Opinie -

Staken en stank (voor dank)

“Dat hij zelf eens achter die vuilkar komt lopen!”, zo stelde een verbolgen vuilnisman voor.

vrijdag 29 mei 2015 10:45

Hij had het over de burgemeester van Vlaanderens populairste en meest progressieve stad. Een burgemeester die zich genoodzaakt ziet daadkracht te vertonen in de strijd tegen het ophopend restafval en de geestdriftige ratten die zijn fiere kampioenenstad bedreigen.

De Gentenaars doen intussen uitvoerig hun beklag op de sociale mediakanalen die daarvoor bedacht lijken.

Heethoofden

Vrijwel afwezig in het verontwaardigde
debat: waarom staken die vuilnismannen nu eigenlijk? Niemand lijkt ervan wakker te liggen, laat
staan er enige empathie voor veil te hebben. “Haal dat verrekte huisvuil van
voor onze voordeur, spaar ons jullie moeilijkdoenerij en laat ons verder vooral
met rust”, zo klinkt het.

“De
afvalintercommunale staat bekend als een ‘bende heethoofden’ die om het minste
de piketten opzetten.” zo leert ons vandaag De Morgen.

Nu woon ik toch al zo’n jaar of
vijfentwintig in Gent en staan in mijn geheugen geen apocalyptische taferelen
geprent van epidemieën en rattenplagen, zelfs niet van troosteloze bergen huisvuil. Wat De Morgen hier precies mee bedoelt blijft dan ook tot
nader order een raadsel. Wordt hier iemand geciteerd, en zo ja, wie dan? Of
lezen we hier de mening van de journalist in kwestie, en zo ja, is die
onderbouwd en aantoonbaar?

Ongepaste solidariteit

De conclusie ligt voor de hand: vuilnismannen
mogen niet staken. Of toch niet te lang. Dat is namelijk vervelend. En kwalijk
voor onze zorgvuldig uitgekiende stadsmarketing. En vooral: het stinkt.

Dat er misschien ook iets anders stinkt,
bedacht ik vrijpostig, bij het doornemen van de berichtgeving ter zake.

De vuilnisophalers willen namelijk niet
meer loon (al zouden ze daar mijns inziens wel aanspraak op mogen maken), niet
meer vakantie (iets waar we beter allemaal eens aanspraak op zouden maken), noch een vette bonus per extra ton opgehaalde troep.

Ze zijn het gewoon niet eens met de
beslissing van het management om een collega te ontslaan. Stel je voor. Zoveel
ongepaste solidariteit slaat ons met enige verstomming.

De collega werkt er al twintig jaar.
Ervaring in overvloed, zou je zeggen. Toch werd de man “negatief geëvalueerd”.

Nu heb ik geen idee hoe dat in z’n werk
gaat, zo’n evaluatie van een vuilnisophaler. Moet de geëvalueerde een til- en
hefproef afleggen? Wordt er gemeten hoeveel stappen hij zet per wegtikkende
minuut? Moet hij aan de hand van gewiekste meerkeuzevragen aantonen dat hij het
verschil kent tussen restafval en PMD? We weten het niet. Wat wel duidelijk werd is dat er een haar in de boter zit wat de communicatie en omgangsvormen betreft tussen bestuur en werknemers. Het nakende ontslag lijkt vooral de spreekwoordelijke druppel voor de stakers.

Geheel toevallig had een groep geërgerde
treinbestuurders een dag voordien ook het werk neergelegd en zodoende “het land
verlamd”. Ook voor hun verzuchtingen viel weinig
respijt en empathie te bespeuren.

Hele uitzendingen en katernen
werden besteed aan de acute noodzaak om het stakingsrecht in te perken.

Meerwaarde

Interessant zijn vooral de vragen die niet rezen
tussen al die briesende verontwaardiging. Bijvoorbeeld de vraag of je als management
niet in gesprek moet en kunt gaan met je werknemers? Of je de mensen onder dat
fluo hesje of in dat grijze uniform niet als individuen en medewerkers kan
beschouwen in plaats van enkel als onpersoonlijke rader in een systeem? Een systeem dat zich
uitsluitend efficiënt moet tonen, maar weinig uitstaans heeft met het welzijn
van wie het doet draaien, in dit geval in weer en wind, in weinig
benijdenswaardige omstandigheden en met zo goed als geen respect als return.

Misschien is het raadzaam om wat meer te
investeren in people management in plaats van enkel in management. Misschien
voelen mensen die zich gehoord en gerespecteerd voelen in hun werk zomaar
vanzelf minder de neiging om het werk neer te leggen. Misschien hebben
werknemers soms gewoon een punt en moet je als manager dat punt ernstig nemen. Misschien
is het tijd om tot de wijze conclusie te komen dat overheidsdiensten
onontbeerlijk zijn voor de samenleving en dat je daar maar beter niet op
beknibbelt.

Rutger Bregman omschreef het als volgt in
De Correspondent:

“Stel je voor dat
morgen alle 290 communicatiemedewerkers van de gemeente Amsterdam staken. Of
alle accountants op de Zuidas. Ik geloof niet dat de burgemeester dan de
noodtoestand zal uitroepen. Het is maar de vraag of zo’n staking überhaupt veel
schade aanricht. Misschien dat je daarom nooit iets leest over een staking van,
ik noem maar wat, socialmediaconsultants, telemarketeers of
flitshandelaren.Voor vuilnismannen ligt dat heel anders. Hoe je het ook wendt
of keert – ze doen werk waar we niet zonder kunnen. En de ongemakkelijke
waarheid is dat steeds meer mensen werk doen waar we eigenlijk prima zonder
kunnen. Voor deze mensen geldt dat, als ze plotseling stoppen met hun werk, ze
de wereld niet armer, lelijker of leger achterlaten. Denk aan de handige beurshandelaar
die rijk wordt ten koste van een of ander pensioenfonds. Denk aan de slimme
advocaat die eindeloos procedeert tegen een ander bedrijf. Of denk aan de
briljante copywriter die de slogan van het jaar verzint, waardoor een
concurrent failliet gaat.”

Misschien moeten we gewoon allemaal eens
staken, kwestie van proefondervindelijk aan te tonen welke jobs er een reële
meerwaarde betekenen voor onze samenleving en wie we eigenlijk probleemloos
kunnen missen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!