"President Bouterse" by Pieter Van Maele (Wikimedia Commons)
Boekrecensie -

Messias of demagoog? Twee Bouterse-biografieën

In de Belgische pers bestaat Suriname pas, wanneer een voor drugshandel veroordeelde inwoner president wordt en dat op 25 mei van dit jaar opnieuw kan worden. Wie is toch die Desi Bouterse? Dat proberen journaliste Nina Jurna en historicus Pepijn Reeser elk op hun eigen manier te doorgronden. Twee zeer verschillende biografieën over de meest omstreden figuur van een land, dat precies veertig jaar onafhankelijk is.

donderdag 2 april 2015 11:36

Domburg, een stil dorpje aan de Surinamerivier 25 kilometer ten
zuiden van Paramaribo. Daar werd op 13 oktober 1945 Desi Delano Bouterse
geboren. Hij was een moksi, een
volksjongen van gemengd bloed: Creools met indiaanse roots. Desi werd in
Suriname gevormd door de Tilburgse fraters van het Bonifaciuscollege in
Paramaribo. In 1968 vertrekt hij naar Nederland waar hij zijn militaire
dienstplicht vervult. Nadat zijn dienst erop zit, meldt hij zich aan bij de
Koninklijke Militaire School in Weert. Daar wordt hij onderofficier. Bouterse
blijkt een uitstekende sporter en wordt gekozen tot leider van het basketbal-
en voetbalteam. In die periode schopt hij het tot sportinstructeur. In 1970
trouwt
hij met Ingrid Figueira die hij als tiener al kende.
Uit dit huwelijk worden twee kinderen geboren: Peggy en Dino.

In november 1975 keert Desi terug naar Suriname, dat kort daarop
onafhankelijk wordt. Hij had ‘een koffer vol initiatieven’ bij zich, zoals de
meesten van zijn collega’s die het nieuwe Suriname wilden helpen opbouwen. Na de
onafhankelijkheid liep het met het land in hoog tempo mis. Wanbeleid,
corruptie, nepotisme, verkwisting van een verleidelijke geldpot van 3,5 miljard
Nederlandse gulden, een machteloze regering en een Nationale Assemblee die in
de volksmond ‘circus stupido’ werd genoemd: ze vroegen om het uitschoppen van de ‘oude
schoenen’.

Vanaf 25 februari 1980 stelden de legerlaarzen van een aantal
sergeanten onder leiding van Desi Bouterse orde op zaken. De grondwet werd
opgeschort, het parlement buiten werking gesteld en politieke partijen werden
verboden. De militaire coup bracht een grondige wijziging teweeg van de
verhoudingen binnen de Surinaamse politieke arena. Kleine linkse partijen
sprongen in het politieke vacuüm en dreven Suriname even in Cubaans vaarwater.
Samen met de militairen wilden zij een revolutionair-nationalistisch
alternatief voor de ‘oude politiek’ uitwerken.

Het pakte anders uit. Zeker na die beruchte nacht van 8 december
1982 waarin vijftien vooraanstaande burgers, die oppositie voerden tegen het
militair regime, koelbloedig werden vermoord. Vanaf toen werd het regime
internationaal – en vooral door Nederland – volledig geïsoleerd. In 1985 hield
Bouterse het geflirt met Castro voor bekeken en sloot een akkoord met de
politici van de ‘oude orde’. Die ‘verbroedering’ tussen burgerpolitici en
militairen leidde in 1987 tot het herstel van de democratie. Er kwam een nieuwe
grondwet en er werden opnieuw algemene en vrije verkiezingen gehouden.

De Surinamers lieten hun afkeer van de militaire dictatuur blijken
en kozen massaal voor de ‘oude schoen’ van de traditionele partijen. De NDP, de
nieuwe partij van legerleider Bouterse, werd weliswaar weggestemd, maar Bouterse
vervelde van militair tot politicus en ondanks zijn dubieus verleden als
hoofdbeklaagde in een proces over de decembermoorden won hij met zijn partij
in 2010 de verkiezingen. Hij werd president, door uitbreiding van een
amnestiewet werd zijn aangebrand verleden schoongeveegd en de kans dat de
zeventigjarige Bouterse zichzelf nu zal kunnen opvolgen is groot.

Dat en nog veel meer verneem je in twee recente Bouterse-boeken,
door Nina Jurna en Pepijn Reeser. Het zijn biografieën en geen hagiografieën. Die bestaan er ook en
werden gemaakt door intimi die hem graag naar de mond praatten. Dat is zeker
niet het geval in deze nieuwe publicaties die zonder medewerking van Bouterse
tot stand kwamen. Alleen Jurna interviewde haar geportretteerde. Pepijn Reeser
probeerde het herhaaldelijk maar werd telkens diplomatisch wandelen gestuurd.

Desi, een Surinaamse realiteit

Een opportunist, een demagoog, een
machtswellusteling, een wolf in presidentskleren, een Latijns-Amerikaanse caudillo of een bekeerde drugshandelaar,
een verkondiger van Gods Bazuin en een Messias voor Suriname? Omstreden,
gehaat, verguisd, maar ook immens populair en geliefd. Hoe kan dat?

Dat
vraagt Nina Jurna zich af in Desi, een Surinaamse realiteit. Jurna,
Nederlandse van Surinaamse origine, werkte van 2000 tot 2010 als journaliste in
Suriname. Nu werkt ze in Rio de Janeiro voor enkele Nederlandse kranten. In
2007 schreef ze in de reeks ‘Van onze correspondent’ Standplaats Paramaribo
waaruit bleek dat zij, als een van de weinige Nederlandse journalisten,
Bouterse vaak heeft kunnen interviewen. Haar moment de gloire beleefde ze in 2005 toen ze voor RTL Nieuws
Bouterse op zijn landgoed in het zuiden van Suriname kon interviewen.




Er
is een volledig hoofdstuk ‘De jungle van Bouterse’ gewijd aan haar tocht naar Broko Baka die zij maakte in gezelschap
van een filmploeg. Uitgeverij Conserve heeft
die RTL-beelden ten behoeve van de lezer op DVD gezet. Wie Bouterse nooit life heeft bezig gezien moet deze
beelden zeker bekijken, want ze zeggen heel veel over de vele gezichten van de
man die in de film de rol speelt van een gewone indiaanse jongen die veel van
het tropisch woud houdt. Wie gebruikt wie? Je voelt dat Bouterse en niet RTL de
eigenlijke regisseur is van deze prent. Bouterse spreekt graag, zoals de meeste
Surinamers, maar laat het achterste van zijn tong niet zien. Ook aan Jurna niet
die dat wel een paar keer probeert tijdens haar bezoek met camera maar dan wordt
haar vraag door Bouterse eenvoudig gepareerd met: ‘Morgen gaan we praten en
vandaag gaan we wandelen’. Jurna besluit zelf: ‘Maar zoals altijd krijg je op
de vragen over de Decembermoorden nooit echt antwoord van Bouterse.’ (p. 32)

Charismatisch

Nina
Jurna houdt gemengde gevoelens over aan haar ontmoetingen met Bouterse. Vaak
hoorde en zag ze man bezig tijdens een berm
meeting
voor zijn publiek in het partijcentrum Ocer in Paramaribo. Volgens
haar had hij zeker een carrière als cabaretier of stand-upcomedian kunnen opbouwen. Ze biecht eerlijk op: ‘Ik heb
talloze bijeenkomsten meegemaakt waarbij je echt moeite moest doen om je lachen
in te houden. Een journalist, helemaal in dienst van een Nederlands medium, die
lacht om de grapjes van Bouterse zou een klein schandaal kunnen veroorzaken.’
(p. 21) Haar conclusie? ‘Hier ontwikkelde hij zich tot de charismatische
leider. Zonder dat de donkere kant van zijn verleden hem in de weg zat.’ (p.
22)

Zijn
politieke tegenstrever, ex-president Ronald Venetiaan van de NPS, had dat
charisma niet. Het stoffige beeld van de gesloten maar onbesproken man met de
schone handen sloeg bij de jeugd niet aan –
Suriname kent een zeer jonge bevolking – en
dat vertaalde zich in de verkiezingsuitslag.

In
twaalf hoofdstukken schetst Jurna niet alleen een portret van Desi Bouterse,
maar ook van de politieke context waarbinnen de man vanaf zijn komst naar
Suriname in 1975 een niet onbelangrijke protagonist is geworden. Zij doet dat
op een journalistiek uitstekende manier. Zij is als ik-figuur notoir aanwezig in
het verhaal. Jurna werpt zich in de eerste plaats op als de ooggetuige en
verslaggever die gedurende tien jaar van binnenuit de ingewikkelde Surinaamse
politiek heeft kunnen volgen.

Bol
van de tegenstellingen

Jurna’s
boek is geen omgevallen boekenkast met veel historische verwijzingen geworden.
Toch slaagt zij erin om ingewikkelde processen op een heldere manier in beeld
te krijgen. Dat doet zij onder meer in hoofdstuk 4 dat ‘Een avondje Suriname’
heet en waarin zij aan enkele Nederlanders die bij haar in Rio de Janeiro op
bezoek zijn, tracht uit te leggen hoe het mogelijk is dat de Surinamers voor
iemand als Bouterse hebben gestemd. Dat is inderdaad de vraag die outsiders, overwegend
Nederlanders dus, zich stellen.

Hoe
kunnen mensen die de dupe zijn geweest van militairen en een regime met
dictatoriale trekken waar mensen vermoord zijn, uiteindelijk democratisch
stemmen op de persoon die hiervoor verantwoordelijk wordt gehouden? Dat is ‘de
Surinaamse realiteit’ en die staat bol van de tegenstellingen, die ook aanwezig
zijn in de verschillende verschijningsvormen van een figuur als Desi Bouterse. Boeiend
is ook dat Jurna nu vanuit haar nieuwe standplaats Rio de Janeiro naar Suriname
kan kijken en dat doet ze in hoofdstuk 11 ‘I love Su’ door een aantal aspecten
van Brazilië en Suriname op het vlak van natievorming met elkaar te
vergelijken.

Op
de kleurencover van Jurna’s boek kijkt een oudere man niet onvriendelijk, maar
toch een beetje geheimzinnig in de lens, terwijl de zwart-witfoto op het boek
van Pepijn Reeser een veel jongere man in legeruniform laat zien die duidelijk
zorgen heeft. Twee keer Bouterse bekeken door twee verschillende biografen.

Desi Bouterse, een Surinaamse
tragedie

Het
lijvige boek van Pepijn Reeser is inderdaad anders. De jonge historicus was
conservator bij het Nationaal Historisch Museum en onderzoeker voor het
Surinaams Museum in Paramaribo. Hij benadert zijn object zoals de titel al
verraadt: Desi Bouterse, een
Surinaamse tragedie
. ‘Surinaams
omdat zijn persoonlijk verhaal niet los te zien is van dat van zijn land.
Tragedie omdat het gaat over gemiste kansen, verkeerde keuzes en ik me
tegelijkertijd afvraag in hoeverre het anders had kunnen verlopen.’ (p. 23)




Zoals
alle Nederlandse onderzoekers heeft Reeser af te rekenen met wat men in Suriname
‘blinde muren’ noemt. In tegenstelling tot Nina Jurna werd hij op zijn vraag
voor een interview altijd afgescheept door Bouterse en zijn entourage.
Persoonlijke vrienden en directe familieleden reageerden niet en wie wel wat
wilde zeggen, deed dat om veiligheidsredenen anoniem waardoor de waarde van het
getuigenis fel afzwakte en de kans op mythevorming groeide. Bovendien leert Reeser
de Surinamers kennen als sterk conflictvermijdend. ‘Ik krijg vaak sociaal
wenselijke antwoorden, iedereen doet zijn best om de kool en de geit te sparen,
harde uitspraken over anderen worden nooit gedaan.’ (p. 304)

Archiefrat

Reesers onderzoek zou dus noodgedwongen een biografie worden over maar zonder 
Bouterse. Om in beeld te brengen hoe Bouterse, the man we love to hate, zich vanaf 1980 uitsprak en gedroeg, zet hij zich als historicus aan het bestuderen van zoveel mogelijk toespraken, interviews, televisiefragmenten en literatuur. Zijn boek wordt een mix van
persoonlijke indrukken en observaties, bronmateriaal en meningen van anderen.
In die zin gaat hij verder dan Jurna, want hij verbindt de geschiedenis van
slavernij, immigratie en kolonialisme met de recente geschiedenis die vooral
door journalisten als Jurna werd beschreven.

De
laatste jaren is Reeser bijzonder actief geweest als ‘archiefrat’, zowel in
Suriname als in Europa om Desi Bouterse als product van het Nederlands
kolonialisme, maar ook als stoorzender in de verhouding Suriname-Nederland
scherper in beeld te krijgen. In de traditie van de beste biografen bespaart
Reeser zich moeite noch tijd om the coming at age van Bouterse te achterhalen. Dat doet hij uitstekend in het
eerste deel dat ‘Vorming’ heet waarvoor hij heel ver teruggaat in de stamboom
van de familie-Bouterse en uiteindelijk terechtkomt bij Jan Kole Bouterse in
het Zeeuws-Vlaanderen van het begin negentiende eeuw die via allerlei omwegen
in Suriname belandt en met een ex-slavin trouwt.

Tijdens
zijn zoektocht naar sporen van antecedenten duikt Reeser niet alleen Surinaamse
archieven in, maar ook Nederlandse en zelfs Franse, want in Bouterse stamboom is
ook een Franse avonturier aanwezig is die in het buurland Frans-Guyana
terechtkwam. Zo belandt hij uiteindelijk bij Henri Bouterse: ‘Zoon van een
verbannen Fransman en een creoolse vrouw, kleinzoon van een Zeeuw en een zwarte
slavin, trouwt dus met een indiaanse vrouw.’ (p. 73) Henri is de grootvader van
Desi, die er prat op gaat dat er in hem ook indiaans bloed aanwezig is. Door al
die familieverbanden te leggen in zijn historische excursies bewijst Reeser ten
overvloede dat Bouterse het product is van het Nederlands kolonialisme.

De
complexiteit van een figuur

Ondanks
al dat archiefwerk levert Reeser geen saai verhaal af. In de twaalf
hoofdstukken van ‘Vorming’ switcht hij voortdurend tussen de ruime historische
background en de Nederlandse militaire achtergrond van Bouterse in de periode
van 1968 tot 1975. In het tweede deel ‘Vormgever’ portretteert Reeser in acht
hoofdstukken Bouterse als respectievelijk revolutionair, dictator, opportunist,
godfather, bevelhebber, politicus,
verdachte en staatsman. Al die facetten komen in dat tweede deel uitvoerig en
op een zeer genuanceerde manier aan bod.

Bovendien
is Reeser erin geslaagd om een grote reeks van onbekende zwartfoto’s bij elkaar
te brengen die bij mijn weten nooit werden gepubliceerd. Ik denk dan
bijvoorbeeld aan de foto’s van een studentengroep sociale geografie van de Vrije Universiteit Amsterdam die in 1982 uniek beeldmateriaal hebben getrokken
over de sfeer in de ‘revolutionaire’ periode en aan een foto van journaliste Ranu
Abhelakh met Desi Bouterse en zijn zoon Dino –
intussen in de VS veroordeeld – in een
radiostudio. 

Reeser
beschrijft niet alleen de figuur Bouterse, hij denkt in zijn zoektocht ook
voortdurend na over de ambiguïteit die hij uitstraalt. Vooral dat aspect maakt
dit boek tot een uitschieter in de publicaties over Suriname. Hier is iemand
aanwezig die door zijn leeftijd meer afstand kan nemen en daardoor ook in staat
is de complexiteit van een figuur en een epoque ongehinderd en onbevooroordeeld
onder woorden te brengen. Hij beschrijft het leven en de persoon van Bouterse als
een Surinaamse tragedie waar hij ten zeerste door geboeid is, maar hij behoort
zelf niet tot die tragedie.

Voor
Reeser is het verhaal van Desi Bouterse niet rechtlijnig te vertellen. Het
heeft niet altijd een duidelijk goed en fout, en bevat vele wendingen. Het is
zowel een Caraïbisch verhaal vol wisselende identiteiten, loyaliteiten en
belangen, maar evenzeer een Zuid-Amerikaans verhaal waarin niet op een dode
meer of minder wordt gekeken, en het is vooral ook een Nederlands verhaal met
een moeilijk verleden en een onduidelijke toekomst.

En
Bouterse? Wat vindt Reeser van hem? ‘Uiteindelijk was de pijnlijke waarheid dat
hij weliswaar voortkwam uit een koloniale samenleving met een gewelddadig en
problematisch verleden, maar dat hij zelf de keuze maakte om dader te worden.’
In nuance zoals deze voel je dat er in de benadering van de auteur ook heel wat
ambiguïteit aanwezig is: empathie en kritische zin sluiten elkaar niet uit,
maar accentueren juist het tragische karakter van een persoon en een volk.

Complementair 

In mijn leven zit heel veel Suriname en heel veel
ambiguïteit ten aanzien van dat bijzondere land en volk. Ik heb er zes jaar gewoond. En
daarover schreef ik drie boeken, waaronder Omkijken naar een ‘revolutie’. Surinaamse
intellectuelen onder militairen
(2004). In de loop van de jaren heb ik
daarnaast een behoorlijk bibliotheekje in surinamistiek opgebouwd. Daarin zal
het boek van Pepijn Reeser zeker een ereplaats krijgen. Maar ook dat van Nina
Jurna, want de twee biografieën zijn complementair en verdienen allebei
aandachtige lectuur.

Pepijn Reeser, Desi Bouterse, een Surinaamse tragedie, Prometheus/Bert Bakker,
Amsterdam, 2015, 360 blz., ISBN 978-90-351-4180-3, prijs: 24,95 euro

Nina Jurna, Desi Bouterse – een Surinaamse realiteit, Conserve, Schoorl, 2015, 224
blz., ISBN 9789054293385, prijs: 22,50 euro (met dvd)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!