Wat vinden sociale wetenschappers van praktijktesten en ‘mystery calls’?
Analyse -

Wat vinden sociale wetenschappers van praktijktesten en ‘mystery calls’?

#Praktijktestennu is een initiatief van verschillende middenveldorganisaties in de strijd tegen discriminatie. Discriminatie bij dienstenchequebedrijven eerder dit jaar toonden aan dat het hoog tijd is voor meer actie. Daarom wordt gepleit voor praktijktesten en 'mystery calls' als billijke hulpmiddelen tegen discriminatie.

dinsdag 26 mei 2015 11:14




In aanloop naar de tweede hoorzitting over discriminatie op de
arbeidsmarkt in het Vlaams parlement, legden we drie stellingen voor aan
sociale wetenschappers. De stellingen gaan over praktijktesten en
mystery calls. Meer info over wat praktijktesten en mystery calls zijn,
vind je hier.

Praktijktesten en ‘mystery calls’ door de overheid zijn meer wenselijk dan deze door de sector zelf.
 

Nadia Fadil: Het is belangrijk om de premissen of
vooronderstellingen achter de stellingen te verduidelijken. In principe
gaat het hier over de koppeling van praktijktesten aan het doel van een
sterk antidiscriminatiebeleid. In dat geval klopt de stelling niet, want
er wordt nu al jaren verwacht dat sectoren en bedrijven via
zelfregulering de problemen inzake discriminatie oplossen, maar dat is
niet (voldoende) het geval. De zelfregulering is te vrijblijvend.

Pieter-Paul Verhaeghe: De zelfregulering binnen een
sector kan ook aan de hand van mystery calls/shoppings en praktijktesten
gebeuren. Dat is bijvoorbeeld wat Federgon (koepelorganisatie van de
uitzendsector) de laatste jaren al doet. Sinds 2011 voert ze mystery
calls
uit bij aangesloten uitzendkantoren. Maar de zelfregulering in
deze sector kampt met minstens twee geloofwaardigheidsproblemen: ten
eerste is ze verre van transparant over de gebruikte methodologie en de
resultaten en ten tweede laat ze het na om discriminerend gedrag te
sanctioneren.

Wat het tweede punt betreft, kunnen we stellen dat
praktijktesten en mystery calls een noodzakelijke, maar geen voldoende
voorwaarde zijn om discriminatie aan te pakken. Ze kunnen op een
objectieve manier een patroon van discriminatie aantonen, maar leiden
niet automatisch tot een gedragsverandering. Discriminerende bedrijven
moeten verplicht worden om hun gedrag te veranderen. Zelfregulering
botst hier duidelijk op haar limieten.

Federgon vraagt haar leden, die
via mystery calls op discriminatie betrapt werden, om een actieplan uit
te werken. De interimkantoren zijn volledig vrij in hoe ze dit doen.
Federgon dreigt ook om het kwaliteitslabel af te nemen wanneer een
interimkantoor drie keer betrapt wordt op discriminerend gedrag. Sinds
de start van haar mystery calls in 2011 is er echter nog geen enkel
agentschap zijn kwaliteitslabel kwijtgeraakt. Dat is weinig
geloofwaardig in een sector waar het dossier Adecco reeds structurele
discriminatie aantoonde.

Orhan Agirdag: Volgens mij is noch de overheid, noch
de sector zelf een geschikte actor om praktijktesten of mystery calls
uit te voeren. Enerzijds is de overheid een bureaucratische en logge
machine, zeker wanneer het gaat over discriminatie. Bovendien is de
overheid afhankelijk van de politieke kleur van het moment, die in
democratieën afhankelijk is van een electorale meerderheid. Wat
discriminatie betreft, gaat het echter om de belangen van de minderheden
die niet of zelden de electorale meerderheid hebben. Dit maakt dat
controlemechanismen op discriminatie, die afhankelijk zijn van politiek
en overheid, geen duurzame oplossing kunnen bieden.

Anderzijds heeft de
sector zelf economische belangen om discriminatie niet aan te pakken
(onder meer om geen klanten weg te jagen). Het is uitermate naïef om te
denken dat een voluntaristische instantie de reusachtige problemen van
discriminatie kan aanpakken. Want waarom zou een orgaan binnen de sector
niet exact dezelfde fouten maken als de sector zelf?

Een alternatief is
om een onafhankelijk agentschap tegen discriminatie op te richten. Dit
agentschap kan dan in samenwerking met onafhankelijke universitaire
experts praktijktesten of mystery calls op een systematische en
correctie wijze uitvoeren. De data die hieruit vloeien, dienen opengesteld
te worden voor andere wetenschappers, zodat processen van discriminatie
beter in kaart gebracht kunnen worden. Slechts na deze onafhankelijke
controle hebben de overheid en de sector een functie. De overheid dient
namelijk discriminatie (hard) te bestraffen. De sector dient om
sensibiliseringsacties uit te voeren.

Maarten Loopmans: Het lijkt me dat je
praktijktesten / mystery shopping op twee manieren kan gebruiken. Als
instrument om wantoestanden mee aan te pakken of als instrument voor de
overheid om de effectiviteit van zelfregulering na te gaan. Wanneer het
eerste gebruik wordt gekozen, zullen er veel tests moeten gebeuren om
een impact te hebben op het gedrag binnen de sector, omdat de pakkans
groot genoeg moet zijn. Dit lijkt me praktisch moeilijk te organiseren
en duur. Praktijktesten zullen niet door de overheid zelf kunnen worden
uitgevoerd, omdat er te weinig personeel beschikbaar is om voldoende
controles uit te oefenen zonder tegelijk in de aandacht te lopen. Het
zal moeten worden uitbesteed, wat ofwel de prijs zal opdrijven, ofwel de
kwaliteit en zo de geloofwaardigheid van de tests nadelig zal
beïnvloeden.

De tweede optie lijkt me wel zinvol, omdat men met een
beperkter aantal praktijktesten een hele sector kan disciplineren om
zichzelf beter te reguleren. Los van deze praktische dimensies, lijkt
het me belangrijk om de juridische kracht van praktijktests wettelijk
goed te onderbouwen, zodat de praktijktests effectief tot bestraffing
kunnen leiden (en niet enkel een symbolisch instrument worden).

Olivia Rutazibwa: Idealiter doen beide instanties de
testen en mystery calls. De sector zelf, omdat het integraal deel uitmaakt van de kwaliteitsmonitoring van hun diensten en ze zouden
systematisch als zodanig opgevat moeten worden in hun werking. De
overheid heeft dezelfde plicht vanuit een inclusief burgerschap- /
welvaartstaatidee.
 

Praktijktesten zijn niet toereikend om het vermoeden van discriminatie in het onderwijs aan te tonen.
 

Nadia Fadil: Ook hier is het belangrijk om duidelijk
te maken waarop de stelling precies betrekking heeft. Indien het gaat
over discriminatie bij het inschrijven van kinderen met een
migratieachtergrond in scholen kunnen praktijktesten wel nuttig zijn.
Maar indien het gaat over subtielere vormen van discriminatie tijdens
het dagelijks leven op school of specifieker in de lessen, dan is dat
veel moeilijker om na te gaan en is langdurig onderzoek nodig. Voor
sommige vormen van discriminatie in het onderwijs kunnen dus in de tijd
beperkte praktijktesten gebruikt worden, zoals de samenstelling
van het leerlingenbestand of de diversiteit bij leerkrachten.

Pieter-Paul Verhaeghe: Uit kwalitatieve studies blijkt
dat discriminatie een groot probleem is in het onderwijs. Het gebruik
van praktijktesten om een vermoeden van discriminatie in het onderwijs
aan te tonen, is echter minder evident. Een groot deel van de
inschrijvingen in het onderwijs gebeurt via een objectief
inschrijvingssysteem. Praktijktesten zijn daar niet mogelijk. Wat
eventueel wel zou kunnen, is dat men twee (fictieve) ouders van
verschillende origine op schoolbezoek stuurt en vervolgens nagaat of de
behandeling door de directie significant anders is. Maar deze methode is
zeker niet zonder problemen. Een andere probleem is dat discriminatie
zeer vaak voorkomt in de beslotenheid van een klaslokaal. Ook daar zijn
praktijktesten niet mogelijk.

Orhan Agirdag: Dit is afhankelijk van de situatie.
Bovendien heb je soms zelfs geen praktijktesten nodig om discriminatie
in het onderwijs aan te tonen. Het lezen van schoolreglementen is vaak
voldoende. Zo staat in heel wat schoolreglementen dat het spreken van
een andere taal op school verboden is, wat indruist tegen artikel 30 van
de rechten van het kind
.

Maarten Loopmans: Niet alleen in het onderwijs, maar
ook op de arbeids- of huisvestingsmarkt zullen praktijktests niet alle
vormen en momenten van discriminatie kunnen opsporen. Bijvoorbeeld,
mystery calling naar huisbazen kan wel de discriminatie verminderen op
het moment van contactopname van de kandidaat-huurder met de huisbaas,
maar sluit niet uit dat op latere momenten in het verhuurproces (bv. bij
de toewijzing of bij de uitvoering van het contract) de huurder nog
gediscrimineerd zal worden.

Olivia Rutazibwa: Ze zijn mogelijks niet voldoende om
sluitend discriminatie in het onderwijs aan te tonen in individuele
gevallen, maar ze zijn een noodzakelijk onderdeel van het pakket aan
maatregelen om een antidiscriminatiecultuur te kweken in deze hoogst
belangrijke sector van de samenleving.

Door praktijktesten gaan bedrijven die goed bezig zijn, maar uitzonderlijk een fout maken, even hard imagoschade oplopen als bedrijven die veel fouten maken.
 

Nadia Fadil: Neen, daar ben ik het niet mee eens. Een
brave burger die voor een keer een snelheidsovertreding begaat, is op dat
moment even schuldig als iemand die er al veertien heeft begaan. Dat
risico is er. Maar de schade die hierdoor gecreëerd wordt, moet niet
overdreven worden. Het is de aanpak van discriminatie die maakt of de
reputatie van een bedrijf schade oploopt. Bij praktijktesten zullen de
regels rond billijkheid net zozeer gelden als bij andere juridische
procedures. Bovendien zal er nood zijn aan een aanpak op maat per sector,
waarbij zowel kleine als grote spelers per sector worden onderzocht.
Verhuurders controleren vergt een andere methodiek dan bijvoorbeeld
bouwbedrijven controleren, omdat de termijnen van een huurcontract langer
lopen en bouwbedrijven voortdurend op zoek zijn naar nieuw of extra
personeel.

Pieter-Paul Verhaeghe: Om wetenschappelijk
verantwoorde uitspraken over individuele bedrijven te kunnen doen, moet
men die bedrijven herhaaldelijk testen. Pas wanneer herhaaldelijke
testen bij eenzelfde bedrijf wijzen op een structureel patroon van
ongelijke behandeling, kan men gewag maken van discriminatie. Een
bedrijf dat uitzonderlijk een fout maakt, zou met andere woorden niet
tegen de lamp mogen lopen. De hamvraag hierbij is uiteraard hoeveel
praktijktesten per bedrijf voldoende zijn om een structureel patroon te
kunnen vaststellen. Spreken we van 3, 5, 10 testen per bedrijf?

Orhan Agirdag: Bekijk het als een
snelheidsovertreding. Je krijgt ook een boete bij de eerste keer dat je
geflitst wordt. Maar recidivisten moet natuurlijke sterker bestraft
worden. Het equivalent van het rijbewijs intrekken, is de
bedrijfsvergunning intrekken.

Maarten Loopmans: Dit is een statistisch onzinnige
uitspraak. Bedrijven die uitzonderlijk een fout maken, lopen veel minder
kans om tegen de lamp te lopen bij een praktijktest dan bedrijven die
systematisch discrimineren; bovendien is een praktijktest geen losstaand
instrument en zal een bedrijf dat ongewild discrimineert en hierop
wordt gewezen via een praktijktest, de kans hebben om die fout te
herstellen. In die zin is een praktijktest niet anders dan enig ander
kwaliteitscontrole-instrument.

Olivia Rutazibwa: Niet als praktijktesten een
systematisch intern en extern evaluatie-instrument zijn. Ze moeten
opgevat worden als een van de vele maatregelen die ondernomen worden –
niet altijd automatisch punitief – maar als een monitoring
instrument
van frequentie en graad van normalisatie van discriminatie en racisme in
een bedrijfscultuur.
 

Hakim Benichou is Politicoloog, antidiscriminatie activist en maakt deel uit van het platform #praktijktestennu

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!