Marina Van den Branden

Telefonische hulplijnen falen bij verkrachting

Wie verkracht wordt, krijgt vaak niet de juiste informatie bij de telefonische hulplijnen. Daardoor gaat kostbare tijd verloren voor het sporenonderzoek, vermindert de pakkans voor de dader, en vergroot het risico op blijvende psychische en lichamelijke klachten voor het slachtoffer. Twee jaar praktijk van het Centrum Seksueel Geweld in Utrecht wijst uit dat snel en tegelijk medische, psychologische en forensische opvang bieden het slachtoffer ten goede komt en dat de aangiftebereidheid stijgt.

woensdag 10 juni 2015 14:29

Stel, je wordt na een avondje stappen met
een vriendin verkracht door een kennis van haar, die jullie die avond
toevallig hebben ontmoet, en met wie jullie een praatje sloegen en
een glas dronken. Wat doe je? We vroegen het bij het meldpunt 1712.
De hulplijn is een initiatief van minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V)
en geeft informatie en advies over geweld, misbruik en
kindermishandeling. Een doorkiesmenu verbindt je met een van de vijf
provinciale meldpunten.

Vier keer vertelde de 1712-medewerker dat we
de verkrachting konden laten vaststellen en sporen van de dader
konden laten verzamelen bij de huisarts of in een ziekenhuis, en dat
we daarna nog konden beslissen of we aangifte wilden doen bij de
politie.

Helen Blow, communicatieverantwoordelijke
bij 1712, bevestigt dat dit inderdaad het advies is dat 1712 geeft
aan iemand die twijfelt over aangifte. De aanbeveling is ook terug te
vinden in de richtlijnen seksueel geweld voor medewerkers van de
hulplijn.

Fout advies, valse hoop

Helaas span je zo de kar voor het paard.
Het zoeken naar sporen op het lichaam en de kleren van het
slachtoffer vraagt specifieke kennis en moet volgens een vaste,
wettelijke procedure verlopen. Een arts verzamelt pas
bewijsmateriaal, zoals DNA, in opdracht van het parket, nadat
het slachtoffer aangifte heeft gedaan bij de politie. Maar één keer
adviseerde 1712 ons onomwonden om naar de politie te stappen voor
aangifte, omdat een huisarts niet bevoegd is om sporen af te nemen.

Dat bevestigt ook dr. Maaike Van Overloop
van huisartsenvereniging Domus Medica. Huisartsen horen volgens haar
het slachtoffer vooral te overtuigen om een klacht in te dienen bij
de politie.

Het sporenonderzoek na aangifte gebeurt met
behulp van de zogeheten seksuele agressieset (SAS). Het gerecht
kiest voor de afname van de SAS wetsdokters of artsen in ziekenhuizen
met wie het hierover afspraken maakte en die ervoor zijn opgeleid. In
Vlaanderen waren vorig jaar 12 van de 66 algemene ziekenhuizen
gevormd in het afnemen van de SAS, blijkt uit onderzoek van het
federaal steunpunt geweld op vrouwen bij het Instituut voor de
Gelijkheid van Vrouwen en Mannen.

Dat niet-opgeleide ziekenhuizen geen SAS
afnemen, ook niet na aangifte, maar doorverwijzen, stelden we zelf
vast tijdens een kleine telefonische rondvraag. Een aantal
ziekenhuizen bleef ons het antwoord schuldig op de vraag welke
procedure ze volgen als een slachtoffer van verkrachting zich
aanmeldt op de spoeddienst. HetInternational Centre for Reproductive Health, verbonden met het UZ Gent kwam bij een bevraging van
Oost-Vlaamse ziekenhuizen tot dezelfde bevindingen.

Snel handelen

Ook als een ziekenhuis bereid is om
een SAS af te nemen, betekent dat niet dat je er zomaar terecht kunt
voor een onderzoek naar sporen van de dader na verkrachting. Ook hier
is de voorwaarde dat je eerst aangifte doet bij de politie.

En dat moet best wel snel gebeuren, het
liefst binnen de 24 uur, om nog zoveel mogelijk bewijskrachtige
sporen op je lichaam te kunnen vinden. Na 72 uur al is die kans
uiterst klein, bij kinderen is dat al na 24 uur.

Slechts één keer tijdens onze vijf
gesprekken hoorden we van 1712 dat een sporenafname het best binnen
de 72 uur gebeurt en dat we niet mochten douchen, om geen sporen te
wissen. Nochtans staan deze aanbevelingen wel duidelijk in de
richtlijnen voor 1712-medewerkers.

Hét meldpunt en het alternatief

In 2014 belden in heel Vlaanderen 4852
mensen naar de lijn 1712. Van hen hadden er 555 een vraag over seksueel
geweld. Minister Vandeurzen gaf de cijfers begin dit jaar in antwoord
op een parlementaire vraag. 1712 profileert zich als hét meldpunt voor vragen over geweld en misbruik. Meerdere instanties en
organisaties in de hulpverlening verwijzen naar het nummer, en sinds
kort moeten ook burgers die seksueel misbruik bij minderjarigen
willen signaleren eerst naar 1712 bellen, en niet naar een
Vertrouwenscentrum Kindermishandeling.
 

De lijn 1712 is ook enkel bereikbaar op
werkdagen tussen 9u en 17u. Wat doe je dan als je op een avond of in
het weekend dringend hulp en advies nodig hebt? Volgens minister
Vandeurzen is 1712 inderdaad niet bedoeld voor noodsituaties. Hij
verwees in zijn antwoord op een parlementaire vraag daarover naar
Tele-Onthaal als alternatief voor buiten de kantooruren.

We voerden op enkele avonden vier
chatgesprekken met Tele-Onthaal, waarvan een als minderjarig
slachtoffer van seksueel misbruik. Als veertienjarige werden we alle
kanten op gestuurd: naar iemand in de omgeving met wie we erover
konden praten, naar Child Focus, het Jongerenadviescentrum JAC en
1712. Maar werkelijke hulp of direct bruikbaar advies op maat van een
minderjarige kwam niet uit de bus; de operator verwees niet eens naar
een dokter.

Maar ook in de chatsessies als volwassen
slachtoffer van verkrachting ging het tot driemaal toe fout. De
Tele-Onthaal-medewerker sprak over aangifte, maar in afwachting
konden we de verkrachting alvast medisch laten vaststellen en sporen
laten afnemen bij de huisarts, werd gezegd. De operator stelde zelfs
een ontspannend bad voor, om te bekomen (zie
afbeelding)
.




Zie ook de volledige chatconversatie.

Noch 1712 noch Tele-Onthaal peilde naar
symptomen van posttraumatische stressstoornis (PTSS) toen we belden,
of gaf er informatie over. Dat is nochtans heel belangrijk, want
bijna alle slachtoffers, 94%, krijgen ermee te maken in de eerste
twee weken na de verkrachting, en de symptomen zijn onbegrijpelijk en
beangstigend voor het slachtoffer. Voor bijna de helft dreigt
bovendien chronische PTSS, een risico dat bij mannelijke slachtoffers
nog hoger is dan bij vrouwen. Wat een verkrachting doet met iemand,
toont het verhaal van Eva (onder aan dit artikel), die voor ons wilde getuigen. Ze is 23 en
werd het slachtoffer van seksueel misbruik en van een
groepsverkrachting.

Het gevoel buiten zichzelf en de omgeving
te staan, emotieloosheid, woede-uitbarstingen, slaap-, concentratie-
en geheugenproblemen, hardnekkige herbelevingen en het vermijden van
alles wat associaties oproept met de verkrachting, zijn kernsymptomen
van PTSS. Onverwerkte herinneringen sluimeren, tot bepaalde prikkels –
triggers – ze activeren en voor herbeleving zorgen. Ze
overvallen het slachtoffer als flashbacks, nachtmerries,
paniekaanvallen of de plotse indruk dat de verkrachting zich gaat
herhalen. In een artikel dat in april op deze website verscheen gingen we dieper in op de gevolgen van PTSS voor het slachtoffer.
Uit internationale studies is gebleken dat 40% tot 50% van de
slachtoffers niet spontaan herstelt en chronische PTSS ontwikkelt,
een cijfer dat hoger ligt bij verkrachting dan bij welke andere vorm
van geweld ook, hoger dan voor soldaten in een oorlogssituatie.

Wachten op hulp

1712 verwees wel naar Slachtofferhulp voor
emotionele steun en begeleiding, en om over de voor- en nadelen van
aangifte te praten. Bij de ene dienst Slachtofferhulp kon het na een
week, bij een andere was het streefdoel binnen de twee weken een
afspraak te geven, en nog een andere konden we pas drie dagen later
bellen – het was een vrijdag na een feestdag en de dienst had
een brugdag. De diensten Slachtofferhulp zijn vaak overbevraagd en er
zijn wachttijden, afhankelijk van plaats en moment.

Bij de Centra Geestelijke Gezondheidszorg,
waar een slachtoffer naar kan worden doorverwezen als na een
begeleidingsperiode bij Slachtofferhulp therapie nodig blijkt, was de
wachttijd voor een eerste face-to-face-contact, in 2013, volgens
cijfers van het Departement Welzijn, gemiddeld 51 dagen voor kinderen
en jongeren en 37 voor volwassenen. Tot het tweede contact, het begin
van de therapie, moesten kinderen en jongeren gemiddeld 52 en
volwassenen 48 dagen wachten. En dat in een situatie waarin snel
handelen cruciaal is.

Marijke Weewauters is diensthoofd van het
federaal steunpunt geweld op vrouwen bij het Instituut voor de
Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, en kent als geen ander de
knelpunten in de aanpak van seksueel geweld in ons land. Voor haar is
het duidelijk dat er een permanent bereikbare, gespecialiseerde
telefonische hulplijn moet komen: “Om slachtoffers aan te sporen zo
snel mogelijk aangifte te doen, hun te vertellen waarom dat snel moet
gebeuren en om de psychische en lichamelijke reacties op het geweld
die ze kunnen ervaren uit te leggen”.

Klacht moeilijk voor slachtoffer

Veel slachtoffers doen jammer genoeg geen
aangifte, of wachten er te lang mee, waardoor belangrijke sporen
onherroepelijk verloren gaan. “Een klacht indienen, ik raad het
iedereen aan”, zegt Marijke Weewauters, “maar het is moeilijk
voor het slachtoffer. Het denkt: ‘ik ga het negeren, ik zal er wel
uit geraken’. Dat maakt ook volledig deel uit van PTSS. Maar
zwijgen, geen klacht indienen, het helpt niet, niet voor je herstel
en niet voor het opsporen van de dader. Het beste is direct aangifte
te doen en er traumapsychologische opvang aan te koppelen. Voor
België is dit nieuw”.

In Nederland bestaan sinds twee jaar Centra
Seksueel Geweld (CSG), die 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 acute
medische, forensische en psychologische zorg combineren. Uit een
recente studie van het CSG Utrecht blijkt dat 39% van de slachtoffers
die zich daar meldden binnen de twee maanden therapie kregen voor
PTSS. Het snel starten met behandeling versnelde ook hun herstel.
Bovendien deden ook driemaal meer slachtoffers in het CSG Utrecht
aangifte dan het nationale gemiddelde in Nederland: 34% tegenover
10%.

Ook in ons land is er goede hoop dat er
multidisciplinaire acute opvang voor slachtoffers van verkrachting
zal komen. België tekende al in 2012 de Conventie van Istanbul ter
bestrijding van geweld op vrouwen en intrafamiliaal geweld. De
conventie stelt dat slachtoffers van verkrachting gecombineerde acute
zorg moeten krijgen, waarbij artsen en psychologen, politie en
justitie samenwerken. Staatssecretaris voor Gelijke Kansen Elke
Sleurs wil dat België nog deze legislatuur het verdrag ratificeert.
En zodra dat is gebeurd, zal ons land ook verplicht zijn er werk van
te maken.

Informatie voor slachtoffers


Ben je het slachtoffer van verkrachting of
seksueel misbruik, dan vind je goede en uitgebreide informatie op de
website ikzwijgnietmeer.be, een initiatief van de Vrouwenraad, of op
hulpnaverkrachting.be, een website van de overheid. Check www.zelfhulp.be voor de bestaande zelfhulpgroepen


GETUIGENIS SLACHTOFFER

Eva is 23 en werd seksueel misbruikt door haar oom toen ze twaalf
was. Op haar zeventiende werd ze het slachtoffer van een
groepsverkrachting
. Toen ze vijftien was, vluchtte ze
thuis weg, toen tijdens de scheiding van haar ouders niet alleen het
misbruik door haar oom aan het licht kwam maar ook dat haar vader
haar zus misbruikte. “Ik praatte er toen heel veel over online met
een vriendin, en mijn moeder heeft die gesprekken gelezen. Ze zette
mij onder druk om over het misbruik te getuigen in de rechtszaak over
de scheiding, iets waar ik totaal niet klaar voor was”.

Bij het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling ontkende ze plots
alles.
“Praat maar eens over misbruik met iemand die op een
stoeltje tegenover je zit en je meteen vraagt te beschrijven wat er
precies is gebeurd. Ik heb het als heel vernederend ervaren, en ik
had van bij het begin het gevoel dat ik niet echt geloofd werd. De
voorwaarde om thuis weg te mogen, was dat ik ging praten met het
Vertrouwenscentrum, en dat had ik gedaan, dus ik ben dezelfde dag nog
vertrokken. Ik had mijn koffer bij me.

Tijdens het misbruik door mijn oom, vluchtte ik in mijn hoofd.
In mijn gevoel had ik controle over de situatie, niet hij. Ik wist
wat er ging gebeuren, het was een patroon. Ik maakte mijzelf ook wijs
dat het zo wel moest gebeuren, een vorm van coping, denk ik”.

Helemaal anders was het bij de groepsverkrachting, door drie
jonge mannen, in het huis waar Eva woonde. “Daar ben ik wel alle
gevoel van controle kwijtgeraakt en is het echt heel fout gelopen. Ik
heb er ook zware PTSS aan overgehouden (posttraumatische
stressstoornis, nvdr). Voor hen leek het wel alsof ze spelletjes
speelden. Ze bonden mij bijvoorbeeld vast en penetreerden mij met een
schaar. Zolang ik niet bewoog, zou het veel minder schade aanrichten,
zeiden ze. Dat deden ze dan net zolang tot ik het niet meer uithield.
Ze toonden me steeds opnieuw dat zij de controle hadden en dat wat ik
zei of deed, niets uitmaakte. En dat urenlang, en opnieuw en opnieuw
en opnieuw. Toen ik schreeuwde om hulp lachten ze me uit: ‘Schreeuw
zo hard je kan, niemand hoort je’. Toen ik dat dan ook besefte en
stopte met schreeuwen, voelde ik me vreselijk verslagen en verlaten.
Ik was er ook van overtuigd dat ze me zouden vermoorden, en toen ik
dacht dat het zover was, was ik blij. Ik was blij, dat het voorbij
was, ik gaf op … Maar tegelijk voelde ik me ook heel eenzaam,
niemand zou me vinden, dacht ik.


De eerste dagen erna herinner ik me niet zo goed. Ik was vooral erg
versuft, voelde mij als verdoofd. Het was zo onwerkelijk. Ik zag er
niet uit, kon niet eten, zat vol blauwe plekken, kon amper stappen.
Ik herinner me nog dat een meisje dat in hetzelfde huis woonde, de
kamer binnenkwam en onmiddellijk leek te beseffen wat er aan de hand
was. Maar ze zei niets en is voor mij de morning-afterpil gaan
halen”.

Eva deed geen aangifte. “Ik durfde het huis niet uit, ik was
zo angstig, ik had ontzettend veel pijn. Toch heb ik geprobeerd om
aangifte te doen. Dat was toen de politie kort na de verkrachting was
opgeroepen voor een gevecht in de straat. Ze hadden getuigen nodig.
Ik wilde vertellen dat ik ook nog iets anders wilde zeggen, maar de
agent wimpelde mij af. Ik had niet de kracht om tegen hem in te gaan.
Ik was er te erg aan toe en voelde mij heel zwak”.


Eva stopte met haar middelbare school, maar heeft het diploma wel
gehaald via de centrale examencommissie. “Ik heb hogere studies
geprobeerd, maar ik had het geld niet en ook emotioneel was ik heel
vaak niet in orde”.

Ze zocht pas enkele jaren geleden medische en psychologische hulp.


“Het heeft drie jaar geduurd voor ik het aan iemand vertelde, aan
mijn beste vriendin. Ik kon er niet meer onderuit. Ik kreeg heel veel
angstaanvallen, viel flauw op de tram als mijn lijf dacht iemand van
de daders te herkennen nog voor ik denken kon. Het was mijn vriendin
ook die uiteindelijk zei dat ik er iets aan moest doen, want dat het
niet langer houdbaar was, ook voor haar niet. We hebben samen naar
psychologen gezocht. Sinds een paar maanden volg ik ook EMDR-therapie
(
Eye Movement Desensitization and Reprocessing, een therapievorm
voor PTSS, nvdr). Het helpt, maar ik krijg nog steeds
angstaanvallen. ’s Nachts kan ik heel onverwachts schrikken
van geluiden, maar dan zo extreem dat ik helemaal aan het
hyperventileren ga en mij zo gespannen voel dat het pijn doet.
Onlangs bij de kinesist schoot ik onmiddellijk fysiek in paniek toen
hij mij op een ongelukkige manier vastpakte bij mijn nek.

Als ik nu op alles terugkijk, wou ik dat ik ergens had kunnen
zijn, waar ik de tijd had kunnen krijgen om te laten doordringen wat
er was gebeurd. Eén plek, een veilige plek, waar alle mensen die je
op dat moment nodig hebt, samen zitten. Zodat je medische,
psychologische en juridische hulp tegelijk kan krijgen, en niet naar
een politiebureau, een ziekenhuis en een therapeut afzonderlijk hoeft
te gaan. Nu moet je het allemaal zelf maar uitzoeken en geloof me,
dat gaat gewoon niet.


Ook voor familie en vrienden van het slachtoffer vind ik hulp heel
belangrijk. Het is voor hen heel moeilijk om te begrijpen wat je als
slachtoffer doormaakt. Als ik een paniekaanval heb, moet overgeven en
soms zo erg dissocieer dat er uren voorbijgaan waarin ik niet goed
weet wat ik heb gedaan, dan klap ik helemaal dicht als iemand mij
komt helpen, en ik zeg niks meer, kan de persoon niet aankijken. Ik
heb dan iemand nodig die mij helpt te praten, maar vaak ben ik het
die hén moet geruststellen.

Het is lang heel, heel donker geweest in mijn hoofd. Ik dacht
vaak aan zelfmoord, maar zelfs dat leek geen uitweg. Het voelde alsof
ze me nog steeds uitlachten. De daders, dat zijn monsters in mijn
hoofd nu. Ik zou ze heel graag nog één keer recht in de ogen
kijken, gewoon om van die monsters terug mensen te maken. Dat er na
de verkrachting werkelijk niets is gebeurd, speelt mij vandaag nog
altijd veel parten. Ik heb het gevoel dat ik ze nog steeds overal kan
tegenkomen. Het maakt dat ik me nooit veilig en altijd kwetsbaar
voel. Ik word nog altijd bang, als ik iemand zie die op hen lijkt of
op dezelfde manier beweegt, of van een geur, of van wat dan ook dat
herinneringen oproept aan de verkrachting.

Verkrachting is niet gewoon het ongewenst penetreren van een
lichaam
. Het is iemand ontmenselijken. En het is alsof de daders
gelijk krijgen: ik kon toen niets tegen hen ondernemen, dat kan ik nu
niet, en dat zal zo blijven. Daar moet ik mee leren leven. Ik voel
mezelf geen slachtoffer meer van de verkrachting, die heb ik
overleefd. Ik voel mezelf wel nog altijd een slachtoffer van het
taboe en van een systeem dat mij niet in staat stelde aangifte te
doen en de broodnodige hulp te krijgen. Een klacht indienen zal mij
nu niet meer helpen. Deze getuigenis is mijn aanklacht”.

Eva is een schuilnaam

Het artikel kwam tot stand in de opleiding Internationale Researchjournalistiek, een samenwerking
van het Fonds Pascal Decroos en de hogeschool Thomas More.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!