Opinie - Tine Van Wouwe

De helaasheid der hulpverlening

Het feit dat een kind in psychiatrische nood kan belanden in een politiecel, zou niet alleen aanleiding moeten zijn voor betreuren en zich verbazen. Ontsteltenis is meer op zijn plaats. Bij alle mensen, inclusief gekwalificeerde hulpverleners die zichzelf een weten aanmeten, normen en waarden zelfs. Zou zelfkritiek louterend kunnen uitpakken? Een hulpverlener neemt haar publieke verantwoordelijkheid en vraagt zich af wie zich aan wie moet aanpassen.

donderdag 19 maart 2015 11:17
Spread the love

Met de publiek gedeelde treurnis en verbolgenheid volg ik als hulpverlener de recente berichtgeving over gebrekkige jeugdzorg. Kinderen, jongeren in acute nood worden ondergebracht in volwassenenpsychiatrie, in een politiecel, kunnen nergens terecht. Maar bij het lezen van alle opinies treft mij bovenal verbazing. Grote ontsteltenis over de blindheid voor een enorm denkfout binnen wat men moderne, professionele hulpverlening wil noemen. Die treft me dagelijks, in het bijzonder midden in het werkveld maar bij uitbreiding in de publieke opinie en de politieke discussies. 

De betreffende psychiatrie laat weten dat ze het zeventienjarige meisje nochtans hadden ingelicht dat hun aanbod eindig zou zijn wanneer ze nog eens dergelijke gedragsproblemen stelde. Ze was met andere woorden gewaarschuwd en toch wist ze zich niet aan te passen. Zoek de denkfout. De moderne hulpverlening is doordrongen van een professionele pretentie. Wij, gekwalificeerde hulpverleners meten onszelf een weten aan. We stellen waarden, normen en een bijpassend programma op waarvan we suggereren, nee zelfs met wetenschappelijk aangetoonde zekerheid wéten dat het geschikt is voor dit of dat kind in nood. De enige verwachting die we in ruil voor dit gulle aanbod aan de betreffende cliënt stellen, is zich aan te passen aan een lijstje bijhorende voorwaarden (zoals bijvoorbeeld geen gedragsproblemen meer stellen).

Aanpassing, een gevaarlijk woord. “Een onaangepast kind is een kind aan wie de omgeving zich onvoldoende heeft weten aanpassen”. Een gewaagde uitspraak die ik ontleen aan een vooraanstaand kinderarts en die ik sinds mijn studentenjaren als mantra meedraag. Keren we terug naar de vastgestelde denkfout. Dat ‘onaangepaste’ kinderen en jongeren de door hulpverlening vooropgestelde normen niet kennen, de waarden anders interpreteren of ze niet vertaald krijgen in gedrag dat wij daar automatisch bij verwachten: daar wordt geheel aan voorbijgegaan. Wij maken programma’s en hokjes, zij die hulp willen, hebben er zich maar in te wringen. Zoniet, dan getuigt dat enkel en alleen van onwil (niet van onvermogen, kwetsuren, wanhoop,…) . In het ‘beste’ geval leiden we er via professioneel overleg uit af dat er nood is aan doorverwijzing. In het ergste besluiten we tot beiden: onwil én nood aan doorverwijzing.

Er is een gebrek aan geschikte plaatsen. Ik ga akkoord. Maar betekent dit dat we extra plaatsen moeten creëren? Of is het ook denkbaar dat we de bestaande plaatsen zo kunnen uitrusten dat ze wél geschikt zijn voor kinderen en jongeren in nood? Mee met andere hulpverleners stel ik vast dat het doelpubliek binnen de jeugdzorg de voorbije jaren almaar complexer is geworden. In tegenstelling tot vele van mijn collega’s pleit ik echter niet voor (nóg) meer doorverwijzingen en meer plaatsen in gesloten instellingen of psychiatrie (weliswaar met veel respect voor het werk dat zij leveren).

De kinderen die ik in onze voorziening ontmoet zijn stuk voor stuk gehavend, getekend door het leven. Nu al, terwijl ze nog zo jong zijn. Waar zijn deze kinderen naar op zoek? Wat hebben deze jonge mensen nodig? Het antwoord op deze vragen is ondanks de complexiteit van hun kwetsuren heel eenvoudig: een plek om te mogen blijven, waar voor hen gezorgd wordt, een plek waar ze anderen kunnen ont-moeten. Niet een programma waar ze zich aan aan te passen hebben of anders met professionele vriendelijkheid verzocht worden op te rotten. Wie een dergelijk pleidooi voert, wordt binnen de moderne hulpverlening al snel een te grote naïviteit verweten of gebrek aan daadkracht. Ik ben overtuigd van het tegendeel: het getuigt van bijzonder veel lef de hulpverlening zo aan te passen, zo te organiseren dat kinderen in nood er kunnen toekomen én mogen blijven. Zonder lijstje voorwaarden.

Of er voldoende plaatsen zijn, wil ik in het midden laten.

dagelijkse newsletter

Unite Talks: Mohamed Barrie

This interview is one to to take your time for! 🙏 🔆 45 minutes of Mohamed Barrie!🔆 💥 Mohamed is a dedicated social worker, organizer and advocate for veganism. He shares his view on structural racism, power, exclusion and veganism. 🌏 Based on his own experiences he shines a new light on the vegan movement and on the role of racism within these movements. 〄 PS: We just started doing these interviews, so feedback is much appreciated!

Geplaatst door u:nite op Dinsdag 20 oktober 2020

take down
the paywall
steun ons nu!