Dave Eggers: Voice of Witness

Teaser fallback community afbeelding
Op het festival Impossible Futures, een thematische tiendaagse waarin toekomst en maatschappij staan, gaf auteur Dave Eggers op 17 maart een lezing over mensenrechten. Hij ontving er die avond de Amnesty International Leerstoel 2015 aan de Universiteit Gent. Voor zijn lezing baseerde Eggers zich op een tekst over het ontstaan van zijn vertelprojecten. DeWereldMorgen publiceert een fragment in vertaling.

Dit verhaal begint in Soedan, in 2003. Valentino Achak Deng en ik waren van de VS naar zijn geboortedorp Marial Bai gereisd, in de Bahr al-Ghazal regio van wat nu Zuid-Soedan heet. In de twintigjarige burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden van Soedan hadden hij en duizenden andere jongens en meisjes de aanvallen van de murahaleen-milities ontvlucht. Samen met die jongeren, bekend als de Lost Boys, had Valentino meer dan 1500 kilometer afgelegd doorheen verwoest oorlogsgebied om de relatieve veiligheid van een vluchtelingenkamp in Ethiopië te bereiken. Daar bracht hij twee jaar door. Later nog eens tien jaar in Kakuma, een kamp in Noordwest-Kenia. Uiteindelijk zou hij in 2001 onderdak vinden in de VS, samen met duizenden andere Lost Boys, die intussen jonge mannen en vrouwen waren geworden. Valentino werd naar Atlanta gestuurd, waar we elkaar een paar jaar later ontmoetten. Hij vroeg me zijn biografie te schrijven. Daarvoor moesten we terug naar Marial Bai, zo besloten we. In die zeventien jaar had hij geen voet meer op zijn geboortegrond gezet.

Valentino en ik gingen aan boord van een oud Russisch vliegtuig en zaten in het cargoruim. Na vier tussenlandingen op smerige landingsbanen, waarbij er graan en fietsen werden gelost, kwamen we eindelijk aan in zijn thuisdorp. Begeleid door feestgedruis en tranen werd hij herenigd met zijn familie.

Gedurende ons verblijf in Marial Bai praatten Valentino en ik met tientallen mensen over hun levens en hun verwachtingen tijdens de burgeroorlog, die op dat ogenblik on hold stond dankzij een staakt-het-vuren. Met de hulp van Save-The-Children, een NGO die ontvoerde mensen helpt bevrijden en repatriëren, kregen we de kans om met drie vrouwen te praten die tijdens het conflict door de murahaleen waren ontvoerd. Ze waren meegenomen als kinderen, werden verkocht als oorlogsbuit en tien jaar lang vastgehouden. Een van de vrouwen baarde kinderen van haar kidnapper. Toen ze bevrijd werd, mocht ze haar kinderen niet meenemen. Zij en de andere vrouwen die we spraken, waren nog maar net teruggekeerd naar Marial Bai, maar omdat ze op zulke jonge leeftijd waren weggehaald, spraken ze niet de lokale taal, het Dinka. Tijdens hun gevangenschap werden ze gedwongen hun moedertaal te vergeten, moesten ze Arabisch leren en kregen ze nieuwe namen en rollen. We luisterden ontzet naar hun verhalen, verbijsterd dat dit alles gebeurd was in de jaren 1990. Misdaden en gebruiken waarvan het grootste deel van de wereld dacht dat ze niet meer bestonden – de ontvoering en slavernij van vrouwen en kinderen – gebeurden op grote schaal tijdens de Soedanese burgeroorlog.

Hoewel Valentino en ik wisten dat ons heel wat werk te wachten stond om zijn levensverhaal op papier te zetten, sloten we een pact dat we een manier zouden vinden om de verhalen van deze vrouwen ook te vertellen.

Een van de problemen tijdens de burgeroorlog was een duidelijk gebrek aan betrouwbare informatie over het conflict. Soedan was en is dan ook het minst ontwikkelde land van het Afrikaanse continent. Omdat er geen mobiele telefoons, geen stroomnet en weinig wegen waren, bleef de journalistieke dekking van het conflict uiterst summier, wat het ongestraft begaan van wreedheden mee mogelijk maakte.

Terug thuis in de VS liep ik rond met de gezichten en de verhalen van de vrouwen van Marial Bai in mijn hoofd. Ik zocht naar vergelijkbare verhalen in boeken en online, maar de informatie bleek schaars en gedetailleerde verhalen onbestaande. Ik vond een paar interviews door NGO’s, maar die waren erg kort, soms niet langer dan een paragraaf. Om de verhalen te vertellen van de vrouwen die ik had ontmoet, zou ik dus oral history (de mondelinge overlevering) moeten gebruiken.

In die tijd dacht ik veel na over oral history. Studs Terkel, een van mijn helden toen ik opgroeide in Chicago, had onlangs Hope Dies Last uitgebracht, een bundel mondeling overgedragen verhalen over 9/11. Met dat boek toonde Terkel de sterkte aan van een uitgelezen selectie van eerste persoon-narratieven, maar ook het simpele, maar centrale belang van luisteren naar wie de geschiedenis meemaakte om zo de geschiedenis beter te begrijpen. Terkel stelde al jaren meesterlijke bundels samen. Van The Good War, een complexe exploratie van de Tweede Wereldoorlog, over Working, zijn exploratie van de levens van werkenden en werklozen in de VS. Hij was en is de best geplaatste persoon om oral history naar een groter en breder publiek te brengen.

Met Terkel als inspiratiebron dacht ik na over een reeks boeken die oral history zouden gebruiken om de stemmen van wie niet wordt gehoord, op te nemen en te versterken. Zoals dat wel vaker gaat met dromen, liepen mijn gedachten vooruit op praktische bedenkingen en bezwaren.

Naast het boek over de Soedanese vrouwen moest er ook een boek komen met stemmen uit Sierra Leone, een met verhalen uit Tsjetsjenië, eentje over oud-Joegoslavië. Het moest een reeks worden, gewijd aan de mensenrechten in crisis overal ter wereld. En natuurlijk verpersoonlijkte ik de typische goed bedoelende Amerikaan door eerst over de grenzen te zoeken naar voorbeelden van de gecompromitteerde menselijke natuur. 

Tot een toevallige ontmoeting op een eerbetoon aan Terkel zelf mij op andere gedachten bracht. Eind 2003 werd Terkel uitgenodigd voor een interview aan de University of California, Berkeley. Ondanks zijn gezegende leeftijd van 91 jaar toonde hij zich even gevat, grappig en gepassioneerd als altijd. Hij droeg zelfs zijn eeuwige uniform van rood-geruit hemd, strik en rode sokken. Na het event, terwijl de menigte samenstroomde in de lobby, ontmoette ik dr. Lola Vollen, met wie ik een gesprek begon over de kracht van oral history. Tijdens ons gesprek vermeldde ik de reeks boeken die ik in gedachten had.

Ze was geïntrigeerd, maar vroeg zich af waarom de reeks in het buitenland moest starten. Wat met mensenrechten in de VS? Zij had gewerkt met onschuldig veroordeelden en vrijgepleiten in de VS en vond hun situatie vreselijk onderschat en veronachtzaamd.

“We lezen de verhalen van mannen en vrouwen die vrijkomen na tien of twintig jaar in gevangenschap en we denken dat het verhaal daar eindigt. Maar er is zoveel meer”, zo vertelde ze. “Om ten volle te begrijpen wat het betekent om onschuldig veroordeeld en opgesloten te worden en daarna weer vrij te komen, moeten we de verhalen horen van de mensen die dit aan den lijve hebben meegemaakt.”

Daar in die lobby, vlak na een eerbetoon aan Studs Terkel, bedachten Vollen en ik een plan om onschuldig veroordeelde Amerikanen te interviewen en hun verhalen op te tekenen en uit te brengen in een verhalenbundel.

Een paar maanden later werd ik gevraagd door Orville Schell, toenmalig hoofd van de Berkeley’s Graduate School of Journalism, of het mij interesseerde om een cursus te doceren. Ik vroeg of het een cursus oral history mocht zijn, die de cursisten interviewtechnieken zou aanleren en waaruit een boek kon groeien. Als genereus man vol vertrouwen stemde hij toe. De puzzelstukken vielen in elkaar.

Ongeveer een jaar later verscheen Surviving Justice: America’s Wrongfully Convicted and Exonerated. Het boek kwam tot stand dankzij het harde werk en de begeestering van een heel peloton Berkeley-studenten die twaalf mannen en vrouwen hadden geïnterviewd, die tot 27 jaar in de gevangenis doorbrachten voor misdaden die ze niet hadden begaan. Het hele proces, dat in totaal twee semesters in beslag nam, leerde ons allen – de studenten, Vollen en mezelf – ontzettend veel over hoe we de gesprekken moesten registreren en uitwerken, en vooral hoe we ons moesten verhouden tegenover de vertellers om ervoor te zorgen dat het proces hen als een completer, en niet als een gebroken mens achterliet. Hoe we van de ervaring, hoe moeilijk die ook was, een positieve ervaring konden maken, zowel tijdens de gesprekken, als tijdens en na de publicatie van het boek.

Zo ontstonden er een reeks basisprincipes uit het project, die tot de dag van vandaag, tien jaar en dertien publicaties verder, ons project Voice of Witness sturen.

Die principes werden jarenlang getest en bijgestuurd aan de hand van de feedback van de medewerkers, uitgevers, interviewers en vertellers.

Jaren later keerden Valentino en ik terug naar Zuid-Soedan, vastberaden om de verhalen van de vrouwen, wier leven zwaar beïnvloed was geweest door de burgeroorlog, op te tekenen. Tussen onze trip in 2003 en deze reis werden er van Voice of Witness, dat bedacht werd in Valentino’s geboortedorp Marial Bai,  twee boeken gepubliceerd. Dat was voordat Valentino en ik er eindelijk in slaagden terug te keren naar Soedan om aan de interviews te beginnen, die gepland waren voor wat het allereerste boek in de Voice of Witness-reeks had moeten zijn.

Toen we terugkwamen in Marial Bai, waren de drie vrouwen, die we in 2003 hadden ontmoet, allemaal verhuisd naar andere delen van Zuid-Soedan. Gedurende ons verblijf in het dorp leerden we een aantal andere mannen en vrouwen kennen die heel wat te vertellen hadden, maar niemand had een aangrijpender verhaal dan Achol Mayuol. We hoorden dat ze als kind ontvoerd werd, tot slaaf was gemaakt en vijf kinderen had gebaard bij haar kidnapper. Het was enkel aan haar onbreekbare geest te wijten dat ze erin slaagde te ontsnappen – en nog ongebruikelijker, met haar kinderen terug naar huis te keren.

Ze leefde weg ver van het dorp, in een landelijk gebied dat onbereikbaar was met de auto. Valentino en ik vertrokken op geleende fietsen en hadden een halfuur nodig om er te geraken midden in een tropisch vochtige namiddag, bij temperaturen die ver boven de honderd graden Fahrenheit piekten. Onderweg, over onverharde paden, passeerden we de erven van grote en kleine families, en kinderen kwamen vanuit hun huizen naar buiten gerend om ons te begroeten. Sommigen kenden Valentino bij naam of omwille van zijn reputatie, en sommige kinderen hadden nog nooit een blanke gezien en riepen khawaja! khawaja! terwijl we voorbijreden. We reden langs een groot huis, gebouwd door een van de generaals van het voormalige rebellenleger, nu deel van de heersende elite. Het huis was zes of acht keer groter dan de traditionele hutten en gebouwd in westerse stijl, met stenen muren en een stalen dak. We zagen geiten, loslopende honden en vee, we hoorden kippen kakelen en heel het omringende landschap was van het schitterendste groen door de recente regenval.

Toen we bij Achols hut aankwamen, stond ze buiten. Ze zag er veel te jong uit om de vrouw te kunnen zijn waarover we gehoord hadden. Ze was de was aan de lijn aan het hangen, twee kleine kinderen hingen aan haar rokken. We parkeerden onze fietsen aan de rand van het erf en begroetten haar. Terwijl we haar begroetten, kwam er nog een ander kind, een jongen van een jaar of elf, vanuit de hut, gekleed in een koningsblauw voetbaltruitje. Hij werd gevolgd door nog een kind, zes jaar ongeveer, en daarna nog eentje, van een jaar of vier. Al gauw stonden alle vijf haar kinderen rondom ons.

Achol nodigde ons uit om buiten te zitten, op een stalen bedframe, bedekt met een dunne matras. Het werd al snel duidelijk dat dit het bed was waar ze samen met haar kinderen binnen op sliep; ze had het naar buiten gebracht zodat het als zetel dienst kon doen. Voorzichtig, in Dinka, vroeg Valentino aan Achol of ze het zag zitten om ons haar verhaal te vertellen. Achol haalde haar schouders op. Ze zei dat de laatste keer dat ze haar verhaal had verteld, het haar niets had opgebracht. Er was een televisieploeg geweest, legde ze uit, een internationale ploeg die Engels sprak en die wilden weten of de verhalen in Zuid-Soedan over slavernij klopten. Een van de regionale commandanten van het rebellenleger wist van Achol en had de televisieploeg naar haar hut geleid. Een uur lang had men haar geïnterviewd, daarna ging de ploeg weg en nooit heeft ze nog iets vernomen van wat ze met haar verhaal gedaan hadden. Ze waren nooit teruggekomen, hadden haar niets gegeven.

Ze vertelde dit alles met zeer weinig emotie, haar ogen ofwel naar de grond gericht, ofwel keek ze ons een beetje van opzij aan. Maar ze vertelde Valentino dat ze wilde praten, en terwijl ze buiten op haar bedframe zat met haar kinderen naast zich, begon ze. We hadden de kinderen een nieuw setje kleurpotloden gegeven, en terwijl zij praatte, in een poging om de kinderen af te leiden van het verschrikkelijke verhaal dat hun moeder aan het vertellen was, tekende ik konijnen en vogels op het papier. De kinderen grepen naar de potloden en kleurden ze. Er was niets om het papier op te leggen, alles gebeurde op de stoffige grond.

In de volgende drie uren deelde Achol haar ervaringen met een opmerkelijke helderheid en rechtlijnigheid. Het grootste deel van die tijd was Achols mond in een sneer getrokken, alsof ze ervan walgde om de acties van de man die haar had vastgehouden opnieuw te moeten vertellen. We konden het verhaal die eerste dag niet afgerond krijgen, dus keerden we de volgende dag terug. Achol zag hierin geen probleem, het leek haar gemoedsstemming te verlichten. Ze begroette ons met een ietwat vrolijker gezicht en we gingen verder tijdens deze tweede dag, totdat het hele verhaal verteld was.

De zon was al achter de bomenrij gezakt toen ze klaar was met haar verhaal en de lucht was oranje gekleurd, de nachtelijke afkoeling al ingezet. We zaten samen en deelden het water dat we mee hadden gebracht in onze rugzak en keken toe hoe de kinderen op de grond zaten te tekenen. We vroegen of ze zich zorgen maakte dat de man die haar tot slaaf had gemaakt, zou weerkeren. Hij had haar gezegd dat hij haar zou volgen en de kinderen, waarvan hij beweerde dat ze hem toebehoorden, van haar zou wegnemen. Ze zei dat ze zich daarover nu geen zorgen meer maakte. Ze had vijftien jaar gewacht op haar vrijheid en ze had het nodig om zich vrij te voelen. Haar familie was hier en die hielpen haar een beetje. Maar ze hadden zelf veel werk, zei ze, ze hadden hun eigen problemen. Ze zei dat het moeilijk was om iemand zoals haar te helpen, iemand met zoveel kinderen.

“Het leven is moeilijk hier”, zei ze. Ze had geprobeerd een zaak op te starten om voeding en thee te verkopen, maar ze was ziek geworden, een probleem met haar nieren, en zo hard werken was onmogelijk. Ze zei dat ze probeerde aan de nodige medicijnen te geraken. Als ze dat medicijn had, zou ze zich misschien sterker voelen. Dan zou ze haar werk kunnen hervatten. Ze zei dat ze hoopte dat haar kinderen een gemakkelijker leven zouden hebben dan zijzelf. Ze wilde vrede voor hen, en kansen.

“We zullen zien”, zei ze.

Toen we klaar waren, vertelden we haar dat we haar relaas woord voor woord zouden publiceren, en dat we binnen een jaar zouden terugkomen om haar het boek met haar verhaal erin te brengen. Ze haalde haar schouders op en de sneer die we al kenden van bij ons eerste interview, kwam weer tevoorschijn. Ze geloofde ons niet. Het begon donker te worden, dus vertrokken we en reden weer terug naar het stadje.

Een jaar later, bijna dag op dag, keerden Valentino en ik terug. Het was valavond, de hemel kleurde oranje, en we reden langs hetzelfde pad van gebarsten aarde als de vorige keer. Ik had een boek in mijn rugzak zitten en in dat boek stond Achols verhaal opgeschreven.

Tijdens het jaar nadat wij voor het laatst Marial Bai bezochten, had een andere redacteur, Craig Walzer, een buitengewone reeks samengesteld van getuigenissen die hij had verzameld in Noord- en Zuid-Soedan, een collectie met als titel Out of Exile: Narratives from the Abducted and Displaced People of Sudan. De verhalen die Valentino en ik hadden opgetekend, werden ook opgenomen in het boek en het boek was klaar en gedrukt. We konden zelf nauwelijks geloven dat we echt konden doen wat we hadden gezegd dat we zouden doen, namelijk na een jaar terugkeren met Achols verhaal in druk, precies zoals ze het aan ons verteld had. We hadden haar beloofd dat we dit zouden doen, maar het is niet altijd gemakkelijk om zich aan beloftes te houden in plaatsen zoals Marial Bai.

Toen we haar huis naderden, zagen we haar kinderen eerst. Ze waren buiten op het erf en ze herkenden ons toen ze ons op onze fietsen zagen aankomen. Ze liepen naar binnen en enkele seconden later verscheen Achol. Ze glimlachte. Haar glimlach was breed en licht, een glimlach die we nog nooit te zien hadden gekregen. Het was een enorme en een verlegen en een verbaasde glimlach. We glimlachten ook. We konden het niet helpen, iedereen was aan het grinniken en aan het zwaaien terwijl we op haar toevlogen, want niemand van ons kon geloven dat dit echt aan het gebeuren was, dat we weer allemaal samen waren en dat deze belofte was nagekomen.

We gaven haar twee exemplaren van het boek – er werden er meer bewaard in het dorp en in de scholen van Marial Bai – en we zaten allemaal samen terwijl we ernaar keken, haar gezicht en haar verhaal in het boek, voor altijd, en woord voor woord.


Vanmiddag 18 maart is Eggers nog in de Vooruit te Gent voor een uitgebreid gesprek over zijn boeken en engagement. 
De delen in de reeks Voice of Witness verschijnen bij Eggers' eigen uitgeverij McSweeney's. Vertaling Sarah Wagemans en Bieke Purnelle.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?