Opinie - Pieter Dehon

“Durven spreken over manieren om de economie in dienst te stellen van mensen”

Casablanco kreeg op dinsdag 9 juni de jaarlijkse prijs “Armoede Uitsluiten 2015” van Welzijnszorg. Directeur Pieter Dehon toonde zich in zijn toespraak dankbaar voor de erkenning na vijftien jaar inzet, maar het viel hem hoorbaar zwaar om eenzijdig in de feestvreugde delen. Volgens hem faalt de politiek om van sociale herverdeling, tewerkstelling en armoedebestrijding de prioriteit te maken. In plaats daarvan worden werklozen en armen in naam van “responsabilisering en activering” gestigmatiseerd. Hij stelt een ander project voor.

woensdag 10 juni 2015 12:31

Dat
Casablanco de jaarlijkse prijs “Armoede Uitsluiten 2015” van
Welzijnszorg in ontvangst mag nemen, is een mooie erkenning. De keuze van
Welzijnszorg om een initiatief uit de sociale economie te eren voor
hun bijdrage aan de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting lijkt
me dan ook een belangrijk politiek en maatschappelijk signaal: anders
dan klassieke “liefdadigheid” of “eerstelijnshulp” voor
armen, stelt de sociale economie immers een meer structurele en
geïntegreerde aanpak voor waarin volwaardige tewerkstelling centraal
staat. Casablanco zet zich reeds vijftien jaar in om van deze
integrale aanpak een toonbeeld te maken. En dit steeds zonder ook op
politiek en maatschappelijke vlak een blad voor de mond te nemen.

Als
ik vandaag kijk naar de criteria waaraan ondernemingen in de sociale
economie vandaag moeten beantwoorden, dan sta ik soms versteld. Werken
aan sociale inclusie, economische participatie en armoedebestrijding
zijn blijkbaar niet meer voldoende. Neen, de sociale economie moet
vandaag ook rendabel, professioneel en productief zijn. Zij moet
competenties en talenten aanboren, samenwerken met de “echte”
economie en doorstromen. De sociale economie moet vandaag ook
activeren, innoveren, creatief zijn, duurzaam zijn, crowdfunden,
netwerken, participeren, en ga zo maar even door. De opdracht
waarvoor de sociale economie vandaag staat is niet echt
benijdenswaardig.

Lippendienst

Maar
het zou ongepast zijn om te denken dat Casablanco de Armoedeprijs in
ontvangst mag nemen, omdat ze voor al deze uitdagingen en opdrachten
een pasklaar antwoord hebben. Dat ik met even vage en gemediatiseerde
woorden kom uitleggen hoe wij innoveren, hoe creatief we wel zijn,
hoe wij netwerken uitbouwen, en duurzaam zijn, activeren en
professionaliseren.

Want
hoewel ik zeer erkentelijk ben voor de erkenning die uit deze
prijs voor ons spreekt, valt het me zwaar om eenzijdig in de
feestvreugde delen. En hoe kan het ook anders: men vraagt me om in
een dankwoord toe te lichten hoe we ons als sociale economie inzetten
voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, en dit terwijl
we eigenlijk tot de drieste vaststelling moeten komen dan de
maatschappelijke kloof tussen arm en rijk de afgelopen jaren alleen
maar is toegenomen. Het cijfer is onderhand wel bekend: 1.680.000
werklozen maar ook werkenden, gezinnen, alleenstaande moeders en
vaders, kinderen, jongeren en ouderen, Vlamingen, Walen, Brusselaars,
Belgen van waar ze ook komen,… 1.680.000 medeburgers die dagelijks
het hoofd moeten zien te bieden aan armoede en precaire
levensomstandigheden.

In
het licht van dit ene cijfer, kan ik me niet van het gevoel ontdoen
dat wanneer men vandaag aan de sociale economie vraagt om innovatief
en creatief te zijn, en als men ons vraagt om te netwerken en te
crowdfunden, en om competenties en talenten te activeren…  dat
men ons dan eigenlijk vraagt om lippendienst te bewijzen.

Lippendienst aan een politiek die gefaald heeft om van sociale
herverdeling, tewerkstelling en armoedebestrijding de prioriteit te
maken. Lippendienst aan een politiek die werklozen en armen in naam
van “responsabilisering en activering” stigmatiseert,
lippendienst aan een verhaal van “gemeenschapsdiensten” in plaats
van waardig werk. Kortom, lippendienst aan een politiek van
liefdadigheid in plaats van grondrechten.

Herbronning

Als
ik zeg dat ik toch verheugd ben om de prijs Armoede Uitsluiten in
naam van de sociale economie in ontvangst te mogen nemen, dan is dit
vooral omdat het me de kans geeft om een project voor te stellen voor
de toekomst.

Want
hoewel men vandaag nogal snel beweert dat de sociale economie de
sector is van een handvol creatieve en innovatieve durvers en
ondernemers, lijkt me de echte uitdaging waarvoor de sociale economie
vandaag staat, niet deze is van de innovatie, maar wel deze van een
herbronning.

Wanneer
ik denk aan herbronnen, dan denk dat we ons allereerst weer moeten
aansluiten bij een lange geschiedenis en traditie. De sociale
economie is immers geen recente uitvinding, niet enkel en alleen maar
de uitvinding van arbeidsmarktspecialisten en ideologen van een
actieve welvaartsstaat. Nee, de sociale economie kent ook haar
wortels in een lange sociale geschiedenis, een geschiedenis van
onderuit: van de coöperatieven en de mutualiteiten, in de
werking van de vakbewegingen, in de vrijwilligersinitiatieven, in de
basiseducatie, de armoedebestrijding en in de geschiedenis van de
sociale bewegingen.

Ten
tweede, ken u geschiedenis. Dus: laten we de sociale economie heruitvinden als sociale beweging. En ons heruitvinden als sociale
beweging betekent niet dat we moeten verzaken aan de opdrachten
waarvoor we ons ten aanzien van publieke overheden engageren: het
organiseren van werkervaring, van opleiding en begeleiding. Maar het
betekent wel dat we deze taken realiseren in het licht van een breder
sociaal engagement: in een engagement voor het recht op waardig werk,
het recht om volwaardig deel te nemen aan onze samenleving, in een
engagement tegen elke vorm van sociale en economische uitsluiting. De
sociale economie herbronnen als sociale beweging betekent dan ook dat
we niet alleen meer kijken naar publieke overheden, maar dat we ook
weer de draad opnemen met het middenveld, de vakbeweging, de
armoedebeweging, en tal van initiatieven die zich vandaag inzetten
in bijvoorbeeld het platform Hart boven Hard.

Eigen conceptueel kader

Als
ik zeg dat we de sociale economie moeten heruitvinden als sociale
beweging, dan brengt dit ons tot een derde belangrijke uitdaging. We
hebben nood aan een eigen conceptueel en inhoudelijk kader. Ik heb de
afgelopen jaren gezien hoe we als sociale economie in naam van de
professionalisering vaak blindelings en kritiekloos zijn mee gestapt
in het overnemen van een zogenaamd neutraal ondernemersdiscours. Ja,
ook de sociale economie moest aan Corporate governance, Lean
management
en service control management doen. Ook de sociale
economie moest Ishikawa en SIPOC- diagrammen gebruiken, Key
Performance Indicators
, Verbeterplannen opstellen, en ga zo maar even
door. Een tijdje terug werd ik door een consultancybedrijf
gecontacteerd omdat ze het innovatieve project hadden opgevat om
managers na hun pensioen vrijwillig in te zetten voor de sociale
economie. Ze zouden hun jarenlange ervaring en expertise bij grote
beursgenoteerde ondernemingen en bancaire instellingen ten dienst
stellen van de professionalisering van de sociale economie! U zal
begrijpen dat ik op deze uitnodiging enkel ietwat verontwaardigd en
ironisch kon antwoorden met de eenvoudige vraag:“Waar
was u dan al die jaren met uw expertise en ervaring, om ervoor te
zorgen dat ook uw ondernemingen en instellingen inclusiever,
democratischer en rechtvaardiger werden?”

Als
ik zeg dat we nood hebben aan een eigen conceptueel kader, dan bedoel
ik dat we moeten kunnen vertrouwen op onze eigen sterkte. Want als
men zegt dat we moeten professionaliseren, dan trapt men eigenlijk
een open deur in. Als men met professionalisering bedoelt dat we
zinvol en verantwoord moeten omspringen met publieke middelen, als
men daarmee bedoelt dat we ernstig moeten werken, dan ben ik
uiteraard vragende partij.

Maar
zeg me eens eerlijk wat de meerwaarde is om te spreken van corporate
governance en stake holders, als wij kunnen spreken van democratisch
economisch bestuur en werknemersinspraak? Wat is de meerwaarde om te
spreken van Key Performance Indicators en Social Impact studies, als
wij kunnen spreken over het belang van investeringen in publieke
diensten, publieke zorg en publieke infrastructuur? Welke meerwaarde
dan, om te spreken over het activering van competenties en talenten,
als wij eenvoudigweg kunnen spreken over het recht op arbeid en er
voldoende maatschappelijke vragen en noden zijn om dit recht te
realiseren

En als ik zeg dat we
nood hebben om de sociale economie te herbronnen vanuit de
herontdekking van haar geschiedenis, en om haar heruit te vinden als
sociale beweging en met een eigen sterk taal- en waardekader, dan
betekent dit ook dat we de sociale economie moeten herbronnen
met sociale en politieke ambities voor de toekomst. Dat we verder
moeten kunnen denken dan de jaarlijkse project- en subsidieoproepen,
de jaarlijkse begrotingen en jaarrekeningen, de kwartaalcijfers en de
doorstroomresultaten. Het betekent dat we naast onze dagelijkse inzet
in het behalen van concrete en, waarom ook niet, meetbare resultaten,
de sociale economie weer moeten inschrijven in een breder streven
naar een meer egalitaire, rechtvaardige en solidaire economie.

Ja,
het is goed om na te denken over manieren om mensen te helpen in hun
grote afstand tot de arbeidsmarkt en de economie. Maar het is ook
goed en misschien wel beter om ook weer na te denken over het verkleinen
van de grote afstand van de economie tot de mensen.

Ja,
het is waardevol om na te denken over hoe we mensen die tegen wil en
dank werkeloos “aan de kant staan”, ten dienst kunnen stellen van
de economie. Maar het is ook goed en misschien wel beter om als
sociale economie weer te durven spreken over manieren om de economie
in dienst te stellen van de mensen.

Koppigheid

Casablanco
mag dan wel eens ouderwets en conservatief heten, maar het is met een
zekere fierheid dat ik kan zeggen dat we dit jaar onze vijftiende
verjaardag kunnen vieren. Vijftien jaar, en dit ondanks de juridische
en institutionele onzekerheden voor de sociale economie, ondanks de
onzekerheden over de federale financiering van sociale
tewerkstellingsstatuten, en dit ondanks de moeilijke crisisjaren.

En
ik zou liegen als ik zou zeggen dat ook wij niet hebben ingezet op de
uitbouw van een professionele organisatie, op een goed zakelijk
bestuur en op financiële stabiliteit. Dat ook Casablanco niet heeft
ingezet op de professionalisering van onze opleidingen voor en
begeleiding van werkzoekenden.

Maar
dat wij deze verjaardag vandaag kunnen vieren is niet alleen het
resultaat van deze professionalisering. Het is ook en vooral het
resultaat van de hardnekkige koppigheid waarmee we dit alles hebben
gerealiseerd. In de koppigheid om niet mee te stappen in de trend van
de innovatie, om niet in te spelen op de mode van de dag, op de mode
van de sociale gadgets.

Het
is ook en vooral het resultaat van de koppigheid waarmee we
kwaliteitsvol en ernstig willen ondernemen maar zonder in te boeten
aan waarden en principes,
ouderwets, maar volgens mij actueler en innovatiever dan ooit.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!