Hoe het Investeerder-Staat Arbitragesysteem ons klimaat mee naar de haaien helpt

Hoe het Investeerder-Staat Arbitragesysteem ons klimaat mee naar de haaien helpt

dinsdag 28 april 2015 00:03
Spread the love




De Europese Unie onderhandelt met de Verenigde Staten het
Trans-Atlantisch Handels- en Investerings Akkoord (TTIP), en heeft in september
2014 de onderhandeling met Canada afgerond voor het Comprehensive Economic
Trade Agreement (CETA). Parallel onderhandelt de VS met elf andere landen rond
de Stille Oceaan het Trans Pacific Partnership (TPP).

Deze akkoorden zijn de
volgende stap in de uitbreiding van het systeem van geglobaliseerde
handel, zo enthousiast aangemoedigd door de staats- en regeringsleiders over de
hele wereld, maar door de bevolking alreeds verworpen, meest recent nog op 18 april 2015 met meer dan 743 betogingen wereldwijd en 3000 betogers hier in
Brussel. Het meest recente rapport van de International Panel on Climate Change
van de Verenigde Naties schreef ondertussen dat de CO2-emissies met 40-70%
moeten dalen onder de niveaus van 2010 om catastrofale impact op het milieu te
vermijden. Bovendien moeten landen in zeer vergaande mate hernieuwbare energie
implementeren en ontwikkelen. En laat dat nu net het probleem zijn.

Zet die ploat af!

Sinds enkele jaren trachten de voorstanders van de
ongebreidelde vrijhandel ons keer op keer, als een haperende elpee, ons wijs te
maken dat de liberalisering van handel zal bijdragen tot verlichting van de
klimaatcrisis. Ze wijzen met veel overtuiging steeds naar de relatieve emissie-reducties, voortvloeiend uit de liberalisering, die zullen helpen om
klimaat-vriendelijke technologieën te verspreiden, en door een technologische
kwalitatieve sprong ons zal toelaten om alle klimaat-miserie door te spoelen.
Het is misschien ook zo dat liberalisering kan bijdragen tot het delen van
kennis, en het opheffen van bepaalde barrières, maar desalniettemin wordt het
stilaan duidelijk dat, onder andere dankzij empirische studies, een globale
vrije markt bijdraagt tot de verdere vernietiging van het klimaat.

Zo zorgt de
uitbreiding van de globale markt, en het vergemakkelijken van transnationale
productieketens, voor een exponentiële stijging van CO2-emissies, met een
productie waarbij goederen ontleed worden tot bestanddelen ontwikkeld daar waar
de productiekosten het laagst liggen. Tegelijkertijd creëren ze een systeem van
transport dat ingaat tegen de principes van het klimaatbeleid, en een reële
bedreiging vormt voor ons collectief welzijn. De illusie van groei, waarop de
vrijhandelsakkoorden gebaseerd zijn en de daaraan verbonden vraag naar energie
en grondstoffen.  

Tussen 1992 en 2008 zijn er zo 1,2 gigaton CO2-emissies
verplaatst van de geïndustrialiseerde landen naar de ontwikkelende landen,
ongeveer viermaal de hoeveelheid emissies die in die periode verminderd zouden
zijn in de landen met een historische klimaatschuld. Deze verplaatsing, en de
ontwikkeling van een emissie-handel systeem zorgt er voor dat een geografische
shift de groeiende CO2-uitstoot verder in de hand werkt.  

De verplaatsing van emissies naar ontwikkelingslanden is
de voorbije dertig jaar een reëel onderdeel van het ontwikkelingsdiscours
geweest. De opbouw van het productieve apparaat en de industriële
onder-aanneming zijn in se niets meer dan het opleggen van een
globaliseringsdiscours. Het beleid dat buitenlandse investeringen als een dogma
promootte, richtte zich op het verwijderen van de limieten op de actieradius
van de bedrijven achter de investeringen. Het vigerende economische
denken leidde ertoe dat de meerderheid van de regeringen zich inschakelden in
het dogma van economische groei (en de daaraan verbonden politieke macht), vast
hangt aan het aantrekken van buitenlandse investeringen, zonder noodzakelijk
rekening te houden met de kosten die daaraan vasthangen. Dit heeft geleid tot
functioneren waarbij investeringen zo min mogelijk gereguleerd dienden te
worden, om zodoende de illusoire groei niet te fnuiken. 

Het in de hand werken van de belangen van het grote
kapitaal heeft geleid tot een situatie waarin vandaag de dag 41 van de 100
grootste economieën ter wereld bedrijven zijn. Door hun quasi-onuitputtelijke
financiële armslag slagen ze erin om de politieke besluitvorming te sturen, met
lidmaatschap van raden van bestuur, politieke overlegorganen, of het
uitgebreide lobby-apparaat. 

Van de 10 grootste bedrijven zijn er dan nog eens 8
actief in de gas- en oliewinning. Naast het uitoefenen van druk op het beleid
zoals hierboven aangegeven, zijn ze zodanig financieel krachtig dat ze erin
slagen om zowat alle reële besluitvorming en daadkrachtige beslissingen tegen
klimaatverandering tegen te houden. Voor hen gaat het tegelijkertijd ook om een
existentiële kwestie. De huidige reserves die deze bedrijven afficheren, en
waarmee zijn hun aandeelhouders overtuigen van hun winst-projecties, en waar
des gevolgens hun beurskoers van afhangt,  liggen vijfmaal hoger dan wat
onze atmosfeer aankan als we binnen de 2 °C marge willen blijven. Onze planeet
kan de geprojecteerde uitstoot van de fossiele brandstoffen alreeds niet meer
aan, maar desalniettemin dienen deze bedrijven nieuw onderzoek, en nieuwe
vondsten te blijven projecteren om aan de onstilbare honger van hun
aandeelhouders te voldoen. Dit apocalyptische doembeeld indachtig, is het
duidelijk dat deze grote transnationale bedrijven, met noch god noch meester,
verder zullen gaan en hun reserves aan de man blijven brengen

“It’s like a quiet, slow-moving coup d’état”[1]

Het is duidelijk dat regeringen onder enorme druk worden
gezet door bedrijven om de ontwikkeling van strengere klimaatmaatregelen tegen
te gaan. Hiervoor werken de transnationale entiteiten en hun lobby’s al jaren
aan de uitbouw van een internationaal systeem van economische regels dat er in
de eerste plaats toe dient om de verworvenheden van het grootkapitaal te
waarborgen. Een van de meest belangrijke elementen in het systeem zijn de
handels- en investeringsakkoorden die zonder democratisch platform of
participatieve legitimiteit opgelegd worden van bovenaf. De initiatieven van de
grote industriële associaties, en hun vertakkingen naar de politiek, worden
ondertussen ook ondersteund door geheimzinnige arbitragetribunalen die de
rechten van deze bedrijven onderschrijven. Het rechterlijke apparaat wordt zo
eveneens overrompeld door ad-hoc instituties gevuld met advocaten die werken
met als enige doel hun winstmarges te vergroten, maar die tegelijkertijd
zichzelf de macht hebben toegekend om beslissingen van regeringen te weerleggen
en de democratie een halt toe te roepen.  

Met bijna 3000 bilaterale en multilaterale handels-en
investeringsverdragen wordt de geglobaliseerde wereld sterker
verbonden dan ooit tevoren. Een belangrijk principe, ingebed in
deze akkoorden, is het recht dat bedrijven toelaat om juridische actie te
ondernemen tegen regeringen wanneer diens overheidsbeleid de winstkansen van de
bedrijven in het gedrang brengt. Zo gebeurt het dat onder huidige
investeringsregimes overheidsbeslissingen zoals het intrekken van
mijn-vergunningen en maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid door
bedrijven in twijfel worden getrokken, niet enkel op basis van wat ze al
geïnvesteerd hebben in het land, maar bovendien gebaseerd op wat ze potentieel
zouden kunnen verdienen in de toekomst, aan de hand van investeringen.

Een goed
voorbeeld van dit systeem vinden we terug in El Salvador, waar lokale gemeenschappen,
bezorgd omwille van de vervuiling van de lokale rivieren en waterlopen met
chemicaliën zoals het arseen gebruikt door de Canadese mijnbedrijf Pacific Rim,
actie hebben ondernomen. Lokale gemeenschappen, ondanks het gebruik van geweld
en intimidatie van groepen gelinkt aan het mijnbedrijf, slaagden er in om de
nationale regering onder druk te zetten om Pacific Rim te weerhouden om de mijn
te gebruiken. Deze overwinning betekende een enorme stap vooruit in het
ontwikkelen van een beleid voor duurzame waterhuishouding naar toekomstige
generaties binnen El Salvador.

Pacific Rim bleef evenwel niet bij de pakken zitten, en
argumenteerde dat het niet toekennen van een vergunning een duidelijke
schending was van de “eerlijke en rechtvaardige behandeling” waar het bedrijf
recht op had onder het Centraal Amerikaans Vrijhandels Akkoord (CAFTA). De
rechtszaak is hangende, en dit jaar wordt er een uitspraak verwacht over de
$315 miljoen die Pacific Rim eist voor gederfde winsten, wat ongeveer neerkomt
op 2% van het BBP van El Salvador. Ondanks het feit dat er nog geen uitspraak
is kost het de Salvadoraanse regering ondertussen al handenvol geld,
ondertussen meer dan $13 miljoen om zich te verdedigen.  Dit geld kan in
een land waar meer dan 40% van de bevolking onder de armoede grens leeft veel
nuttiger besteed worden. Het is tevens duidelijk dat als het ICSID tribunaal in
het voordeel beslist van Pacific Rim, dan worden publieke fondsen besteed aan
het financieren van een rijk Canadees mijnbedrijf en enkele exclusieve
corporate advocaten in plaats van aan onderwijs of gezondheidszorg 

Zoals aangegeven is de zaak in El Salvador maar een
voorbeeld van de vele honderden die er bestaan op dit moment. Waar we in 1990
maar met 26 zaken te maken hebben, werden er eind 2013 al 568 geregistreerd. In
2012 en 2013 werden er telkens meer dan 55 zaken gelanceerd.

Een drietrapsraket tegen het klimaat

Straks geef ik meer voorbeelden van hoe
Investeerder-Staat arbitrage democratische besluitvorming op de helling zet. Maar
om de concrete impact van TTIP, CETA, TPP en andere vrijhandelsakkoorden op het
klimaat te illustreren is het belangrijk om volledig te zijn. Om aan te tonen
dat de EU hiermee regelrecht ingaat tegen de doelstellingen die de Unie zich
heeft vooropgesteld in de strijd tegen de klimaatverandering worden drie
elementen uitgelicht.

De voorziene deregulering van de transcontinentale
handel, zoals die wordt aangemoedigd door de vrijhandelsakkoorden die op dit
moment onderhandeld worden, zal op ontegensprekelijke wijze een negatieve
invloed hebben op de CO2-emissies. De ‘Impact Assessment Report” die de EU
Commissie heeft laten uitgevoerd. John Hillary, auteur van het belangrijke
document The TransAtlantic Trade and Investment Partnership – A Charter for deregulation,
an attack on jobs and an end to democracy 
[1]
verwoordt het als volgt:

“In respect of greenhouse gas
emissions, the Commission states that its preferred outcome from TTIP will ad
dan extra 11 million metric tons of CO2 to the atmosphere”.

Deze massale bijkomende uitstoot gaat lijnrecht in tegen
de verbintenissen die de EU is aangegaan in de context van het Kyoto Protocol.
De zoektocht naar de liberalisering van de extractieve industrieën, zoals die
van de beruchte “tar sands” (teer zand of bitumen in het Nederlands), steenkool
en schaliegas, en de daaraan verbonden eliminatie van beschermende regelgeving
zullen bovendien leiden tot een exponentiële groei van de CO2-uitstoot. Susan
George van het Transnational Institute, en een van de vele uitgesproken
tegenstanders van de ongebreidelde vrijhandel stelde het recent nog onverbloemd
als volgt :

“TTIP promoot de ongelimiteerde toegang
tot natuurlijke grondstoffen”.

Het opheffen van het verbod op de export van natuurlijke
grondstoffen afkomstig uit de VS, een van de belangrijkste onderhandelingseisen
van Europa, en grotendeels afkomstig uit fracking, zorgt voor de reële kans dat
de productie in de VS zal stijgen met 4,4 miljard metrische ton CO2 tussen
2015 en 2050.[2]
Door middel van ideologische argumenten wordt sterke druk uitgeoefend om dit
verbod op te heffen, ondersteund door de geo-strategen in Europa die de huidige
energie-onzekerheid (verbonden aan de angst voor Rusland) aangrijpen als een
valabel element. De bijkomende uitstoot afkomstig van de export van schaliegas
uit de VS naar de EU zal bovendien op twee manieren een negatief effect hebben
op het klimaat. Er komen namelijk extra emissies vrij wanneer methaangas ontsnapt
tijdens het extractieproces, mede in de hand gewerkt door zeer gebrekkige
regelgeving in de VS. Bovendien is de gaswinning zeer energie-intensief, en
dus CO2-intensief, wat ingaat tegen het nut van de extractie.

TTIP- en CETA-akkoorden zullen eveneens de deregulering
van teerzand olie (of bitumen in het Nederlands) vergemakkelijken uit de het
Athabascagebied in Alberta, Canada. Dit zou een enorme boost geven aan de
grote oliebedrijven om heftig te investeren in de uitbreiding van deze
olievelden, en het transport naar de Atlantische Oceaan en de Golf van Mexico. Denk maar aan de Keystone Pipeline waar op dit moment in de VS een hevige
politieke strijd rond woedt. De uitbreiding van deze velden zou vernietigend
zijn voor het lokale milieu, maar bovendien, zo wordt berekend, zou het leiden
tot een aangroei van meer dan 700 miljoen metrische ton CO2 per jaar tegen 2035
met een verdrievoudiging van de olieproductie van 1,5 miljoen tot 4,5 miljoen
vaten per dag tegen 2035. Oil Change International, een Amerikaanse NGO, heeft
berekeningen gemaakt over de waanzinnige hoeveelheden CO2-emissies die de
uitbreiding van deze velden met zich mee zal brengen.

Dat zijn de praktijk en de concrete gevolgen voor de CO2-uitstoot. Er zijn evenwel nog twee centrale elementen in het zog van
de vrijhandelsakkoorden die de democratische en parlementaire
mechanismes tegenhouden om CO2-emissies te beperken. Waar klimaatwetgeving,
op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau kan bijdragen tot
incrementele stappen die de globale strijd tegen klimaatverandering
ondersteunen, is er van de kant van de machtige industriële lobby’s een
sterke tegenreactie op gang gekomen. Door het ontwikkelen van
investeringsclausules in internationale akkoorden, en het definiëren van
beschermingsmaatregelen als barrières tegen handel en investering zijn grote
bedrijven erin geslaagd om nationale wetgevingen te ondergraven, en bovendien
nationale regeringen aansprakelijk te maken voor beslissingen genomen ter
bescherming van haar burgers. Als kers op de taart zouden belastingbetalers
financieel aansprakelijk gesteld kunnen worden voor genomen beslissingen, na
veroordelingen door schimmige tribunalen.

De twee centrale elementen zijn de volgende:

– Het gebruik van Investeerder Staat Arbitrage als stok
tussen de deur voor de ontwikkeling van nieuwe wetgeving en de daaraan
verbonden reglementerings huiver, of regulatory
chill

– In het bijzonder bij de ontwikkeling van TTIP wordt er een
raad voor regelgevende samenwerking de zogenaamde regulatory co-operation council  ontwikkeld die op schimmige wijze de
ontwikkeling van klimaatwetgeving kan hinderen.

Investeerder-Staat Arbitrage en
de Regulatory Chill

Investeerder-Staat Arbitrage tribunalen – zoals er
ondertussen opgericht zijn binnen de context van de Wereld Bank Group (ICSID –
International Centre for Settlement of Investment Disputes), of ad hoc, volgens de regels vastgelegd
door UNCITRAL (Verenigde Naties Commissie voor Internationaal Handels Recht) –
komen voort uit een overtuiging dat de nationale juridische macht geen
onafhankelijke arbiter kan zijn in handelsconflicten. Dit heeft ervoor gezorgd
dat arbitragehoven de
rechterlijke macht van zowel nationale als internationale rechtbanken naar ad-hoctribunalen verschuiven, waar de zetelende arbiters gedreven door
winstoogmerk, een nieuwe vorm van cynische onafhankelijkheid propageren. Het
arbitragesysteem, uiteindelijk een relatief nieuw gegeven, heeft bovendien geen
juridische grondslag die deze verschuiving van rechterlijke macht kan
legitimeren. Een kleine groep individuen fluctueren tussen hun rol als arbiter
naar die van juridisch adviseur voor private klanten afhankelijk van de
rechtszaak en slagen er zo in om hun onpartijdigheid continu op het spel te
zetten. De procedures en machten die bovendien aan deze arbitrage mechanismen
worden toebedeeld, schieten ruim te kort wat betreft juridische
onafhankelijkheid en het recht op een eerlijk proces.  

De macht van deze arbiters is bovendien zodanig
uitgebreid dat ze de volledige juridische grenzen van de soevereine staat
kunnen bepalen, en zodoende de wetgevende, uitvoerende of rechterlijke macht
van een onafhankelijke staat kunnen beknotten, gebaseerd op de onduidelijke en
vage verwoordingen die in investeringsakkoorden staan opgetekend. De
arbitrageprocedures kunnen zodoende leiden tot potentieel gigantische schadeclaims
voor Staten, of de annulering van een veroordeling voor een Investeerder zoals
we zullen zien in het volgende voorbeeld.  

De zaak Chevron vs. Ecuador 

Onder de naam Texaco (later
opgekocht door Chevron), en dochterbedrijf Gulf Oil was Chevron tussen 1964 en
1992 in Ecuador aanwezig in het Lago Agrio olieveld. De oliewinning in die
regio draaide uit op een ecologisch en menselijk drama, en toverde het gebied
om tot een no-gozone, voor hen die het geluk hebben om er niet te wonen. Chevron
wordt verantwoordelijk geacht voor het lozen van meer dan 60 miljard liter
afvalwater in rivieren en waterwegen ( vol met arsenicum, kwik en lood …) en in
meer dan 1.000 afvalputten. Ondanks het feit dat Chevron na het afsluiten van
een akkoord met de toenmalige regering van Ecuador zichzelf probeerde vrij te
stellen van verdere verantwoordelijkheid en zo indirect overging tot
schuldbekentenis werd gevonden dat in 85% van de sites die zogenaamd
opgekuist waren er nog steeds grootschalige vervuiling te vinden was. [3] 



Chevron’s nalatenschap

Een coalitie van lokale boeren
en vertegenwoordigers van de inheemse stammen uit het gebied organiseerden
zich, en spanden uit naam van de betrokken bevolking de rechtszaak aan in de
V.S. om gerechtigheid te verkrijgen, en vergoeding voor de rampzalige
olievervuiling in het Amazonewoud. De rechtszaak werd aanhangig gemaakt in New
York omdat Chevron zich op dat moment reeds had teruggetrokken uit Ecuador. Na
meer dan een decennium procederen lijkt het erop dat er in 2002 een juryuitspraak
komt. Op het laatste moment beslist Chevron evenwel om te onderhandelen met de
aanklager en de rechtbank om de rechtszaak naar Ecuador te verplaatsen op basis
van de redenering dat ze enkel daar een “een eerlijk en rechtvaardige
behandeling  kunnen krijgen”. De
toenmalige regering in Ecuador was nog steeds pro oliewinning, en volgens Steve
Donziger, advocaat van de burgerpartij, zat effectief het merendeel van de
regering (en rechterlijk apparaat) in de zak van Chevron. Uiteindelijk wordt er
een akkoord gevonden, en de transfer van bevoegdheid komt er nadat Chevron zich
schriftelijk verbond tot naleving van de finale beslissing van het hoogste
gerechtshof in Ecuador. Ponce Martinez, de advocaat voor Chevron in Ecuador
gedurende drie decennia had het nog zo verwoord: 

“In my opinion, based upon my  knowledge and expertise, the Ecuadorian
courts provide a totally adequate forum in which these plaintiffs fairly could
pursue their claims.” 

In 2011, na 8 jaar procederen
en 220 000 bladzijden bewijsmateriaal, veroordeelt de rechtbank Chevron tot $19 miljard schadevergoeding
om de milieuschade te herstellen. Bovendien wordt er informatie naar voor
gebracht die aangeeft dat er alreeds meer dan 1.400 kanker-gerelateerde doden
gevallen zijn door olievervuiling en
continue blootstelling aan olie-derivaten. In 2012 wordt de beslissing in door
het Hof van Beroep bevestigd maar gecorrigeerd tot $9,5 miljard. Ecuador had
evenwel in 2006 een politieke aardverschuiving meegemaakt, en door de
verkiezing van Rafael Correa tot president had Chevron alreeds geanticipeerd op
een gerechtelijke beslissing die tegen hun belangen ingaat. Chevron laat dan ook niet na om politieke lobbying praktijken te beginnen toepassen. In april 2007 vraagt Chevron CEO David O’Reilly aan de Ondersecretaris voor
Politieke Zaken voor Latijns-Amerika of er een manier is hoe de V.S. Chevron
kan helpen. Zo probeert Chevron het economisch handelsbeleid van de V.S. inschakelen
om druk te zetten op de regering in Ecuador in de context van het Andes Vrijhandelsakkoord. De technieken om
verantwoordelijkheid te ontsnappen gaan ver. Chevron wordt verantwoordelijk
geacht voor 3,52% van de totale globale CO2-emissies sinds 1951, maar is
tegelijkertijd aanwezig, en geregistreerd als een officiële adviseur van de VS,
en duwt actief mee voor ISA in TTIP.  

Ondanks de verbintenissen die
Chevron had aangegaan met de rechtbank in New York, had het oliebedrijf alreeds
alle activa uit Ecuador verhuisd. De grote bazen van Chevron gingen zelfs zo
ver om publiekelijk te verklaren dat ze nooit zouden betalen: “We are not
paying and we’re going to fight this for years if not decades into the future
.” Het bedrijf publiceerde het volgende
persbericht, met de belofte van een“lifetime of litigation” als ze
verderzetten:

“Chevron’s General Counsel
said he expected to lose the case, but vowed that Chevron would “fight until
hell freezes over and then skate it out on the ice
.”  

Ook al verloor Chevron de
rechtszaak in Ecuador op basis van argumenten en bewijslast, als een van de
rijkste bedrijven ter wereld, met inkomsten van boven de $210 miljard in 2014
(in het jaar voor de uitspraak haalden ze meer dan $240 miljard binnen), probeerde het om
haar verantwoordelijkheid te ontwijken door middel van een Investeerder-Staat
arbitrageprocedure. Op deze wijze zocht het bedrijf ervoor om de slachtoffers
van de vervuiling te laten opdraaien voor de opkuis van hun gronden.  

De arbitragezaak aan die
Chevron aanspande werd aanhangig gemaakt via het V.S.- Ecuador Bilateraal
investeringsakkoord (BIT). Het akkoord laat investeerders toe om financiële
schadevergoeding te eisen van de Staat, als ze bewijzen kunnen voorleggen van
“oneerlijke behandeling” of “onteigening”. Chevron maakte gebruik van het
verdrag om zichzelf te vrijwaren van aansprakelijkheid in een private
rechtszaak. Chevron stelde dat Ecuador door het aanspannen van de rechtszaak de
activiteiten van het bedrijf in het gedrang bracht! Ondanks het feit dat de BIT
pas in voege trad in 1997, vijf jaar nadat Texaco/Chevron de installaties in
Ecuador verliet, besloot het arbitragetribunaal dat de regering van Ecuador de
nationale rechtsprocedure stop diende te zetten totdat het investeerder-staat
arbitrage tribunaal een beslissing had genomen

Deze absurde verklaringen gaan
lijnrecht in tegen de constitutionele scheiding der machten, en een
indrukwekkende lijst van internationale verplichtingen. Het arbitrage tribunaal
besloot finaal dat Chevron geen fout had begaan en verwees de veroordeling van
de nationale rechtbank naar de prullenbak. Ondanks het feit dat er nog
verscheidene annexen aan de zaak zijn, is de belangrijkste conclusie dat,
ondanks een principieel akkoord van Chevron om te voldoen aan de voorwaarden en
de eisen van de veroordeling, werden die gebroken en omgekeerd tegen de eisende
staat. Chevron had bovendien 14 getuigenissen ingediend die de eerlijkheid en
rechtszekerheid van de nationale rechtbanken in Ecuador bevestigde. Bovendien
werd er een brief ondertekend van de toenmalige Ambassadeur van Ecuador bij de
V.S., een voormalig advocaat voor Chevron trouwens, die de rechtszaak naar
Ecuador toe stuurde.   

Hoewel de ISA-rechtszaak van
Chevron als enige doel heeft om de aansprakelijkheid in Ecuador te vermijden, is
het heel frappant om te merken hoe deze internationale arbitragehoven
gemanipuleerd kunnen worden. De Chevron vs. Ecuador-casus laat ons dan ook heel
duidelijk toe om te zien in welke verschrikkelijke richting internationale
arbitrage kan verglijden en wat voor immuniteit zonder precedenten er aan de
transnationale bedrijven gegeven wordt. Een succesvolle mensenrechten of
commerciële claim tegen een Transnationaal bedrijf kan zo in een nationale
rechtbank (met goedkeuring van de tegenpartij) geannuleerd worden door een
privaat tribunaal van arbiters, waar de oorspronkelijke aanklager niet meer
gehoord wordt, en de zaak dus niet ten gronde wordt behandeld. Bovendien
bestaat er geen beroepsmaatregel meer. De claim van Chevron is gestoeld op de
allusie dat het rechtssysteem in Ecuador niet functioneert, en dat Chevron dus
geen kans maakt op een eerlijk proces. Wat uiteraard tegengesproken wordt door
hun beweegredenen in 2003… Het is absurd. 

Chevron gebruikte zo een
rechtszaak gestoeld op ecologische en humanitaire gronden om om te draaien naar
een beperking en een aanval op haar commerciële rechten. Miljarden liters
toxisch afval nemen niet weg dat Chevron het lef heeft om te stellen dat de
rechten als investeerder primeren boven de nationale rechtsspraak, en de
rechten die inheemse bevolkingen hebben (onder andere volgens conventies van de
VN, ILO, UNESCO, etc… ) om de integriteit en hun traditionele leefwijzen te
beschermen. De beslissing van de rechtbanken in Ecuador was een overwinning
voor de civiele maatschappij in hun strijd tegen misbruik en de afbraak van hun
leefomgeving. Het toonde aan dat nationale rechtbanken progressieve maatregelen
konden instellen tegen de macht van het grootkapitaal, en de stem van het volk
gehoord werd. Door de ISA, is dit tenietgedaan.  

Explosieve
groei investeringsakkoorden 

Door de explosieve groei van investeringsakkoorden en de
installatie van investeerder-Staat arbitrage tribunalen worden er ondertussen
zowat 20% van alle investeringsstromen door akkoorden behandeld. De
onderhandelingen van CETA, TTIP en TPP indachtig zouden deze akkoorden tot 80%
van alle investeringsstromen kunnen in rekening nemen. Dit zou leiden tot de
ontwikkeling van een afdwingingssysteem dat sterker is dan dat van nationale of
internationale rechtbanken.  

Met een gemiddelde kostprijs van de ISA-zaak rond de $8
miljoen, en niet zelden tegen de $30 miljoen, geven ISA de arbiters hebben de
discretionaire macht om te beslissen of een zaak al dan niet juridische grond
heeft om bestudeerd te worden. Advocaten die zich hierover uitspreken, zijn dezelfde die in gelijkaardige zaken
dienen te pleiten of die collega’s hebben in een kantoor die rond dezelfde zaak
werken. Het draait hier in dit kleine wereldje werkelijk om een ons-kent-ons-systeem, maar wel een waarbij de gezondheid en welzijn van grote delen van de
wereldbevolking op de helling gezet worden.  

Er is geen juridische grond die objectief kan
illustreren waarom nationale rechtbanken niet geplaatst zouden zijn om te
oordelen over handelsgeschillen tussen landen zoals Canada, VS of de EU. Alles
wijst erop dat de opname van ISA niets meer is dan het voorzien van absurde
privileges voor investeerders, privileges die veel verder gaan dan die voor
andere leden van de maatschappij of de economie. Het betreft hier met andere
woorden het toebedelen van een speciale status aan de de facto grootste bedrijven ter wereld. Dit zal hun dan een
comparatief voordeel opleveren in
vergelijking met het publieke belang en tegelijkertijd oneerlijke concurrentie betekenen
voor kleine en middelgrote bedrijven die minder kapitaalkrachtig zijn, en
zodoende zulke rechtszaken niet kunnen aangaan.  

Ontbrekende
institutionele beschermingsmaatregelen  

Bij arbitrageprocessen gevoerd voor een ISA-hof ontbreekt
het principe van procedurele eerlijkheid. Het is namelijk zo dat bij
ISA enkel de positie van de regering die ter verantwoording wordt geroepen
vertegenwoordigd wordt, samen met die van de buitenlandse investeerder. ISA’s
laten op die wijze niet toe dat de posities van andere betrokkenen gehoord
worden. Regionale overheden, lokale investeerders, minderheden of inheemse
bevolkingen, een onafhankelijk rechtspersoon die een juridische, economische of
ander belang heeft in de uitkomst van de zaak, komen niet aan het woord. Deze
instantie of persoon zal enkel nog maar zijn of haar mening kunnen overbrengen
door middel van een geschreven submissie, die behandeld wordt op discretie van
het hof. ISA laat dus niet toe dat er een eerlijke vertegenwoordiging is van
die belangen.  

Zoals aangegeven werkt het ISA via een systeem met
een winstoogmerk. Traditionele waarden ter waarborg van de
onafhankelijkheid  in het juridische
systeem worden veronachtzaamd. Zo is er geen vaste benoeming en zijn de arbiters
in deze zaken niet meer of minder dan advocaten die tijdelijk zijn aangesteld.
Erelonen worden niet uitgekeerd los van de resultaten van de arbitrage en
parallel juridisch werk door de arbiters wordt niet uitgesloten, wat kan leiden
tot belangenvermenging. Bovendien is er geen objectieve methode ontwikkeld die
onpartijdig zaken uitbesteedt. Dit gaat regelrecht in tegen de rechterlijke
principes van een eerlijk proces, en bovendien worden belangenconflicten
aangemoedigd.

In het ISA-model dat vooropgesteld is binnen CETA en TTIP
wordt de beslissingsmacht toegeschreven aan een uitvoerend persoon die beslist
wie er in een welbepaalde zaak arbiter wordt. In dit geval gaat die macht naar
de Secretaris Generaal van ICSID, een deel van de Wereld Bank Groep, en in het
geval van een annulering naar de president van de Wereldbank. Beide posities
zijn nauw verbonden aan de administraties van de V.S., met o.a. drie voormalige viceministers voor Defensie die de post hebben opgenomen. [4] Het lijkt er dan ook op dat het TTIP in weinig
verbloemde beslissingen probeert om conflicten in een pro-VS forum te
kanaliseren. Bovendien hebben 15 arbiters, uit ofwel de EU, de VS of Canada, de
uitspraken geleverd in 55% van alle conflicten gebaseerd op
investeringsakkoorden. In 2011 waren er bijvoorbeeld drie internationale
bedrijven verantwoordelijk voor 130 investeringsakkoord-zaken. [5]

In die zin worden de soevereine democratische rechten van
de Staten om wetten te ontwikkelen, het zogenaamde “right to regulate”, serieus onder druk gezet, en de
Investeerder-Staat Arbitrage (ISA) mechanismen zijn hier de exponent van. Waar
de exploitatie van natuurlijke grondstoffen ingaat tegen de sociale belangen
heeft het gebruik van Investeerder-Staat arbitrage in het verleden ons geleerd
dat meer dan 60% van alle rechtszaken betrekking had tot wetgeving die
hinderlijk gevonden werd door het bedrijf.

De uitbreiding van het Investeerder-Staat arbitragesysteem heeft ertoe geleid dat niet enkel openbare fondsen opgesoupeerd worden
om de belangen van enorme transnationale bedrijven en hun internationale
aandeelhouders te vrijwaren maar bovenal, en veel beangstigender, erin slagen
om de bereidwilligheid van regeringen om actie te ondernemen ter verdediging
van de belangen van hun burgers, door het instellen van nieuwe regelgeving of
wetten, uit vrees voorde hoge kostprijs van internationale arbitrage zaken. Zo
slaagt het systeem er  in om regeringen te doen dansen naar hun corporate belangen, en de beleidsagenda
zodanig naar hun hand te zetten.

Zo is er het recente geval van de Zuid-Koreaanse
regering, die plannen had om een C02-verminderingssysteem door te voeren in de
auto-industrie als onderdeel van een overheidsbeleid dat er zich op richtte om
de broeikasgassen sterk in te perken, in overeenstemming met de internationaal
aangegane beloftes. De stappen van de regering werden evenwel op de lange baan
geschoven uit vrees dat een provisie van het VS-Zuid-Korea Vrijhandelsakkoord
hierdoor in het gedrang zou komen. De EU, en haar sterke autolobby had ook al
te kennen gegeven dat het recente EU-Zuid Korea FTA grond zou geven om deze wet
aan te vechten. Omwille van deze internationale druk, gedreven door het grote
kapitaal, koos de regering eieren voor haar geld, en waagde ze zich er niet aan
om de wet door te voeren. Uit vrees voor deze internationale zaken wordt de
bereidwilligheid van regeringen getest om beslissingen te nemen die in het
belang zijn voor hun bevolking, en worden de doelstellingen die door de V.N. in
het kader van duurzame ontwikkeling, klimaatverandering, en millenniumdoelstellingen
naar voor worden geschoven, naar de achtergrond geschoven ten voordele van de
belangen van aandeelhouders.

De Regulatory Cooperation Council

De ontwikkeling van een raad, een zogeheten Regulatory
Cooperation Council staat hoog op de onderhandelingsagenda binnen het kader van
het TTIP. Zo’n raad van vertegenwoordigers van “big business” zou op
Trans-Atlantische basis samenwerken, zonder democratische controle, met
suggesties ter uitdieping van de reglementaire samenwerking. De facto zou dit
de institutionalisering van lobbygroepen binnen in het kader van het “levende”
vrijhandelsakkoord betekenen, en dus de vertaling van hun belangen kunnen zijn
in de dagelijkse uitwerking van een vrijhandelsakkoord. Aangezien deze Raad
wordt ingepast als raadgevend orgaan, ziet het ernaar uit dat het zonder
overzicht nieuwe wetsvoorstellen zou kunnen afschieten alvorens deze concreet
uitgewerkt zijn, of zouden bepaalde clausules, geïncorporeerd ter bescherming
van de volksgezondheid of arbeidsvoorwaarden, of ter ondersteuning van
internationale verbintenissen van de EU, gefilterd kunnen worden. Het betreft
hier de inclusie van de overtreffende stap van lobbying. Het is het de facto
betrekken van multinationale bedrijven en hun sectoriële vertegenwoordigers in
het opstellen van onze milieuwetgeving.

Bovendien laten onze regeringen het na om te erkennen dat
de onderhandelingen in TTIP en CETA alreeds onze capaciteiten om de klimaat
verandering tegen te gaan hebben beïnvloed. Als voorbeeld in de klimaatcontext,
en als perfecte illustratie voor de regulatory
chill
verwijs ik naar de Fuel Quality Directive (FQD), een belangrijk
document dat de toekomst van de klimaat wetgeving binnen de EU mee richting had
moeten geven.

De FQD is tijdens de onderhandelingen met CETA en TTIP
door de EU beperkt. De FQD had tot doel de vermindering van de grootste CO2-uitstoot binnen de EU, door middel van een beperking van de transport emissies,
die 31% van de totale EU-uitstoot betekenen. Het uiteindelijke doel was een
reële vermindering van de EU-uitstoot met 6% tegen 2020. (Transport staat zo ongeveer
voor 31% van de EU-uitstoot). De argumentering hierachter was dat de FQD een
vorm van discriminatie met zich meebracht omwille van het feit dat teerzand of
bitumen wordt beschouwd als meest vervuilend, en omwille van het feit dat
Canada op dit moment grotendeels zich focust op de export van bitumen, zou dit
de Canadese positie te sterk kunnen benadelen. Meer recent heeft de VS
onderhandelaar de FQD tevens aangevallen en heeft ie duidelijk laten blijken
dat de FQD nadelig was voor de raffinaderijen die werken met bitumen, en dat de
VS het niet zou nalaten om een zaak aanhangig te maken bij de WTO  Het probleem is uiteraard dat het woord
“discriminatie” door ISDS en de vrijhandelsakkoorden geaccapareerd is.
Discriminatie in dit geval betekent klimaatverandering prioriteit verlenen
tegenover handel en investeringen. Bij deze is het dan ook duidelijk dat de EU
als prioriteit niet de gezondheid van haar burgers voor ogen heeft als het
onderhandelt.

Conclusie

De TTIP-onderhandelingen vinden plaats in
een context waar de olie- en gasindustrie grote winsten hebben gemaakt in hun
capaciteit tot lobbyen. Gunter Oettinger, de voormalige Commissaris voor
Energie in de commissie-Barroso, onderstreepte regelmatig de nood tot de
revitalisering van de Europese groei, en de nood om uit de recessie te geraken
door middel van een innovatief energiebeleid. Bovendien, en dit is door de
nieuwe Commissaris, Miguel Arias Cañete, verdergezet, wordt energie
ingeschakeld in een geopolitieke visie waarbij we meer fossiele brandstoffen
dienen aan te boren om te kunnen strijden tegen de nieuwe BRICS-economieën. Op
deze wijze dient het milieu zich te schikken aan de geostrategische
spelletjes, en verdwijnt de levensbedreigende realiteit van de
klimaatverandering naar de achtergrond. Sinds het aantreden van de commissie-Juncker zijn trouwens actieve stappen gezet om het EU beleid dat onder andere
zich focuste op de ontwikkeling van de Fuel Quality Directive, daarover later
meer, richting uitdoving. Cañete, tot voor kort nog president van twee
oliewinning bedrijven, lijkt zelfs Klimaat geschrapt te hebben uit zijn
portefeuille.

Het gebruik van TTIP om handelsbarrières te verwijderen
en zo groei en jobs te stimuleren wordt herhaald en herhaald, zonder dat daar
op dit moment concrete bewijzen voor te vinden zijn, zoals wordt gestaafd in de
laatste studie van Jeronim Capaldo. Waar we op dit moment evenwel zeker van
zijn, is dat er dringende actie ondernomen moet worden om nog een kans te maken
om klimaatverandering een halt toe te roepen

De inclusie van de Investeerder-Staat arbitrage systemen
en de “harmonisering” of coördinatie van de regelgeving binnen de CETA en TTIP
is een reële bedreiging voor de ontwikkeling van de klimaatwetgeving. Het
gebruik van investeerder-staat arbitrage is de stok achter de deur die het
transnationale kapitaal, in zijn onstilbare honger naar groeiende winsten, goedkeuring
van aandeelhouders, en het ongebreideld uitpersen van de planeet en haar
grondstoffen heeft ontwikkeld.

Via ISA’s zullen verongelijkte multinationals nationale
gerechtshoven en juridische procedures kunnen omzeilen. Zo zullen landen onder
druk gezet worden door de dreiging van schadeclaims van miljoenen en miljarden,
maar tevens tot het neutraliseren van nieuwe wetgevingen uit vrees voor de
enorme kostprijs verbonden aan die rechtszaken. Het eenzijdige functioneren van
het systeem zorgt voor een onevenwicht waar buitenlandse investeerders het
recht hebben verkregen om regeringen te vervolgen. Dit bevestigt de harde
concentratie op winst, en kapitaalmaximalisatie en het verloochenen van
waardigheid en mensenrechten. Bovendien is de inclusie van een winstoogmerk in
de context van arbitrage niet meer geweest dan financiële aanmoedigingen voor
bedrijfs-advocaten die minimale rekenschap afleggen. Er wordt dus zo een
systeem op poten gezet waar er extreme vrijheid geschonken wordt aan drie
private personen die zowel nationale wetgeving als soevereine grondwetten
volledig negeren.

Het afsluiten van CETA, TTIP en andere megalomane
vrijhandelsakkoorden, met Investeerder-Staat Arbitrage tribunalen betekent een
reële bedreiging voor onze capaciteit om klimaatverandering serieus te nemen
en te ageren. Zolang de macht van de grote multinationals en de bedrijven
actief in de olie- en gasindustrie blijft stijgen, zullen de topontmoetingen
in het kader van de VN, en de beloftes die aldaar gemaakt worden, even hol
blijven klinken. Als de obstructie van klimaatwetgeving en globale klimaat
akkoorden geïnstitutionaliseerd wordt is er eigenlijk sprake van een soort “lock-in
van de belangen van de krachtige olie-industrie. De uitbreiding van
destructieve, vervuilende en onconventionele extractiemethodes zoals die van
bitumen en schaliegas zullen de hoeveelheid emissies exponentieel doen stijgen,
en zodoende meer druk zetten op onze klimaat verplichtingen.

Het gaat hier over een existentiële strijd waarbij we moeten
beslissen of de belangen van een kleine financiële elite, vaak uit de extractieve
industrie, steeds gaat laten voorgaan op de noodzaak tot de uitbreiding van
klimaatwetgeving. Gaan we toelaten dat klimaatwetgeving gelabeld gaat kunnen
worden als een handelsbelemmering? Of gaan we eindelijk beslissen om het te
zien zoals het is: een noodzaak?


[1] John Hilary, Rosa
Luxemburg Stiftung – War on Want 2015 Update: http://www.waronwant.org/attachments/TTIP%20booklet%20for%20RLS,%202015%20update.pdf

[2] Per jaar produceert
de planeet op dit moment ongeveer 10 miljard metrische ton. 

[3] Zie ook The Chevron Tapes: Oil
Giant’s Corruption & Toxic Pollution Exposed in the Amazon Rainforest
(VICE
8 April 2015) 

[4] John McCloy, assistent-secretaris van Oorlog tijdens de Tweede Wereldoorlog; Robert
McNamara, V.S. minister van Defensie tijdens de Cubacrisis; en Paul Wolfowitz, viceminister van Defensie onder George W. Bush en de War on Terror. Tevens Robert Zoellick, viceminister voor Buitenlandse Zaken en vijf voormalige
bankdirecteurs, o.a. die van Chase, JP Morgan, First Boston, Bank of
America,  hebben het voorzitterschap van
de Wereldbank Groep gehad.

[5] Freshfields
(VK), White & Case (VS) en King & Spalding (VS)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!