Verkiezingen in Tunesië (archief)
Analyse - Bavo Dispersyn

Radicalisme in Tunesië: het einde van het succesverhaal?

Op 18 maart 2015 werd Tunesië opgeschrikt door een terroristische aanslag in het nationale museum van Tunesië waarbij 22 mensen werden vermoord. De aanslag kwam voor velen in het westen als een verrassing. Bavo Dispersyn maakt het bilan op van vijf jaar Tunesische Lente.

zaterdag 6 juni 2015 14:03

In het westen bestond het beeld van Tunesië als het land
dat op een vreedzame en succesvolle wijze van een totalitair regime naar een
democratie was getransformeerd. Terrorisme en jihadisten pasten niet in dit
plaatje. Dit westerse beeld van Tunesië strookt evenwel niet met de realiteit.

Achter de schijnbaar moeiteloos verlopen transitie na de revolutie gaan er
verschillende problemen schuil: grote werkloosheid, een economie in recessie en
een radicaliserende jeugd. Het ziet er ook niet naar uit dat in de nabije
toekomst snel een oplossing voor deze problemen zal gevonden worden.

Succesvolle politieke hervormingen

Tunesië was het land waar de Arabische
lente geboren werd. Een straatventer, genaamd Mohammed Bouazizi, was na jarenlange pesterijen van corrupte agenten en ambtenaren zo radeloos
geworden dat hij op 18 december 2010 geen andere uitweg meer zag dan zich in
brand te steken. Enkele dagen later overleed hij aan zijn verwondingen in het
ziekenhuis.

Deze wanhoopsdaad was voor de Tunesische bevolking
het sein om op straat te komen en te protesteren tegen de wijdverspreide
corruptie en de vriendjespolitiek van president Ben Ali, die op dat moment
reeds 25 jaar aan de macht was. De
volkswoede verspreidde zich razendsnel over het land en enkele weken later werd
Ben Ali gedwongen af te treden en moest hij de vlucht nemen (Ibrahim, Liman en
Okoroafor 2014: 28-29).

De maanden daarna waren
turbulent. Enkele overgangsregeringen volgden elkaar in snel tempo op, maar het
land verzandde niet in anarchie en massale plunderingen en gewelddadige
confrontaties bleven achterwege. Een belangrijke rol was hierbij weggelegd
voor de Conseil National de Protection de
la Revolution (CNPR). In deze organisatie zetelden verschillende kopstukken
uit politieke partijen, advocaten en andere prominenten. Zij hielden de
politieke en maatschappelijke ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en waakten
over het gedachtegoed van de revolutie (Zemni 2014: 5).

Op 23 oktober 2011 werden de eerste
verkiezingen gehouden na het aftreden van Ben Ali. Als overwinnaar kwam Ennahda, de islamitische
partij die onder Ben Ali verboden was, uit de bus.
Samen met twee centrumlinkse partijen vormde zij een regering die als
belangrijkste doelstelling het uitschrijven van een nieuwe grondwet had.
(Lefevre 2015: 308)  Na ruim
twee jaar werd deze doelstelling bereikt. Het resultaat was een zeer
progressieve grondwet (Pickard 2014: 259).

Onder meer de vrijheid van vereniging,
religie en drukpers werden gewaarborgd, vrijheden die onder het oude bewind
sterk beknot waren geweest (Blibech, Driss en Longo 2014: 3-4). Opmerkelijk
hierbij was dat de grondwet weinig tot geen verwijzingen naar de Islam
bevatte. Desalniettemin had de islamitische partij Ennahda 41 procent van de
stemmen achter zich gekregen. Voor velen was dit het bewijs dat Ennahda tot
compromissen bereid was en dat zij geenszins de radicale partij was waar zij onder
het bewind van Ben Ali voor werd gehouden (Lesch 2014: 73).

In de herfst van 2014 vonden er nieuwe
verkiezingen plaats. De
uitslag was confronterend voor de partijen die de grondwet
hadden uitgeschreven. Enkel Ennahda kon zich min of meer handhaven, de andere
twee centrumlinkse partijen verdwenen van het politieke toneel. Enigszins
verrassend was de nieuwe partij, Nidaa Tounes, de overwinnaar van de
verkiezingen. Deze partij herbergde verschillende politici die nog hadden
gediend onder Ben Ali. Zij sloten een coalitie met Ennahda.

Economische problemen en
radicaliserende jeugd

Sinds het aftreden van Ben Ali is het
moslimextremisme in Tunesië aan een steile opmars bezig. Dit radicalisme blijkt
uit het ontstaan van verschillende extremistische groeperingen alsook uit het hoge
aantal Tunesiërs dat is gaan vechten in Syrië en Irak. Volgens schattingen zijn
er ongeveer tussen de 3000 en 5000 Tunesiërs vertrokken om extremistische
groeperingen als Islamitische Staat en Al-Nusra in Syrië en Irak te
vervoegen (Lefevre 2015: 310). Twee factoren zijn hierbij van cruciaal
belang: de aanhoudende economische malaise en het gegeven
dat een deel van de jonge
moslims zich niet kon vinden in de democratische hervormingen die onder meer
door Ennahda gesteund werden.

De problemen die geleid hebben tot de
Arabische lente blijven aanwezig in de Tunesische samenleving. Meer dan
drie jaar na de revolutie zit de economie nog in het slop en
tiert de corruptie nog welig. Vele jonge Tunesiërs zijn werkloos,
gefrustreerd. Hun hooggespannen verwachtingen werden na de
revolutie niet waargemaakt.

Op politiek vlak kunnen de ontwikkelingen
na de revolutie als een succes beschouwd worden. Er zijn een solide grondwet, een
evenwichtig politiek systeem en politieke partijen die het algemeen belang voor
het eigenbelang durven plaatsen. Deze politieke ontwikkelingen hebben evenwel
nog niet geleid tot een verbetering van de levensstandaard (Özkan
2014: 60).

Inderdaad, er bestaat meer vrijheid maar op
economisch vlak is het voor veel Tunesiërs nog steeds armoe troef (Pickard
2014: 264). Vooral onder jongeren is de werkloosheid hoog. De ontgoocheling van de Tunesische jongeren
in de ontwikkelingen na de revolutie van 2011 blijkt ook uit het feit dat slechts
20 procent van hen tijdens de verkiezingen van oktober 2014 zijn stem
uitbracht (Lefevre 2015: 309). De werkloosheid en frustratie zijn factoren die het oprukkende radicalisme in de Tunesische samenleving
verklaren (Özkan 2014: 53).

Een ander element dat heeft bijgedragen tot
de toenemende radicalisering is het gegeven dat een deel van de Tunesische
moslims ontgoocheld was in de houding die Ennahda aannam na haar eclatante
verkiezingsoverwinning. De partij zat echter in een moeilijke situatie. Enerzijds diende zij rekening
te houden met haar achterban, die jarenlang gewacht had op dit moment. Anderzijds beschikte zij niet over een absolute meerderheid en moest er een
compromis gesloten worden met andere, meer gematigde partijen om tot een
resultaat te komen. Toen in juni 2012 duidelijk werd dat Ennahda niet zou
aandringen op de implementatie van de Sharia, was dit voor een bepaald deel van
de Tunesische moslims een zoveelste ontgoocheling (Lesch 2014: 70).   

Meer radicale groeperingen grepen
deze situatie aan om zich de kijker te zetten en misnoegde jongeren aan zich te
binden (Torelli, Merone en Cavatorta 2012:141). Eén van de bekendere is het zogenaamde Ansar al-Sharia. Deze
groepering werd in april 2011 opgericht door Abu Ayyad Al-Tunisi, een jihadstrijder
die in de nasleep van de revolutie vrijkwam na jarenlange opsluiting (Torelli,
Merone en Cavatorta 2012: 148).

Algemeen wordt aangenomen dat zij
verantwoordelijk zijn voor de moord op twee gematigde politici, in februari en
juli 2013. Ennahda koos in de protesten die volgden duidelijk partij. De
toenmalige eerste minister, die lid was van Ennahda, bestempelde Ansar
al-Sharia als een terroristische organisatie die buiten de wet gesteld moest worden
(Lesch, 2014: 70).

Naast Ansar al-Sharia zijn er andere jihadistische
groeperingen momenteel actief op Tunesisch grondgebied. Vanuit de
bergstreek, gelegen tussen Algerije en Tunesië, voeren de Uqba Ibn Nafaa
Brigades op regelmatige basis aanvallen uit op Tunesische agenten of soldaten.
Deze brigades zijn een zijtak van Al Qaeda in the Islamic Maghreb. Daarnaast
zijn er radicale organisaties zoals al-Asala, al-Rahma en
Jabhat al-Islah. Deze groepen verschillen echter van Ansar al-Sharia en Al
Qaeda in the Islamic Maghreb in die mate dat ze zich, althans voorlopig, geen geweld gebruiken (Torelli, Merone en Cavatorta 2012: 147).

Al deze extremistische groeperingen hebben
sinds het aftreden van Ben Ali aan populariteit gewonnen. Het spreekt voor zich
dat de Tunesische regering dit met argusogen bekijkt. Tot nu toe zijn de
gevolgen beperkt gebleven, maar met de mogelijke terugkeer van duizenden
jihadstrijders kan deze situatie snel omslaan.

Conclusie

De prille Tunesische democratie wordt in
het westen beschouwd als het succesverhaal van de Arabische lente. Het kan
inderdaad niet ontkend worden dat Tunesië in vergelijking met andere staten,
zoals Egypte, Syrië of Libië, grote stappen voorwaarts heeft gezet. Dit
betekent evenwel niet dat het democratische proces reeds voltooid is en dat de
transitie van dictatuur naar democratie vlekkeloos is verlopen.

Delen van de bevolking kunnen zich
niet vinden in de hervormingen die in de laatste drie jaar werden doorgevoerd. Het
gaat dan om jonge moslims, die enerzijds nog steeds gebukt gaan onder
het slechte economische klimaat in Tunesië en die anderzijds ontgoocheld zijn
in de grootste islamitische partij, Ennahda. Door deze factoren zijn ze vatbaar voor meer radicale opvattingen.

Er is een groot aantal
jongeren gaan vechten in Syrië en Irak. De populariteit van
de extremistische groeperingen als Ansar al-Sharia is gegroeid. Of dit betekent dat Tunesië hetzelfde pad zal opgaan als bijvoorbeeld Libië, lijkt
evenwel onwaarschijnlijk. Tunesië heeft in vergelijking met zijn buurland
goed georganiseerde overheidsinstellingen en een hoogopgeleide middenklasse die
huiverig staat ten aanzien van extremistisch geweld. Maar het kan niet
uitgesloten worden dat Tunesië in de nabije toekomst nog getroffen zal worden
door terroristische aanslagen. 

Bavo Dispersyn is jurist bij de Vlaamse Landmaatschappij te Brussel en werkstudent Master na Master Conflict and Development aan de UGent. In 2012-2013 gaf hij in Ivoorkust les aan het British Institute for Management te Abidjan.

Bibliografie

  • BLIBECH, F., DRISS, A. en LONGO, P. (2014),
    “Citizenship in post-awakening Tunisia: Power shifts and conflicting
    perceptions”, EUspring, 1-12.
  • IBRAHIM, S. G., LIMAN, A. N. en OKOROAFOR,
    P. A. (2014), “Politica land economic frustration in northern Africa: A
    precipitating force for the emergence of the Arab spring and revolution”, Online Journal of African Affairs, nr.2,
    26-36.
  • LEFEVRE, R. (2015), “Tunisia: a fragile
    political transition”, The Journal of
    North African Studies,
    nr.2, 307-311.
  • LESCH, A. M. (2014), “Troubled political
    transitions: Tunisia, Egypt and Libya”, Middle
    East Policy,
    nr.1, 62-74. 
  • ÖZKAN, M. (2014), “Religion, secularism and
    politics in post-revolutionary Tunisia”, Review
    of Anthopology and Philosophy of Religions,
    nr.2, 51-62.
  • PICKARD, D. (2014), “Prospects for
    implementing democracy in Tunisia”, Mediterranean
    Politics,
    nr.2, 259-264.
  • TORELLI, S. M., MERONE, F., CAVATORTA, F.
    (2012), “Salafism in Tunisia: Challenges and opportunities for
    democratization”, Middle East Policy,
    nr.4, 140-154.
  • ZEMNI, S. (2014), “The extraordinary
    politics of the Tunisian revolution: The process of constitution making”, Mediterrean Politics, 1-17. 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!