren mogelijk maakt. Het systematisch verzwegen,
‘smerige geheim’ van de pedofiele praktijken vormt het cement van hun
groepsgevoel.

Nog extremer is natuurlijk het voorbeeld van het nazisme.
Naar buiten toe was de ideologie van de nazi’s een positief verhaal: het ideaal
was een natie van sterke, optimistische, hardwerkende en strijdbare mensen die
zich allemaal met elkaar verbonden voelden omdat ze tot één Volk behoorden. De
Holocaust behoorde niet tot het officiële programma van de nazi’s.

De Holocaust
werd door het nazi-apparaat behandeld als een obsceen, smerig geheim. De nazi’s
waren niet zomaar ‘naar het dierlijke afgezakt’. De massamoord op miljoenen
mensen botste wel degelijk met hun morele bewustzijn. Maar juist uit het besef
van de absolute ontoelaatbaarheid van wat ze deden, putten ze een surplus aan
genot dat hun groepsgevoel ondersteunde. Het gaat om een solidariteit in en
door schuld.

We kunnen ook verwijzen naar Dick Cheney, vicepresident onder George Bush. In een toespraak ten
tijde van de oorlog in Irak zegt hij: ‘98% of what we do is legal’. – Hij doelt
natuurlijk op de onfrisse ‘War on Terror’. Officieel bedoelt hij: ‘Onze vijand
is uiterst sluw en gevaarlijk. Daarom zijn we helaas verplicht om af en toe de
grondwet aan onze laars te lappen en dingen te doen die ons, als beschaafde
mensen, moreel afstoten.’ Het lijkt dus dat Cheney zich excuseert dat het
Amerikaanse overheidsapparaat niet helemaal binnen de grenzen van het legale is
kunnen blijven, waarmee hij zich uiteraard blootstelt aan mogelijke kritiek. 

Maar eigenlijk stuurt Cheney een andere boodschap uit. Hij
smoort hier bij voorbaat alle kritiek door zijn toehoorders grinnikend
medeplichtig te maken aan het smerige geheim dat achter die twee illegale
procent schuilt en aan het genot dat hij daaruit puurt. Formeel gesteld: in één
en dezelfde uitspraak uit hij tegenover het Amerikaans publiek officieel zijn
spijt (‘Amerika moet “helaas” martelen om de terroristen de baas te blijven’)
én daagt hij zijn publiek uit om mee te genieten van deze overtreding (‘wij
doen gewoon lekker onze zin’).

Obsceen
supplement

Met al deze heel erg verschillende voorbeelden geeft Žižek
een verrassend antwoord op de vraag die de politieke filosofie, maar eigenlijk
wij allemaal, ons wel eens stellen: hoe komt het eigenlijk dat mensen überhaupt
een gezag gehoorzamen, dat ze zich zo gewillig laten regeren? De pure
uiterlijke dwang, de vrees voor straf, fysieke vernietiging of verminking
voldoet niet als verklaring, ook niet één of ander vrijwillig contract tussen
vrije individuen zoals men het in de Verlichting soms voorstelde. 

Mensen zijn wel degelijk intern-psychisch onderworpen aan
het gezag, en in die onderwerping is genot in het spel, meer bepaald het
genot van de overtreding, al gaat het in essentie over een overtredingsfantasie.
Mensen laten zich verleiden tot een ideologie, tot een geheel van denkbeelden
over mens en maatschappij, omdat ze gefascineerd zijn door een element in die
ideologie dat hen aansteekt met een transgressief genot. Žižek noemt dit het
‘obscene supplement’ van de ideologie, zijn ‘schaduwachtige dubbel’. 

Het is de betekenisloze, ‘idiote’ keerzijde van de ideologie
die er vreemd genoeg voor zorgt dat mensen zich hechten aan het betekenisvolle
verhaal dat elke ideologie vertelt. Vandaar dat men nog niet echt tot een
gemeenschap behoort wanneer men zich tot zijn officieel beleden normen, waarden
en opvattingen bekent en zijn officiële rituelen en gebruiken in acht neemt,
maar pas wanneer men meedoet met heimelijke overtredingen, met bepaalde
manieren van spreken en handelen die vol genot tegen het officiële verhaal
ingaan. 

Let wel, Žižek bedoelt niet zomaar dat de officiële
ideologie onvermijdelijk zijn overtreding genereert en deze vaak oogluikend
toestaat, dat de ideologie overtredingen ‘incalculeert’, als een soort
compensatoire uitlaatklep, zoals in carnaval. Het gaat er om
dat het gezag als het ware altijd impliciet zélf zijn eigen ‘carnaval’ in zich
draagt, zijn eigen bespotting, zijn eigen omkering, en dat het gezag juist
vanwege deze zelfovertreding bij
mensen aanslaat. 

Žižek spreekt van een ‘inherente
transgressie’, een overtreding die inherent is aan het gezag zelf en die
juist maakt dat het gezag ons psychisch in zijn greep heeft, namelijk op het
niveau van een onbewuste of verzwegen fantasie over een verboden genot. Het
‘obscene supplement’ van het gezag is een aan het gezag inherente overtreding.
Het gaat dus zeker om iets paradoxaals: het obscene supplement maakt de werking
van de ideologie juist mogelijk door diens blazoen te besmeuren.

Het charisma van de koning

De voorbeelden die ik gaf komen allemaal uit de moderne en
hedendaagse tijd. Maar volgens Žižek gaat het wel degelijk om een universele
structuur. Het meest voor de hand liggende en klassieke voorbeeld ervan is het
traditionele koningschap. De koning belichaamt de door God ingestelde
maatschappelijke orde, de wetten, normen en regels waaraan iedereen zich
onvoorwaardelijk te houden heeft. Maar dat verklaart nog niet zijn charisma,
het heilig ontzag dat hij inboezemt. Hij bezit pas echt charisma omdat hij zélf
geen onderdaan is, niet onderworpen
is aan de orde die hij zelf belichaamt. De excessieve, spectaculaire luxe
waarmee de koning zich omringt, de feesten en rituelen waarvan hij het
middelpunt vormt, suggereren dat hij een onverantwoordelijk genotswezen is dat
de orde die hij belichaamt te buiten gaat.

Vandaar dat het koningschap, overigens tot op vandaag,
functioneert als een projectiescherm waarop mensen hun fantasieën projecteren
over verboden, excessieve genietingen. Het genot dat de onderdanen
fantasmatisch aan de koning toeschrijven ondergraaft diens gezag niet, maar
ondersteunt dat gezag juist. Dat fantasmatisch genot is het altijd verzwegen
maar noodzakelijke supplement van het gezag.

Žižek beklemtoont trouwens dat dit obscene supplement van
het gezag enkel het gezag ondersteunt voor zover het inderdaad wordt verzwegen.
Het genot van de koning moet impliciet, onuitgesproken blijven. De pedofiele
praktijken in de kerk of de gezamenlijke wetenschap erover binden de leden
slechts aan elkaar voor zover er niet openlijk wordt over gesproken.

Zodra de
genotsfantasie waarop het gezag inspeelt wordt geëxpliciteerd, zodra het
obscene, onzinnige geheim van het gezag wordt verraden, verliest het gezag zijn
charisma. – En dit expliciteren is natuurlijk wat Žižek voortdurend doet. Dat
is volgens hem, onder meer, de functie van de ideologiekritiek. En daarom is
dit soort ideologiekritiek niet zelden grappig. Omdat in de grap het
obscene supplement van het gezag even aan de oppervlakte komt. 

Nu spreekt het vanzelf dat de verhouding tussen het
ideologische gezag en zijn obscene supplement anders ligt in een tijd waarin de
monarchie de staatsvorm was dan in een moderne democratische staat. Maar ook in
het moderne totalitarisme, in zijn fascistische of communistische variant, functioneert
het gezag wezenlijk anders dan in een klassieke monarchie. Žižek is als
cultuurcriticus vooral geïnteresseerd in de manier waarop ideologie in de
moderne en hedendaagse tijd functioneert. 

Gezag in een
moderne staat

Wezenlijk voor de moderne tijd is uiteraard dat de
onvoorwaardelijke onderwerping aan het gezag iets onmogelijks is geworden. De
moderne burger is sceptisch, kritisch tegenover elke vorm van gezag. Zijn
gehoorzaamheid aan het gezag is voorwaardelijk: hij gehoorzaamt op
voorwaarde dat het gezag hem vertegenwoordigt en zijn belangen behartigt. Iets
als een koning, wiens wil wet is, is in een moderne staat dan ook niet op zijn
plaats. Geen enkel individu kan het volk aan zijn soevereiniteit onderwerpen.
In een moderne democratie is alleen het volk zelf soeverein. 

Maar wie of wat is in godsnaam het ‘volk’? Het volk is in
elk geval geen som van individuen die door middel van een overeenkomst
beslissen om samen een volk te vormen. Dat is de contracttheorie, de liberale
filosofische mythe die vanaf de zeventiende eeuw naar voren wordt geschoven. Maar ook
de romantische nationalistische mythe van het volk als een gemeenschap met een
identiteit of een ziel waaraan alle individuen participeren, is een typisch
modern product. De spanning tussen abstract liberalisme/individualisme en
romantisch nationalisme is wezenlijk voor de moderne politiek.

Het democratische individu is een abstract, letterlijk losgemaakt
subject, in de zin dat het zich losdenkt van elke identificatie met een
concrete gemeenschap. Het wil worden erkend als vrij, zichzelf bepalend subject
ongeacht zijn ras, geslacht, religie, sociale status, etnische afkomst.
In die zin is het een ontworteld subject. Nu is het probleem dat elke
democratie tot nog toe gebonden is aan een staat, een staat die
onvermijdelijk altijd wordt gezien als een Natie, een gemeenschap van
mensen die iets met elkaar gemeen hebben, ook al weet niemand goed wat dat
‘iets’ dan juist is, en wordt dat ‘iets’ op allerlei heel verschillende
manieren, vaak vaag en onderling tegenstrijdig, benoemd. 

We kunnen nog zo’n kritische of zelfs cynische
individualisten zijn, aan niets onvoorwaardelijk gehecht, maar eigenlijk, dit
wil zeggen onbewust, vinden we allemaal dat het woord ‘België’ niet enkel
verwijst naar een bepaald geografisch gebied of naar de verzameling van alle
mensen met een Belgische identiteitskaart. We vinden wel degelijk dat ‘België’
iets is dat ons allemaal met elkaar verbindt en uniek, absoluut ‘eigen’ maakt,
dat er dus iets bestaat als een Belgische ‘identiteit’. Bewust kunnen we dit
natuurlijk ontkennen, omdat we onszelf als zelfstandig denkende, kritische
wereldburgers beschouwen, maar dat neemt niet weg dat België als een identiteit
wel degelijk bestaat in onze fantasie. En die fantasie verraden we in de
manier waarop we feesten, eten, lullen, grappen vertellen, kortom: in de manier
waarop we ons genot organiseren, gezamenlijk onszelf te buiten gaan. 

De Natie, zegt Žižek, die duistere gehechtheid aan de
nationale identiteit, is een soort smet, een soort restant dat blijft kleven
aan het vrije, democratische subject dat zich meent te hebben bevrijd van elke
primitieve, onvoorwaardelijke gehechtheid. Maar het is niet alleen een
vervelend restant, het is ook wat het democratische subject mogelijk
maakt. Precies omdat het moderne subject
zich onbewust fantasmatisch identificeert met de Natie, kan hij zich bewust zo
vrij en ongebonden voelen, kan hij zo kritisch, sceptisch, ironisch of zelfs
cynisch staan tegenover elke passionele identificatie met een Zaak. Kortom: de
van genot doordrenkte identificatie met de Natie is het obscene supplement van
de democratie. 

De
populistische leider vs Islam

Nu is het probleem volgens Žižek dat in tijden waarin de
democratie onder druk staat, met name in tijden van economische crisis waarin
de mensen zich bedreigd voelen, dit obscene supplement op een gevaarlijke
manier de kop opsteekt. Dan staan er leiders op die volop het fantasma van de
Natie in ons aanwakkeren, en ons komen vertellen dat we trouw moeten zijn aan
wat we in wezen zijn, namelijk Belgen – of Vlamingen… Dergelijke leiders, die
altijd tegen het fascisme aanschurken, nemen een totaal andere positie in dan
de klassieke monarch.

De monarch was een symbool van de maatschappelijke Orde die
tevens een goddelijke Orde was. En hij wekte ontzag omdat hij het fantasma
opriep van een genot dat onbereikbaar bleef voor zijn onderdanen. Hij
intimideerde zijn onderdanen met een genot dat hij hun tevens verbood. De
moderne nationalistische, populistische leider doet iets helemaal anders: hij
presenteert zich als diegene die aan het volk het volle genot van zijn
nationale identiteit wil teruggeven. Teruggeven, inderdaad, want ze zijn
het blijkbaar kwijtgespeeld, en dat komt omdat een stoute, boosaardige Ander,
in onze tijd de islam, het van ons aan het stelen is.

Het volle genot van de eigen, ‘authentieke’ identiteit is
wezenlijk onmogelijk. Dat genot is immers per definitie fantasmatisch, en
daarom werd het van oudsher altijd toegeschreven aan mythische, soevereine,
onbereikbare figuren, zoals de koning. Wordt deze onmogelijkheid verloochend,
wil men met alle macht dit genot deelachtig worden, dan is de enige verklaring
voor de onbereikbaarheid ervan een boosaardige Ander.

Zo formuleert Žižek vaak de logica van de ideologie: het
gaat altijd om een externalisering van een interne, structurele onmogelijkheid.
De wezenlijke onmogelijkheid om ten volle op te gaan in het Belg-zijn wordt
ontkend. Die onmogelijkheid is de schuld van een externe vijand. Hierdoor lijkt
het dat we, eens deze vijand verslagen is, ten volle weer onszelf zullen kunnen
zijn. 

Postpolitiek

Het is volgens Žižek typisch voor onze tijd dat vooral
populistisch rechts charismatische figuren voortbrengt. Alleen zij brengen nog
passie in de politiek. Dat komt omdat we leven in een tijd van wat Žižek
‘post-politiek’ noemt.

Politiek is een zaak van ‘goed, efficiënt bestuur’ geworden,
geleid door bureaucraten en technocraten. Er zijn geen politici meer die mensen
warm kunnen maken voor een ideologisch project, een project aangaande hoe een
maatschappij er dient uit te zien. En rechtse leiders duiken als het ware in
dit lege gat dat het gebrek aan ideologie heeft achtergelaten. Alleen zij
bedrijven politiek die het voorzichtig op elkaar afstemmen van belangen
overstijgt en mensen aanspreekt op hun verlangen naar een gezamenlijk project
waarmee ze zich kunnen identificeren. 

Onze tijd beschouwt zichzelf als ‘post-ideologisch’ en gaat
daar ook prat op. Iedereen lijkt het erover eens te zijn dat elke ideologie,
namelijk een systeem van opvattingen over wat het betekent mens te zijn en over
welke richting we met zijn allen uit moeten, onvermijdelijk uitmondt in
fanatisme, onverdraagzaamheid. We worden voortdurend gechanteerd met het spook
van het twintigste-eeuwse totalitarisme, in de zin van: ‘besef goed dat,
wanneer je vanuit een idee over wat een rechtvaardige maatschappij is, de
huidige grondig wil veranderen, je in totalitair vaarwater terechtkomt. Dat
heeft de twintigste eeuw ons toch geleerd!’

Het doorsnee-bewustzijn van onze tijd, zegt Žižek, is een
cynische afkeer of afstandname van alle ideologie, van elk geloof in een Groot
Verhaal dat ons met elkaar zou verbinden. Maar volgens hem is deze illusie elke
ideologie achter zich te hebben geladen nu juist dé ideologie van het
hedendaagse kapitalisme. Het kapitalisme doet zich voor als ideologieloos. Het
doet zich voor als de natuurlijke werkelijkheid, een handig, mondiaal
toepasbaar format dat niemand iets opdringt, maar dat gewoon het vrije,
vlotte verkeer regelt tussen mensen, goederen, geld en informatie. We kunnen
ons dan ook eerder het einde van de planeet voorstellen, zegt Žižek, dan het
einde van het kapitalisme. 

Depolitisering

Het is voor Žižek duidelijk dat links totaal medeplichtig is
aan deze depolitisering, deze bedrieglijke ontideologisering. Ideologie, alles
wat de doctrine van het socialisme betreft, zelfs het woord ‘socialisme’, wordt
sinds jaar en dag bij linkse partijen als verdacht beschouwd, zelfs als
potentieel ‘totalitair’. Aan politieke vorming doet men niet meer want dat
wordt als paternalistisch afgedaan. Linkse intellectuelen cultiveren een
postmodern, relativistisch, multicultureel vertoog: respect, tolerantie voor
andere identiteiten, voor verschillen. Verschillen zijn als zodanig goed.

Het enige wat nog rest van de linkse ideologie is een
abstract anti-autoritarisme: je kunt er eender welk wereldbeeld op nahouden,
het is alleen verboden het aan anderen op te leggen. De idee is: alles is
toegelaten als ze me er maar niet te veel mee lastig vallen. Binnen zo’n bestel
is elke gepassioneerde overtuiging of engagement voor een gezamenlijk,
universeel project verdacht.

Dat is ook het probleem met Europa. Omdat niemand een
ideologie durft te formuleren die een positieve inhoud zou geven aan de
Europese idee, omdat we Europa hebben overgelaten aan de technocraten en de
bureaucraten, kan onze Europese ‘identiteit’, onze loyauteit aan de Europese
idee, enkel de negatieve vorm aannemen van een angst of een haat tegen de
ander. De logica is: ‘we hebben geen idee wat Europa voor ons betekent, maar we
weten in elk geval dat Europa niet
islamitisch is, niet Russisch, niet aziatisch‘…

Žižek wijst vaak op deze fatale logica: als mensen worden
gedepolitiseerd, als ideologie als zodanig onder verdenking staat, dan wordt de
lege plek van de ideologie steevast ingevuld door rechts of extreemrechts dat
inspeelt op de duistere, fantasmatische identificatie met de Natie – en omdat
voor moderne burgers, die vooral individualistische, passieloze consumenten
zijn, die Natie nog weinig inhoud heeft, kan de identificatie met de Natie
enkel nog negatief worden beleefd: door een verwerping van groepen die
in elk geval in die Natie geen plaats hebben. 

Cynische distantie tegenover elk collectief maatschappelijk
project en paranoïde fantasieën over gevaarlijke anderen die onze way of
life
bedreigen of achter de schermen alle touwtjes in handen hebben, gaan
samen. Het postmoderne subject dat alles relativeert of ironiseert, dat niets
volledig serieus neemt, is juist doodserieus in zijn angstige, potentieel
racistische fantasieën over een boosaardige Ander. Die angstfantasieën vormen
het obscene supplement van onze tolerante, multiculturele, pluralistische
weldenkendheid.

Racistisch multiculturalisme

In dit verband is Žižeks visie op het multiculturalisme
interessant. Het is volgens hem in wezen racistisch. De multiculturalist pleit
voor een respect voor alle etnische en religieuze identiteiten. Een dergelijk
abstract respect kan natuurlijk enkel het privilege zijn van een subject dat
zich heeft geëmancipeerd van elke passionele gehechtheid aan een etnie of een
religie. Voor hem kan zo’n passionele gehechtheid enkel iets primitiefs zijn want reflectieloos, kritiekloos, blind, onvrij, onderworpen. 

In het beste geval ziet de multiculturalist andere
identiteiten als een kleurrijk exotisme. De postmoderne multiculturalist is
zogezegd relativistisch, anti-universalistisch. Hij acht zogezegd alle etnische
en religieuze identiteiten evenwaardig. Maar hij is blind voor zijn eigen
positie. Wat hij niet wil zien is het universalisme van de positie die hij
inneemt, namelijk dat van een subject dat zich van elke passionele gehechtheid
heeft bevrijd, dat zich dus heeft ‘ontledigd’ om dan vanuit die lege positie elke
positieve identiteit evenwaardig te kunnen vinden.

Vanwege die lege positie, waarmee de multiculturalist van
elke inhoudelijke identiteit heeft afstand genomen, voelt hij zich heimelijk
superieur. Daarom is zijn zogenaamd respect voor identiteiten neerbuigend. En
wat hij dan ook niet verdraagt is dat mensen hun gehechtheid aan bijvoorbeeld
hun religie al te serieus nemen, het dus als een universeel project zien. Dan
wordt de tolerante multiculturalist intolerant.

Het is nog niet zo gemakkelijk om uit deze knoop te geraken.
Žižek is in elk geval radicaal universalistisch. Hij vindt de hedendaagse
tolerantie-ethiek moreel en politiek bedenkelijk. Mensen ‘tolereren’ of
‘respecteren’ omdat ze nu eenmaal een bepaalde culturele identiteit hebben, is
vals. Je moet mensen benaderen als vrije wezens. Je moet bijvoorbeeld moslims
benaderen vanuit de morele en politieke normen die je jezelf stelt, namelijk
van kritiek en zelfkritiek. Je moet ze dus bijvoorbeeld benaderen alsof ze er
vrij voor gekozen hebben moslim te worden, niet als idioten die opgesloten
zitten in de kooi van hun zogenaamde moslim-identiteit. Dat pas zou werkelijk
respect zijn – en dat is moeilijk.

Žižek is inderdaad een filosoof van de vrijheid. Eén van
zijn stokpaardjes is de volgende omkering. Vanuit het neodarwinisme, maar ook
vanuit allerlei filosofische theorieën, stelt men vaak dat de mens weliswaar
mag denken dat hij vrij is, maar dat dit een illusie is: de mens is
gedetermineerd door zijn breinprocessen, door zijn ‘zelfzuchtige genen’, of
door maatschappelijk structuren, door zijn omgeving, enzovoort.

Welnu, volgens Žižek is het net omgekeerd: veel
verontrustender is dat de mens wel degelijk vrij is, en dus radicaal
verantwoordelijk, dat hij zich dus nooit kan verschuilen achter het feit dat
hij nu eenmaal gemaakt is zoals hij is. 

Vrijheid is niet zomaar een vrije keuze die je maakt omdat
je daar nu eenmaal zin in hebt. Wanneer je een vrije daad verricht, voel je dat
aan alsof je meegenomen wordt door iets wat jezelf te boven gaat. Je kunt je
daad ook niet rechtvaardigen in termen die in de gegeven situatie geldig zijn,
je kunt geen geldige redenen aangeven. Een daad heeft altijd iets van een
gekke, onverantwoordelijke, onverantwoordbare sprong in de leegte.

Het is altijd achteraf dat je redenen voor je daad aangeeft,
waardoor het voor jezelf lijkt alsof je die daad op het moment zelf om die
redenen hebt verricht. Maar die redenen waren er niet. De daad drong zich aan
je op als een absolute noodzaak, als iets wat je onmogelijk niet kon doen. En
achteraf weet je niet goed hoe je het hebt kunnen doen, alsof een ander in jou
het had gedaan. Dat is ook weer een paradox: de vrijheid is de essentie van de
mens, maar wanneer we aan de essentie raken, lijken we buiten onszelf.

Frank Vande
Veire is filosoof

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!