Is er leven na het OCMW?

Is er leven na het OCMW?

woensdag 21 januari 2015 18:18

Na jarenlange speculatie en stapsgewijze afbouw is het doek nu toch
finaal over het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn gevallen.
Dit betekent, als men rekening houdt met de voorgangers in allerlei
bestaansvormen, dat er na meer dan tweehonderd jaren geen officiële
lokale overheidsinstelling meer zal zijn die zich apart bezighoudt met
armoede. De nota van bevoegd minister Liesbeth Homans heeft in ieder
geval enkele voordelen. Er wordt een duidelijke piste gekozen, er wordt
vroeg genoeg over nagedacht en het traject richting 2019 is reeds
uitgestippeld. Geen vage beloften, enerzijds-anderzijds dilemma’s en
wollig taalgebruik. Dat verdient alvast een applaus.

De kritische geesten onder ons zullen de vorm en de stijl uiteraard
van ondergeschikt belang vinden en focussen op de inhoud en de
principes. Vanuit bepaalde partijen weerklinkt de roep om de integratie
van de OCMW’s in de gemeenten terug te draaien, omdat anders het sociaal
beleid verzwakt zou worden en de individuele rechten niet langer op een
gelijke manier gegarandeerd. Dit gaat voorbij aan de notie dat een
succesvol en gedragen lokaal sociaal beleid niet vast hangt aan een
instelling en er al helemaal niet door verzekerd wordt.

Het decreet lokaal sociaal beleid had reeds een geïntegreerde insteek
voor ogen, waarbij het OCMW samen met de gemeentelijke diensten en
lokale actoren een beleid moest uitstippelen dat alle facetten van
armoedebestrijding en welzijn verenigde. De samenhang met onder meer
werken, wonen, cultuur en vrije tijd moest sterker worden en de lokale
overheid moest meer optreden als coördinerend facilitator dan als
omnipotente actor. Het was ook in dit kader dat de Sociale Huizen
ontstonden, met het oog op een verlaging van de drempels en het
centraliseren van alles wat aan het sociale grensde. De sterkte van
zowel het lokaal sociaal beleid als het sociaal huis verschilde enorm
van gemeente tot gemeente en varieerde van een echt geïntegreerde
werking tot een lege doos.

Het argument dat samen met de OCMW’s ook de aandacht voor het sociale
op het lokale vlak zal verdwijnen, is dan ook kort door de bocht. Ook
vandaag hadden de gemeenten de sleutels in handen om voor een sterk of
een zwak beleid te gaan. De gemeentelijke dotatie bepaalde de slagkracht
van de OCMW’s in significante mate. Met de nieuwe beleids- en
beheerscyclus, en de budgettaire evenwichten die hiermee gepaard gaan,
werd dit instrument nog crucialer. Dit werd gedemonstreerd door de
besparingsronden in verscheidene gemeenten. Budgettaire discipline
primeerde vaak boven investeringen in welzijn, de slagkracht van een
aparte instelling ten spijt. De Raad voor Maatschappelijk Welzijn is
daarnaast ook een politiek orgaan waarbij de leden niet rechtstreeks
verkozen worden, maar waar dit door de partijen zelf, via de
gemeenteraad, invulling krijgt. De optie om gemeenteraadsleden de beide
raden te laten frequenteren wordt beperkt ingevuld. Het ambt van
OCMW-raadslid fungeert te vaak als troostprijs voor een electorale
net-niet-prestatie.

Het gaat bij armoedebestrijding dus niet zozeer om het behouden van
een aparte instelling, als wel over het gewicht van het sociale binnen
het lokale beleid. Dit kan evenzeer gegarandeerd worden in de context
van een gezamenlijk lokaal bestuur. De nota van minister Homans geeft
duidelijk aan welke alternatieven werden bekeken voor de integratie. De
eerste optie is de volledige integratie, inclusief de politieke organen.
Hier wordt terecht aangegeven dat het onwenselijk is dat individuele
hulpverlening op de agenda van het College terechtkomt, zowel omwille
van de specifieke aard als door de hoeveelheid ervan. Ten tweede is er
de piste-VVSG, met een verzelfstandigd agentschap dat het lokaal sociaal
beleid moet coördineren. Zo zou er opnieuw een (semi-)aparte instelling
komen met politieke vertegenwoordiging. Dan kan men alles beter bij het
oude houden (wat, wie weet, de achterliggende bedoeling is). De derde
optie ten slotte, diegene die ook in de nota gekozen wordt, voorziet een
volledige integratie met een apart politiek orgaan, het huidige
Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst.

Dit moet ervoor zorgen dat de individuele hulpverlening op eenzelfde
manier zal worden benaderd als actueel binnen de OCMW’s het geval is.
Gezien de omvang van het sociale onderzoek en de aard van de
hulpverlening betreft het hier privacygevoelige en delicate materie. Een
apart orgaan voorziet in de nodige voorzichtigheid maar eveneens de
gewenste expertise om een goede en eerlijke behandeling te garanderen.
In de nota wordt meerdere keren verwezen naar het apolitieke karakter
van dit orgaan. Dit is echter niet volledig het geval. Men zou het
Comité kunnen depolitiseren door externen en experten erin te laten
zetelen, maar de lokale insteek zal er altijd voor zorgen dat er een
zekere subjectiviteit met de toekenning gemoeid is, een die niet meer
dan logisch is, maar eigenlijk totaal afwezig zou moeten zijn. Wil men
de hulpverlening echt depolitiseren, dan zou men richtlijnen moeten
opleggen waarbij enkel de feitelijkheden worden weergegeven, maar
persoonlijke gegevens uit de besluitvorming worden weerhouden. De rol
van de lokale politicus zou moeten kunnen herzien worden.

Een ander belangrijk aspect dat niet wordt aangehaald is de
schaalgrootte. Een integratie van OCMW en gemeentediensten kan zorgen
voor efficiëntiewinsten binnen de ondersteunende diensten maar is nog
geen garantie voor een echt sterker sociaal beleid. In dat opzicht had
een integratie tussen verschillende OCMW-diensten interessanter geweest.
Het zou de slagkracht versterkt hebben om zaken aan te pakken die een
interregionale insteek vereisen, zoals het woonbeleid, het
activeringsbeleid of integratie. Daarnaast zou het ook de individuele
hulpverlening een apolitieke insteek kunnen geven. Natuurlijk kan men
stellen dat dit voorbij gaat aan de democratische toets. Elk lokaal
bestuur moet een eigen sociaal beleid uitwerken. Maar het heeft geen zin
om te ontkennen dat grenzen in deze iets bijzonders willekeurigs
hebben, zeker wat individuele hulpverlening betreft.

De globale keuze is gemaakt, vier jaar voor de feitelijke integratie
moet plaatsvinden. Dat is alvast iets om toe te juichen. Toch zijn er
nog enkele details die belangrijk zijn voor het welslagen van dit
traject. Er zal nog enige tijd onduidelijkheid zijn over de praktische
uitwerking op personeelsvlak, niet in het minst voor de secretarissen en
financieel beheerders, de zogenaamde decretale graden. De keuze voor of
de gemeentesecretaris of de OCMW-secretaris lijkt evident, maar zal
waarschijnlijk uitmonden in een secretaris en een adjunct-secretaris,
waarbij die eerste een loonsopslag krijgt en die tweede het loon behoudt
voor een verminderd takenpakket. Daarnaast zal men waarschijnlijk
trachten om het OCMW te herleiden tot een sociale dienst, waarbij
thuiszorgdiensten en opvangvoorzieningen in het vizier komen.

Maar ook de politieke insteek zal ervoor zorgen of dit daadwerkelijk
een vooruitgang betekent. Zo is het onwenselijk dat het verdwijnen van
de OCMW-raad betekent dat er een compensatie volgt in de vorm van een
uitgebreide gemeenteraad. Dit zou de politieke slagkracht van de lokale
besturen niet verhogen, maar enkel de partijpolitieke belangen dienen.
Daarnaast is het belangrijk dat de nieuwe sociale dienst onder een
schepen valt, zoals nu bij het OCMW het geval is met de voorzitter, die
wel kan waken over een geïntegreerde insteek, maar zonder dat het een
strijdplek wordt voor de belangen van de individuele leden van het
College. Ten slotte moet er goed nagedacht worden hoe men vermijdt
dat de gemeentelijke sociale dienst geassocieerd wordt met hetzelfde
stigma dat nu over de OCMW’s hangt.

In bepaalde kringen wordt de afschaffing met enthousiasme onthaald,
niet het minst omdat men sociaal beleid en armoedebestrijding niet
belangrijk vindt, vaak gelinkt aan de absurde notie dat de overgrote
meerderheid van de OCMW-steuntrekkers deel uitmaken van het zogenaamde
profitariaat. Anderen halen dan weer efficiëntie aan voor deze voor hen
logische en rationele stap. Hier dient aangehaald te worden dat een
integratie aanvankelijk veel geld kost, dat men nog lange tijd dubbel
zal werken en dat efficiëntiewinsten pas na enkele jaren worden geboekt.
Ook zal het lokaal sociaal beleid tijdelijk ondergesneeuwd geraken door
de focus op de interne structuren. De helderheid van de nota is in
ieder geval toe te juichen, maar het is te hopen dat de beloofde kaders
en deadlines gerespecteerd worden en dat het doorhakken van de
resterende knopen op een even rationele manier zal gebeuren.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!