Waarom we niet op 15 maar op 14 februari allemaal Valentijntjes zijn

zaterdag 14 februari 2015 08:42
Spread the love

Gelasius? Nooit van gehoord. Het is
nochtans dankzij Gelasius dat mannen en vrouwen op 14 februari bijzonder attent
zijn voor elkaar. Ze zoenen elkaar, delen cadeautjes uit en gaan eens lekker
gezellig op restaurant. Tenminste als de portemonnee het toelaat. Gelasius was
van 1 maart 492 tot aan zijn dood op 21 november 496 als paus dé geestelijke
leider van de wereld. Maar dat deert zelfs de meest verstokte goddelozen niet
om Sint-Valentijn te vieren.

Gelasius
was de derde paus van Afrikaanse afkomst, wellicht zelfs een berber van origine,
net zoals het merendeel van de Marokkaanse migranten in ons land. De jaren voor
zijn aantreden was Gelasius de rechterhand van zijn voorganger geweest. Hij wist
als geen ander hoe de kerkelijke zaakjes in de schaduw van een kruisbeeld
werden geregeld.

Het
feest van Sint-Valentijn is door paus Gelasius ingesteld ter vervanging van de Lupercalia. Dat was het zeer oud-Romeinse
feest van de vruchtbaarheid, gevierd ter ere van Juno, de Romeinse godin die
moest waken over de vrouw en het huwelijk, en ter glorie van Pan, de god van de
natuur. Op 15 februari! Voor die oude
Romeinen was Lupercalia een hoogst belangrijk feest met zijn eigen rituelen. De
namen van ongehuwde meisjes werden in een grote kom gegooid. Ongehuwde mannen
mochten er een grabbel in doen. Zo werden twee jonge mensen als partners aan
elkaar gekoppeld. De kerkleiders vonden dat maar een heidense bedoening.
Gelasius maakte er dan ook een einde aan en zette Sint-Valentijn een dagje
eerder op de agenda: 14 februari.

De
historische betekenis van Gelasius ligt echter op een heel ander vlak. Na heel
veel gedoe was het Romeinse imperium in de tweede eeuw na Christus opgesplitst
in een oostelijk en een westelijk gedeelte. Voorgangers van Gelasius beschouwden
zowel de burgerlijke als kerkelijke leiders in het Oosten als afvalligen van
het ware geloof. Het Oost-Romeinse rijk was echter veel beter ingericht en
welvarender dan het Westen. Dat had te kampen met Germaanse indringers,
algemeen omschreven als ‘barbaren’. Die kregen almaar meer greep op het bestuur
en het leger, waarvan sommige eenheden liever elkaar te lijf gingen dan de
grenzen te verdedigen tegen vijanden zoals Attila en zijn Hunnen.

Als
paus maakte Gelasius gebruik van deze situatie om de greep van de kerk op de onderdanen
te verstevigen. Die werden door veel onheil geplaagd. Een recent onderzoek van
de universiteit van Noord-Carolina heeft aangetoond, dat dit een ideale situatie
is om de zieltjes te winnen van mensen op zoek naar zekerheid. Een wetenschappelijke
vaststelling voor het dikwijls verkeerd geciteerde zinnetje van Karl Marx:
“Godsdienst is opium van het volk”.

Gelasius
bedacht de Tweezwaardenleer, verwijzend
naar het Bijbelse vers: “Geef de keizer wat des keizers is en de Heer wat des
Heren is.” Het enige wat in moeilijke tijden zekerheid biedt aan de godvrezende
mensen is het geloof dat vooruitzicht biedt om toegelaten te worden in de
hemel. Het geloof, dat is het zwaard van de Kerk.

De
bestuurders van het wereldlijke West-Romeinse rijk hadden het knap lastiger om met
hun zwaard orde op zaken te stellen. Ook toen kostte besturen van een land
geld. Maar degenen die het bezaten, de vermogende aristocratische families,
vertikten het om belastingen te betalen. Voor historicus Jeroen Wijnendaele,
verbonden aan verschillende universitaire instellingen in het buitenland, leidde
het moedwillig verzuim van die rijkelui tot de uiteindelijke ondergang van het
West-Romeinse rijk. Zijn boek is “een boeiende studie over een periode die vele
eeuwen later nog steeds tot de verbeelding spreekt”, aldus de voorstelling van
het boek. Verbeelding?

Jeroen
Wijnendaele,
Romeinen en barbaren. De ondergang van het Romeinse Rijk in het
Westen, Davidsfonds, Leuven.

www.theguardian.com/science/2014/:nov/10/foods-famines-beliefs-god-study

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!