Opinie

Het verhaaltje van de luie Grieken

Teaser fallback community afbeelding
Keer op keer klinkt de mythe dat Griekenland met geld de slechtste leerling van de klas is. De mythe is een verwijt, dat in vier delen uiteenvalt. Met statistieken vallen ze stuk voor stuk te weerleggen. “Eenvoudige en verkeerde verklaringen gebruiken om een zondebok aan te kiezen is geen goede tactiek voor de toekomst van de EU. Als dit zo doorgaat, is er waarschijnlijk weinig hoop voor de Grieken – en misschien evenmin voor de euro.”

Angela Merkel verklaarde al dat de Grieken niet vroeger op pensioen zouden mogen gaan en geen langere vakantie zouden mogen hebben dan de Duitsers. De interpretatie van Der Spiegel luidde: “We gaan ons zuurverdiende Duitse geld niet aan luie Zuid-Europeanen geven”. De Zweedse minister van Financiën, Anders Borg, echode dit, op weg naar een EU-vergadering: “Natuurlijk zouden Zweden en andere belastingbetalers niet moeten betalen voor Grieken die ervoor kiezen om op hun veertigste op pensioen te gaan. Dat is onaanvaardbaar.”

De publieke opinie moest worden bewerkt en met name verscherpt voordat ze de gevolgen van de besparingspolitiek zou accepteren. Niemand heeft medelijden met luieriken. En zo is de cirkel rond: politici verdedigen zichzelf door zich erop te beroepen dat hun eigen kiezers van hen eisen dat ze zich hard opstellen tegenover de Grieken.

Slechtste leerling van de klas?

Vandaag weten de meesten onder ons dat de Grieken gemiddeld iets later op pensioen gaan dan de Duitsers en evenveel vakantiedagen hebben als de Duitsers en minder dan de Zweden, maar het verhaaltje van de luie Grieken doet nog steeds de ronde. Daniel Gros, hoofd van de denktank CEPS, die in hoofdzaak gefinancierd wordt door de Europese Commissie, schreef onder de titel De mythe van de Griekse besparing:

“De afgelopen twee jaar hebben de andere landen in de periferie van de Eurozone hun aanpassingsvermogen bewezen door hun begrotingstekort te verminderen, de export op te voeren en de omslag te maken naar een overschot op de betalingsbalans, om zo de nood tot financiering op te heffen. Griekenland is inderdaad het enige land dat systematisch heeft getreuzeld met hervormingen en hopeloze prestaties blijft leveren wat betreft export.”

De vergelijking die Gros maakt ontkrachten, is iets moeilijker dan simpelweg de effectieve pensioenleeftijd en het jaarlijks aantal vakantiedagen na te gaan in een OESO-tabel. Maar het is nog steeds relatief eenvoudig. Het argument is dat de Grieken de slechtste leerling van de klas zijn wat betreft:

1. de vermindering van het begrotingstekort
2. de verbetering van de export
3. het betalingsevenwicht
4. het doorvoeren van hervormingen

Laten we even naar de feiten kijken en de zogenaamde PIIGS-landen onder de loep nemen, te weten Portugal, Italië, Ierland, Griekenland en Spanje. (Aan het begin van het citaat refereert Gros aan de laatste twee jaren, maar hij beweert vervolgens dat ze ‘voortdurend hebben getreuzeld’, dus we nemen de periode sinds het begin van de crisis als vergelijkingspunt).

1. De vermindering van het begrotingstekort

De vermindering van begrotingstekorten is het beste af te meten aan de hand van het primair evenwicht, rekening houdend met de conjunctuur (de economische cycli en de afbetaling van de overheidsschuld beïnvloeden de vergelijking dus niet). Griekenland heeft zijn budget met 17 procent van het BBP verlaagd, Ierland met 12 procent, Italië met 4 procent en Portugal met 3,5 procent. Spanje heeft zijn budget verhoogd met 2,5 procent (Figuur 1* in oorspronkelijke tekst, zie link hieronder). Dus de verlaging van zowel Italië als Portugal is relatief bescheiden in vergelijking met Griekenland, en Spanje is nog niet eens begonnen met het reduceren van zijn tekorten. Er is duidelijk geen Griekse besparingsmythe.

2. De verbetering van de export

Het Griekse aandeel in export is in verhouding tot het BBP het laagste van alle vergeleken landen, maar Griekenland heeft sinds de crisis zijn export aanzienlijk verhoogd en staat nu gelijk met Italië (Figuur 2*). Dit komt helaas door een flinke duik van het BBP en niet door een toename van export (Figuur 5*) – hetzelfde geldt voor de dramatische toename van export in Ierland.

Maar als we naar de export van goederen in VS dollars kijken heeft Griekenland – in vergelijking met de pre-crisispiek van 2008 – de hoogste toename met 15 procent, gevolgd door Spanje met 12 procent en Portugal met 9 procent, terwijl Ierland en Italië hun export in absolute termen heeft zien afnemen.

Desalniettemin is de totale export van Griekenland afgenomen en is Griekenland het enige land waarvan de totale export nu lager is dan in 2008 (-15 procent). De ontbrekende schakel is natuurlijk de export van diensten. De Griekse export van diensten doet het heel slecht sinds de financiële crisis. Toerisme en transport (scheepvaart) vormen 90 procent van de Griekse export van diensten. Dat ze verminderen door een economische recessie is normaal. Armere huishoudens gaan minder op vakantie in het buitenland en de neergang in economische activiteit vermindert de vraag naar transport diensten.

Het traditioneel lage aandeel aan Griekse export kan net als zijn specifieke exportstructuur waarschijnlijk worden verklaard door institutionele factoren en 'padafhankelijkheid'. Scheepvaart, landbouw en toerisme zijn lange tijd substantiële componenten geweest van de Griekse export en de industriële productie heeft relatief weinig bijgedragen. Griekenland moet zich zeker over deze kwestie buigen, maar er is geen kant-en-klare oplossing die de situatie in een paar jaren kan veranderen; dit moet eerder worden gezien als een ontwikkelingsproject dat enkele decennia bestrijkt.

Het is gewoonweg onlogisch te verwachten dat Griekenland in de nasleep van de financiële crisis zijn structureel tekort qua export zou kunnen oplossen. Waarom ook zou Griekenland een grote productie-industrie uitbouwen/ontwikkelen tijdens een depressie?

Gegeven de Griekse economische structuur zijn de exportprestaties niet ‘hopeloos’. Integendeel, wat betreft de export van goederen heeft Griekenland beter gepresteerd dan alle landen in onze vergelijking. De export van diensten (scheepvaart en toerisme) zijn zwaar getroffen door de zwakke economische conjunctuur in Europa. Griekenland zou dus nog eerder de Commissie hiervan kunnen beschuldigen dan vice versa.

3. Het betalingsevenwicht

Wat betreft het betalingsevenwicht situeren de lopende rekeningen van alle landen zich zowat rond nul, behalve voor Ierland, dat een surplus van 5 procent heeft op zijn lopende rekening (Figuur 6*). Gros’ bewering betreft echter ‘een omslag naar’, verandering dus. Ierland heeft zijn lopende rekening verbeterd met ongeveer 10 procent, van -5 naar +5. Griekenland aan de andere kant heeft ze verbeterd met 15 procent, van -15 procent naar +0,7 procent. Dus als we over verandering spreken, heeft Griekenland weerom beter gepresteerd dan de anderen.

4. Het doorvoeren van hervormingen

Hervorming is een erg breed begrip dat niet gemakkelijk te evalueren is, maar de OESO heeft een hervormingsprogramma voorgesteld in het project Going for growth. Het is een vergelijking tussen landen van een aantal factoren die de OESO belangrijk acht voor groei (Figuur 7*). Wanneer we naar onze groep landen kijken, is het opnieuw Griekenland dat het beste presteert. In feite heeft Griekenland meer hervormingen doorgevoerd dan alle andere landen in deze studie, en in elk geval aanzienlijk meer dan het EU gemiddelde.

‘Luie Grieken’: een oneerlijke beschrijving

We kunnen besluiten dat Gros’ interpretatie van de statistieken op geen enkel punt degelijk onderbouwd is; integendeel, de feiten spreken hem tegen. Griekenland is nog steeds een land met onmiskenbare problemen op vlak van zijn instellingen en economische structuur, maar de stelling dat er niets is gebeurd, blijkt niet enkel oneerlijk, maar soms zelfs simpelweg fout.

De cruciale vraag voor toekomstige besprekingen is, of verdere besparingsmaatregelen Griekenland zouden helpen of eerder verhinderen om een evenwicht op lange termijn te bereiken. Befaamde economen zoals Simon Wren-Lewis, Paul Krugman en Joseph Stiglitz hebben op overtuigende wijze betoogd dat verdere maatregelen zo’n evenwicht net zouden verhinderen, en we hoeven hun woorden hier niet te herhalen.

Maar de vraag is ook waarom het verhaaltje van de luie Grieken al die tijd ongehinderd de ronde heeft gedaan. Natuurlijk eisen de kiezers een strenge stellingname in de besprekingen met Griekenland. Wie wil schulden kwijtschelden van iemand die zijn best niet doet of met veertig jaar op pensioen gaat? Eenvoudige en verkeerde verklaringen gebruiken om een zondebok aan te kiezen is echter geen goede tactiek voor de toekomst van de EU. Als dit zo doorgaat, is er waarschijnlijk weinig hoop voor de Grieken – en misschien evenmin voor de euro.

*De oorspronkelijke, Engelse versie van deze tekst staat hier op de website Social Europe. Daar kunnen ook alle grafieken worden teruggevonden. Vertaling door Chloë Versluys.

Vandaag op de hoogte van de wereld van morgen?