Islamofobie, de strijd om een woord
Analyse - Alex de Jong, Grenzeloos

Islamofobie, de strijd om een woord

Alex de Jong, hoofdredacteur van Grenzeloos.org, gaat op zoek naar de historische oorsprong en betekenis van het woord 'islamofobie'. “Gelukkig bestaat een groeiend besef dat in Europa mensen die als moslim worden aangemerkt onder specifieke vormen van discriminatie lijden.”

woensdag 28 januari 2015 18:40
Spread the love




Op
18 januari plaatste Trouw een interview met de rechtse Franse
intellectueel Pascal Bruckner. De interviewer herhaalde hierin Bruckners canard dat het woord
‘islamofobie’ een uitvinding is van het Iraanse theocratische regime.
De implicatie is dat het woord niet gebruikt kan worden zonder
apologeet te zijn voor fundamentalisme. Bruckner mocht dit fabeltje
een paar jaar geleden ook al verkondigen in Trouw.

Dit
keer verscheen er nog wel een paar dagen later een opmerking in de
rubriek Taal waarin Bruckner gecorrigeerd wordt: “Het wóórd
voor ‘vrees voor of afschuw van de islam en moslims’ lijkt meer dan
een eeuw geleden gemunt te zijn, en wel onder etnologisch onderlegde
bestuursambtenaren in Frans Afrika. Een van hen, Maurice Defosse,
schreef in 1910: ‘Wat er ook gezegd wordt door hen voor wie de
islamofobie (Frans islamophobie) een uitgangspunt van het (…)
bestuur is, Frankrijk heeft van de moslims in West-Afrika evenmin
iets te vrezen als van de niet-moslims’. Nederlanders kunnen het
woord ook aan het Engelse islamophobia ontleend hebben. De Oxford
English Dictionary
geeft als vroegste datum 1923, toen het voorkwam
in de recensie van een Franse studie.” (Defosse is overigens een
verhaspeling van Delafosse)1.

Bruckner
is niet de enige die denkt dat de term door fundamentalisten is
bedacht. Op weblogs waar over islamofobie gediscussieerd wordt
bijvoorbeeld, of het nou Joop.nl of GeenStijl is, is deze mythe een
terugkerend thema. Politieke en religieuze tegenstellingen negerend,
wordt gesteld dat de uitvinders salafisten waren, of de Iraanse
theocratie (doodsvijanden van salafisten) of de Egyptische Moslim
Broeders.

De
mythe van het woord ‘islamofobie’ als een wapen van fundamentalisten
lijkt te zijn begonnen bij de Franse schrijfsters Caroline Fourest en
Fiammetta Venner. In een boek uit 2003, Tirs croisés, beweren zij
dat het woord in 1979 uitgevonden werd door Iraanse ayatollahs als
betiteling voor vrouwen die weigerden een hoofddoek te dragen.

Het
woord ‘islamofobie’, een neologisme bestaande uit het Griekse ‘phobos‘ en islam, bestaat natuurlijk niet in het Perzisch. Tegenwoordig wordt
in Iran wel de term ‘eslam harasi’ gebruikt, dit zou vertaald kunnen
worden als ‘islamofobie’, maar dit is een recent verschijnsel en geen
uitvinding van het Iraanse regime. In de vroege jaren van de
revolutie werden tegenstanders van het nieuwe regime eerder ervan
beticht anti-revolutionar (zedd-e enghelab) te zijn dan zed-e eslam,
tegen de islam.

Zelfs
als ‘islamofoob’ een juiste vertaling zou zijn van een term als
zed-e eslam‘, maakt het een heel verschil of een autoritair regime,
een regime dat zich op de islam beroept in een land waar zo’n 97
procent van de bevolking moslim is, tegenstanders verwijt tegen de
‘eigen’ religie te zijn of dat er gesproken wordt over islamofobie in
samenlevingen die grotendeels gevormd worden door christenen en
agnosten – samenlevingen bovendien waarin ‘islamitisch’ is gaan
fungeren als collectieve betiteling voor een etnische groep, zonder
dat hun daadwerkelijke religieuze overtuigingen ter kennis worden
genomen.

De
mythe van de fundamentalistische oorsprong van de term ‘islamofobie’
heeft een politieke functie. Uit de stelling dat de uitvinders van
het woord fundamentalisten waren, zou de conclusie volgen dat het
woord zelf niet gebruikt kan worden zonder hun agenda te dienen. In
de woorden van Vlaams Belang-voorman Filip Dewinter: “De term
‘islamofobie’ werd bedacht om iedere vorm van kritiek op de islam
te kunnen bestrijden.”

Hieruit
spreekt een bijzonder groot vertrouwen in de kracht en
onveranderlijkheid van woorden; ongeacht context, ongeacht wie het
gebruikt, ongeacht historisch verworven connotaties, ongeacht
bedoeling, zou een woord zijn oorspronkelijke functie blijven dienen.

Natuurlijk
zijn er gevallen waarin conservatieve en fundamentalistische moslims
het woord als wapen proberen te gebruiken om kritiek op hun
overtuigingen af te weren. De fundamentalistische beweging Hizb
ut-Tahrir, onder andere actief in Nederland, doet dit bijvoorbeeld.
Dit is een politieke daad, een poging om woorden door ze in een
andere context te plaatsen, een andere lading te geven. Een
dergelijke strijd is zeker niet alleen omtrent het woord
‘islamofobie’ gaande. Ooit was ‘democraat’ een scheldwoord voor het
eigen belang nastrevende demagogen en was ‘antisemiet’ een trotse
zelfbetiteling van zogenaamd wetenschappelijke Joden-haters.

Een
tweede tactiek om discussies over islamofobie te doen ontsporen is
niet geïnspireerd door pseudohistorie maar door semantiek. Het
neologisme ‘islamofobie’, zo gaat dit argument, bestaat namelijk uit
twee delen. Fobie komt van het Griekse ‘phobos‘ en betekent een
irrationele angst of vrees. Echter, onderwerp van discussie zou iets
heel anders zijn namelijk, een ‘kritiek’ op de islamitische religie
en/of ideologie.

De
tweede helft van neologisme is de naam van een specifieke godsdienst,
en als er dus al sprake zou zijn van een fobie zou deze gelden
richting deze godsdienst, ‘het geheel van de plechtigheden,
leerstellingen van een godsverering’ volgens de Van Dale. Islamofobie
zou dus niet gebruikt mogen worden als naam voor haat richting mensen
die worden aangemerkt als moslims.

Ook
hier is weer sprake van een wonderlijk geloof in de
onveranderlijkheid van woorden. Een eenvoudige vergelijking laat zien
hoe absurd deze redeneertrant is. Volgens deze logica zou homofobie
bijvoorbeeld ook niet bestaan; ‘homo’ komt van de Griekse term voor
‘zelf, eigen’. Homofobie zou dus eigenlijk alleen gebruikt mogen
worden voor mensen die panische angst voelen voor zichzelf.

Waar
komt de term ‘islamofobie’ dan wel vandaan? Zoals Trouw opmerkte werd
het woord in ieder geval in 1910 al gebruikt, toen als naam voor
vrees voor de islamitische koloniale onderdanen van Frankrijk. In
1918 gebruikte de Franse schilder Étienne Dinet (1861-1929) het.

Dinet,
maker van romantische voorstellingen van de Arabische wereld,
bekeerde zich in 1913 tot de islam en kwam op voor gelijke rechten
voor de islamitische bevolking – maar wel binnen het kader van de
Franse staat. Dat jaar publiceerde hij samen met Ben Ibrahim een
biografie van Mohammed waarin zij stellen dat verschillende Europese
oriëntalisten het levensverhaal van Mohammed vertekend hebben door
het introduceren van ‘innovations‘ die het gevolg zouden zijn van
onbekendheid met Arabische gebruiken en een ‘islamophobie
difficilement conciliable avec la science
2.Hier
bekritiseren zij dus gebrekkige wetenschapsbeoefening.

Meer
recent gebruikte de Palestijnse wetenschapper Edward Said het woord
in een artikel uit 1985. Hierin schrijft hij: ‘Neem het verband –
expliciet gemaakt door twee auteurs die ik citeer in Orientalism,
Renan en Proust, tussen islamofobie en antisemitisme.’ Said betoogt
dat ‘vijandigheid tegen Islam’ in het ‘moderne Christelijke Westen’
historisch hand in hand ging, en gevoed wordt uit dezelfde bron als
antisemitisme en dat een studie van het westerse beeld van ‘de
Oriënt’ inzicht kan geven in het functioneren van antisemitisme.3

Ingang
in het publieke debat in Europa als term voor haat jegens, en afkeer
van moslims en mensen die daar voor worden aangezien, vond het woord
in 1997 door een publicatie van de Runnymede Trust, een Britse
antiracistische denktank, Islamophobia: A Challenge for Us All. Volgens de definitie van de Runnymede Trust is er sprake van
islamofobie als aan een aantal criteria voldaan wordt:

  • ten
    eerste wordt de islamitische religie als een monolithisch blok
    voorgesteld;
  • een
    tweede criterium is islamitische samenlevingen neerzetten als vreemd
    aan andere culturen, alsof er een onoverbrugbare kloof gaapt tussen
    ‘de islam’ en de rest van de wereld;
  • een
    derde criterium is het neerzetten van ‘de’ islam als inferieur omdat
    de islam bijzonder barbaars, gewelddadig en seksistisch zou zijn;
  • het
    vierde criterium is als alleen moslims gezien worden als inherent
    gewelddadig en agressief.

De
Nederlandse onderzoekster Ineke van der Valk komt tot de volgende
(brede) omschrijving: “Islamofobie is een historisch-maatschappelijk
bepaalde ideologie die met behulp van beelden, symbolen, teksten,
feiten en interpretaties een negatieve betekenis geeft aan ‘de
islam’ en aan ‘moslims’. Zo worden de perceptie, de
betekenisgeving, het begrip, de attitudes en het gedrag van mensen
tegenover de islam en moslims beïnvloed ten gunste van sociale
uitsluiting van moslims als ‘de ander’ en ten gunste van
discriminerende, ongelijke behandeling in het culturele, sociale,
economische en politieke domein. Hierbij worden vaak ook personen
inbegrepen die op grond van uiterlijke kenmerken of etnische afkomst
worden gezien als islamitisch, maar dat niet zijn. Islamofobie als
eigentijdse vorm van uitsluiting en discriminatie kent
noodzakelijkerwijs religieuze of religiegebonden aspecten, als ook
vaak etnische en gender aspecten. Deze aspecten zijn nauw met elkaar
verweven.”

Geen
enkele van deze beschrijvingen is probleemloos – dat ligt niet aan
het woord ‘islamofobie’ maar aan het wezen van taal zelf, woorden
geven slechts bij benadering weer wat gepoogd wordt te beschrijven en
zijn onderhevig aan verandering, afhankelijk van hun historische en
sociale context. Wellicht zijn er gevallen dat in plaats van
islamfobie beter andere termen gebruikt kunnen worden, zoals
‘moslimhaat’ of ‘anti-moslim racisme’.

Maar
ongeacht daarvan, bestaat er gelukkig een groeiend besef dat in
Europa mensen die als moslim aangemerkt worden onder specifieke
vormen van discriminatie lijden. De discussie daarover moet niet
ontspoord worden door pseudogeschiedenis of semantische
haarkloverij.



Alex de Jong (www.grenzeloos.org)

Het
artikel Islamofobie, strijd om een woord werd overgenomen van
www.grenzeloos.org, waar het
verscheen op 26 januari 2015. Overname kan mits toestemming
van de oorspronkelijke uitgever.

1 Abdellali
Hajjat en Marwan Mohammed, ‘Islamophobie: une invention française’,
online ophttp://islamophobie.hypotheses.org/193.

2 Abdellali
Hajjat en Marwan Mohammed.

3 Edward
W. Said, ‘Orientalism Reconsidered’,  
Cultural Critique 1
(Autumn, 1985), pp. 89-107.

dagelijkse newsletter

Unite Talks: Mohamed Barrie

This interview is one to to take your time for! 🙏 🔆 45 minutes of Mohamed Barrie!🔆 💥 Mohamed is a dedicated social worker, organizer and advocate for veganism. He shares his view on structural racism, power, exclusion and veganism. 🌏 Based on his own experiences he shines a new light on the vegan movement and on the role of racism within these movements. 〄 PS: We just started doing these interviews, so feedback is much appreciated!

Geplaatst door u:nite op Dinsdag 20 oktober 2020

take down
the paywall
steun ons nu!