Analyse - Jakob De Roover

‘Radicalisering’ – een magisch woord?

Na de aanslagen in Parijs kwamen de vragen: Is dit geweld veroorzaakt door de islam of heeft het niets met godsdienst te maken? Zijn de daders gelovigen of gekken? Of gaat het om extremisten zoals elke ideologie die kent?

donderdag 22 januari 2015 11:40

Daarop
volgde een verwarrende veelheid aan stemmen: ‘De islam is een
bedreiging voor de vrije meningsuiting’. Maar heel wat moslims
liepen mee in marsen voor de vrije meningsuiting. ‘Niet alle
moslims zijn terroristen, maar de meeste terroristen zijn moslims’.
De cijfers tonen iets anders. ‘Gekken hebben noch kleur noch
religie’. Toch riepen de uiterst beheerste en professionele
terroristen ‘Allahu Akbar’.

En
toen dook het magische woord ‘radicalisering’ op. Van de
burgemeester tot de burger, van de politicus tot de politieagent,
iedereen kent nu het probleem én de oplossing. We weten wat ons te
doen staat. We moeten strenge maatregelen nemen tegen
‘geradicaliseerde moslims’ en investeren in
‘deradicaliseringsprogramma’s’ ontwikkeld door
‘radicaliseringsexperten’.

Godsdienstvrijheid

Zijn
die woorden wel iets waard? Radicalisering veronderstelt een
verschuiving van een gematigde naar een radicale positie. Hoe
onderscheidt een geradicaliseerde moslim zich dan van een gematigde?
Het antwoord lijkt in hun overtuigingen te liggen. Maar als we die
bekijken, zien we nauwelijks verschil.

Islam
is de ware religie, de unieke openbaring van de ene God, die we allen
moeten gehoorzamen en aanbidden. Dat geloven is essentieel aan moslim
te zijn. Niemand mag de profeet Mohammed afbeelden of beledigen; zij
die dat wel doen, verdienen een straf. Dat denkt niet alleen de
terrorist in Parijs, maar ook het schoolmeisje in Schaarbeek en de
miljoenen betogers van Pakistan tot Tsjetsjenië. Die kunnen
bezwaarlijk allemaal ‘geradicaliseerd’ zijn.

Ligt
de radicalisering in het gebruik van geweld in naam van
overtuigingen? Dan is het begrip triviaal. Immers, dan kenmerkt
‘radicalisering’ ook het verschil tussen een man die een
rechtszaak aanspant, omdat hij gelooft dat zijn buur de nachtrust
moet respecteren, en een man die zijn buur doodschiet omwille
daarvan. De tweede is geradicaliseerd; de eerste niet. Ook
verzetsstrijders moeten dan gelden als slachtoffers van
‘radicalisering’, wanneer ze vechten tegen een dictatuur omwille
van hun geloof in de democratie.

Ligt
het probleem in de ‘radicale’ islam die ongelovigen als
minderwaardig ziet? Dat brengt ons terug naar het begin. Moslims
beschouwen hun religie als de ware openbaring van Gods wil, waaraan
eenieder zich moet onderwerpen. Als het probleem zich daar situeert,
dan volgt een heel andere conclusie: ‘deradicalisering’ houdt in
dat moslims geen moslims mogen zijn, maar zich moeten bekeren tot een
‘gematigde’ geloofsovertuiging. Maar dat zou dan weer een zware
inbreuk op de godsdienstvrijheid inhouden.

Heldendaden

Laat
het duidelijk zijn: de term ‘radicalisering’ heeft niet de
magische eigenschappen die we eraan toeschrijven. Het is een label
dat verbergt dat we noch het probleem noch de oplossing kennen.

Eigenlijk
verwarren we twee problemen. Ten eerste is er het voorschrift van de
islam dat de hele mensheid Gods woord dient te aanvaarden. De eis dat
men de profeet en de Koran moet respecteren, legt indirect aan
iedereen de verplichting op om de waarheid van deze religie te
erkennen. Die eis staat in conflict met de vrijheid van meningsuiting
en daar moeten we op intellectuele gronden tegen ingaan.

Maar
het tweede probleem – dat van het terrorisme – staat daar
grotendeels los van. Balagangadhara Rao, hoogleraar aan de
Universiteit Gent, ontwikkelde een krachtige hypothese over dat
fenomeen. Typisch aan terrorisme, zo stelt hij, is de transformatie
van misdaad tot heldendaad. De terroristen moorden, maar ze zien die
moorden niet als misdaden. Ze ervaren hun handelingen net als
uitingen van een uitzonderlijke moraliteit, die ver voorbij de gewone
verplichtingen gaat.

Neem
een man die er in slaagt om een kind van de verdrinkingsdood te
redden. Aangezien hij niet kan zwemmen, verdrinkt hij zelf. Dat is
een heldendaad. Het behoorde niet tot zijn morele plicht om zijn
leven op te offeren. Een andere man wandelt een school binnen en
begint systematisch kinderen dood te schieten. Dat is een
verschrikkelijke misdaad. Toch geeft de terrorist aan die twee
handelingen hetzelfde statuut: het zijn voorbeeldige daden die alleen
heiligen en helden stellen.

Het
eigenaardige is dat terroristen sommige basisopvattingen over misdaad
en moraliteit met ons delen. Wanneer ons kind wordt gedood door
collateral
damage’
,zouden
we dat net als hen immoreel vinden. De gemiddelde terrorist vindt
geweld tegen zijn volk even misdadig als wij dat zouden vinden. Ook
hij verafschuwt het Saoedi regime dat zijn vader onthoofdde omwille
van diens politiek verzet. In die zin zijn we paradoxaal genoeg deel
van dezelfde morele gemeenschap.

Maar
dat lijkt volledig contra-intuïtief in het geval van terroristen
zoals de mannen die we in Parijs aan het werk zagen. Zij geloven
immers in allerlei waarden die tegen de onze ingaan: de
ondergeschiktheid van de vrouw aan de man, haat naar andere religies,
en de verdoemenis van de kafir.
Die terroristen slachten met plezier een mens af omwille van diens
religieuze of politieke overtuigingen. Wat laat hen toe om het
onthoofden van een man in het ene geval als misdaad en in het andere
geval als heldendaad te zien? Hoe kunnen ze blind zijn voor dat
interne conflict in hun morele bewustzijn?

Ze
slagen daarin, omdat ze zich steeds identificeren met een specifieke
gemeenschap. Vervolgens beschouwen ze de rest van de mensheid als de
ethische vijanden van die gemeenschap, die dood en verminking
verdienen. Bepaalde terroristen identificeren zich zo met de
Palestijnen; anderen met de puriteinse moslimgemeenschap in Pakistan.
Maar ook daar keren ze zich al snel tegen de morele gemeenschap in
kwestie. In Pakistan slacht de Taliban vandaag moslimkinderen af in
naam van de islam. En in Palestina dreigt Hamas hetzelfde te doen met
zijn tegenstanders in het Palestijnse volk.

Gevaar

Overal
converteert het terrorisme het misdadige tot het lovenswaardige. Het
is geen toeval dat het erin slaagt om straatboefjes om te toveren tot
strijders en ideologische bewegingen tot criminele organisaties. Die
transformatie van misdaad tot heldendaad kan zich enten op zowat elke
groep of beweging – van het nationalisme tot de vrijheidsgedachte,
van communisme tot zionisme, van christendom tot islam. Het
terrorisme bestaat dus onafhankelijk van godsdienst en ideologie,
maar ent er zich tegelijkertijd op. Criminelen transformeren zichzelf
tot helden door Gods wil in te roepen, maar even goed in naam van het
Amerikaanse nationaal belang of de vrijheid van het Baskische volk.

Door
het idee te aanvaarden dat terroristen ‘radicale’ moslims zijn,
nemen we gewoon hun zelfbeschrijving over. Vandaag enten zij zich op
de islam om hun wandaden te rechtvaardigen en te herbeschrijven als
buitengewone ethische verwezenlijkingen. Morgen kunnen zij even goed
beroep doen op de ideologie van ‘vrijheid en gelijkheid’ en
stellen dat hun ‘heroïsche daden’ in het teken staan van het
gevecht tegen onderdrukking. Gaan we ze dan herdopen tot ‘radicale
verlichtingsdenkers’? En wat als ze overmorgen weer een ander
verhaal opnemen?

Ook
de buitensporige impact van het terrorisme op de samenleving krijgt
vanuit deze hypothese een verklaring. De terrorist vertrekt vanuit
gedeelde morele opvattingen om ordinaire moord tot buitengewone
moraliteit te maken. Hij weet dat het misdadig is om een school op te
blazen, maar tegelijk stelt hij die daad gelijk aan het redden van
een baby uit een brandend gebouw. Dat is beangstigend, niet alleen
door het geweld, maar omwille van de ondermijning van elke morele
fundering voor onze samenleving.

Waar
ligt de oplossing? We moeten het leerproces onderzoeken dat de
ervaring van de terroristen vormgeeft – het mechanisme dat hen
toelaat misdaad tot heldendaad te transformeren. Dat is het proces
dat plaatsvindt in gevangenissen of tijdens trainingskampen en trips
naar Syrië. We kunnen dat wel ‘radicalisering’ noemen, maar dat
woord misleidt alleen.

De
terrorist is geen ‘geradicaliseerde’ moslim. Wat hem tot een
terrorist maakt, is dat hij zijn misdaad tot een unieke heldendaad
omzet. Hij doet beroep op de morele waarden van een gemeenschap om
die omver te werpen. Zijn ultieme overwinning is dat wij die beweging
zelf verder zetten in naam van de strijd tegen het terrorisme – dat
we de democratische vrijheden opgeven, net in naam van het beschermen
van de democratie. Daar ligt misschien wel het grootste gevaar
vandaag.

Jakob
De Roover is docent aan de vakgroep Vergelijkende
Cultuurwetenschappen, Universiteit Gent.

take down
the paywall
steun ons nu!