Het racismedebat: L’enfer, c’est les Autres

Het racismedebat: L’enfer, c’est les Autres

zaterdag 3 januari 2015 16:28
Spread the love

Vandaag viel mijn oog op het opiniestuk van Peter De Roover,
parlementslid van N-VA, een repliek op de wanhoopskreet van Dalilla
Hermans over racisme in Vlaanderen, een stuk dat was ingegeven door
eigen ervaringen. Racisme is een complex sociaal gegeven met een lange
historische voorgeschiedenis. Ik vind het dan ook altijd moeilijk om
voor mijzelf tot de kern van het probleem te komen, in te schatten in
welke mate het in onze samenleving is ingebakken en hoe dit (onbewust)
ook meespeelt in mijn visie op mens en maatschappij.

De Roover wijst op het gevaar van het veralgemenen van eigen
ervaringen naar de maatschappij toe en roept op om de
wij-zij-problematiek tussen de (laat ons ze voor het gemak) blanke en
gekleurde Vlamingen om te keren. Wederzijdse beschuldigingen hebben
enkel tot resultaat dat we in de eigen hokjes blijven denken. We moeten
minder de ander beschuldigen van kwaad opzet en meer de
onverdraagzaamheid binnen onze ‘eigen groep’ identificeren en
veroordelen. De ondertoon is dat alles de goede richting uitgaat, maar
dat groeipijnen onvermijdelijk zijn gezien de structurele verankering
van racisme en discriminatie gedurende een lange periode. Het is
inderdaad zo dat we nog steeds op zoek zijn naar een manier om de
nieuwe, diverse samenleving echt te laten slagen, dit wil zeggen voor
alle betrokken partijen.

Hoewel Peter De Roover geen ideologische medestander is, of beter
gezegd, ik geen ideologische bondgenoot van hem, vind ik zijn
opiniestukken vaak getuigen van een grote nuanceringszin en een wil tot
wederzijds begrip. Deze specifieke bijdrage roepen echter enkele vragen
op die ik hieronder opsom en zelf niet volledig kan beantwoorden, gezien
het eerder hersenspinsels zijn dan een weldoordachte argumentatie. Het
moet niet gezien worden als een repliek op De Roover, als wel het
neerpennen van enkele bedenkingen die in mij opborrelden bij het lezen
van het opiniestuk.

1) De eerste bedenking gaat over het eigen oordeelsvermogen dat onze
kijk op de wereld kleurt en (ver)vormt. Uiteraard is dit het geval en
uiteraard speelt dit een belangrijke rol in de ervaring van
discriminatie en racisme. De totstandkoming van dit ‘gekleurde’
oordeelsvermogen kan echter zeer verschillend zijn. Neem nu het fenomeen
waarbij men in overwegende ‘blanke’, rijke gemeenten villa’s aantreft
met gigantische hekken en met, tot voor kort, een groot aantal
percentage kiezers die op het Vlaams Belang stemt, zonder dat daar
contact met allochtonen of niet-blanke Vlamingen mee gemoeid zijn. Dit
is vooral gebaseerd op media en verhalen die onderling gedeeld worden.
Recent nog wees een onderzoek uit dat er een correlatie bestaat tussen
het aantal migranten in Britse kiesdistricten en het succes van UKIP en
BNP, die gekend staan om hun eerder kritisch migratiediscours. Deze was
omgekeerd evenredig. (Hoe minder migranten, hoe populairder deze
partijen)

In het geval van Dalilla Hermans is het oordeelsvermogen, en het feit
dat het al dan niet de realiteit van racisme in Vlaanderen kleurt,
veroorzaakt door reële ervaringen die een zekere achterdocht jegens de
gemiddelde autochtone, blanke Vlaming tot gevolg hadden. Dit wil niet
zeggen dat bepaalde zaken niet op een manier geïnterpreteerd kunnen
worden terwijl de realiteit enigszins anders is, in dit geval iets
interpreteren als discriminatoir terwijl het in principe niet zo is. Het
wil wel zeggen dat de grond van deze gekleurde blik niet uit het ijle
komt en als dusdanig moet worden weggewoven.  Het is dus niet zozeer een
bitterheid die van tafel moet worden geveegd in de naam van nuancering,
als wel een gevolg van een werkelijk maatschappelijk probleem. Dit
brengt mij bij mijn volgende bedenking.

2) Het racismedebat is zo moeilijk omdat ons vermogen om in de ander
te kruipen en ons in te leven in de ander, zeer beperkt is, net omdat we
altijd zullen vertrekken vanuit een eigen oordeelsvermogen. Dit
manifesteert zich bijvoorbeeld wanneer iemand opklimt uit de armoede.
Stel dat ik opgroei in een sociale woonwijk, mij toeleg op onderwijs,
hogere studies met succes afrond en zo opklim tot de betere
middenklasse. Ik zou nu kunnen denken dat dit de sociale norm is en dat
iedereen die moeite doet, dit ook kan. Dit is een andere manifestatie
van het kleuren van het oordeelsvermogen, zoals in punt 1 omschreven. Het
heeft echter niet enkel tot gevolg dat ik bepaalde tendensen in de
maatschappij interpreteer vanuit een bepaalde ervaring, maar dat ik mijn
eigen ervaring projecteer op de ander. Wanneer iemand in armoede blijft
steken, is dit geen gevolg van een socio-economische realiteit, maar
wordt het wel een voorbeeld van een moreel falen.

In het racismedebat werkt dit dus niet alleen door zoals in punt 1,
namelijk het interpreteren van ongelukkige communicatie of afwezigheid
van een basishoeveelheid beleefdheid in de huidige maatschappij, maar
ook omgekeerd, dat ik als blanke Vlaming onmogelijk kan weten of
bepaalde gebruiken, handelingen of maatschappelijke fenomenen al dan
niet racistisch zijn. Het is met andere woorden voor een blanke,
heteroseksuele, relatief welgestelde, jonge man moeilijk om een oordeel
te vormen over discriminatie tegen deze minderheden (allochtonen,
holebi’s, armen, ouderen, vrouwen) net omdat ik moet afgaan op een
inlevingsvermogen dat a priori beperkt is en nooit gestoeld kan zijn op
enige vorm van ervaring. Net zoals de blik van Dalilla Hermans gekleurd
wordt door negatieve ervaringen is een relativering van discriminatie
vaak ingegeven door een blik die gekleurd wordt door een afwezigheid van
soortgelijke ervaringen. Dit lijkt evident, maar is wel belangrijk om
de eigen positie in het racismedebat te nuanceren en in een juistere
context te plaatsen.

3) Ten derde lanceert De Roover volgend goed voornemen voor 2015:
“Als we ons nu toch eens allemaal wat meer bezig hielden met mensen uit
‘onze groep’ (jawadde) op de vingers te tikken wanneer die zich
onverdraagzaam opstellen, in plaats van dat vingertje steeds
voorspelbaar naar de andere kant te richten?” Op zich is dit een zeer
goed voornemen, maar moeilijk wanneer het courant voorkomt dat racisme
gerelativeerd wordt  door aan te halen dat het om subjectieve gevoelens
gaat, die voortkomen uit een gekleurd oordeelsvermogen. Wanneer we dan
het onderscheid maken tussen latent racisme, dat structureel aanwezig is
in een samenleving, en een sterkere, openbare vorm van racisme, wordt
het minder evident om dit goed voornemen ook in de praktijk te kunnen
omzetten.

Wanneer het om het uitgieten van een pint bier over het hoofd gaat,
is het duidelijk dat het vingertje de lucht in kan. Hetzelfde gaat over
het weigeren van een toegang op basis van huidskleur of afkomst. Maar
voor die fenomenen die wel degelijk aanwezig zijn (discriminatie op de
huurmarkt of arbeidsmarkt) is het al heel wat moeilijker om als groep te
reageren. De oproep om eerst naar de eigen ‘groep’ te kijken en dan pas
de ander verwijten over te maken, zou kunnen gelezen worden aan een
oproep om ook als allochtoon of persoon van vreemde afkomst de hand in
eigen boezem te steken en zo de eigen verantwoordelijkheid te omarmen.
Dit is echter ten dele een intentieproces en ik wens Peter De Roover
hier niet van te beschuldigen, al is het niet moeilijk in te beelden dat
deze reflex wel in een significant deel van de samenleving ingebakken
zit.

4) Het racismedebat is hoofdzakelijk een maatschappelijk en slechts
ten dele een wetenschappelijk debat. Bevragingen leren ons bijvoorbeeld
veel over de manier waarop discriminatie in onze maatschappij wordt
ervaren (bijvoorbeeld x% die vindt dat hij moeilijk aan een job geraakt
vanwege de buitenlandse naam of x% die vindt dat zij moeilijker toegang
heeft tot de huurmarkt vanwege haar huidskleur). Dit kan (en wordt ook
in de praktijk) echter weggezet worden als een gevolg van het gekleurde
oordeelsvermogen, zoals reeds besproken. Kijken we naar de de facto
achterstelling op de arbeidsmarkt dan kan men eveneens opwerpen dat er
verscheidene factoren zijn om deze te verklaren die niets met racisme te
maken hebben (socio-economische positie, opleidingsniveau,
taalachterstand, etc., waarbij weer de bedenking kan worden gemaakt dat
ook hier iets aan de basis van ligt).

Het probleem met het debat rond racisme en discriminatie is dat het
in principe zou gevoed moeten worden met objectieve data. We zouden
moeten kunnen meten hoe vaak discriminatie voorkomt en hoe structureel
racisme in onze samenleving is ingebakken. De harde cijfers zeggen
echter nooit de waarheid en de ervaringen worden te makkelijk weggewoven
als gekleurd. We moeten dus de gulden middenweg van onderzoek en
ervaring omarmen, rekeninghoudend met de beperkingen van beiden.

5) Ten slotte moet ook gezegd worden dat als iets als racistisch
wordt geïnterpreteerd, zonder dat het daadwerkelijk racistisch is of is
bedoeld, dat dit het subjectieve onbehagen niet per se moet doen
relativeren. Dit kan geïllustreerd worden op verschillende manieren.
Neem nu ten eerste de metingen die gebeuren naar gezondheid. In de
bevragingen zal er steeds worden gekeken naar objectieve en subjectieve
gezondheidsgraad.  We kunnen relatief gezond zijn en ons toch heel
ongezond voelen. Een afgeleide hiervan is de mentale gezondheid. We
kunnen ons makkelijk depressief voelen zonder het te zijn. Als
maatschappij zullen we echter ook proberen dit subjectief onbehagen te
erkennen en aan te pakken. Niet iedereen die bij een psycholoog of
dokter langsgaat heeft hier bijvoorbeeld écht nood aan. We nemen dit dus
echter wel au sérieux.

Een ander voorbeeld is criminaliteit. Ondanks het feit dat
criminaliteit de laatste jaren opvallend is gedaald en het dus objectief
gezien veiliger leven en wonen is, zullen politici wel vaak inspelen op
het subjectief onveiligheidsgevoel. Mensen die bang zijn om buiten te
komen of de bus te nemen, hoewel hier maar in zeer geringe mate reden
toe is, worden vaak op hun wenken bediend met camera’s of meer
patrouilles. We reageren dus op het subjectief onbehagen. Hoewel het
moeilijker is om dit ook te doen voor racisme en discriminatie, is het
wel zo dat we, in de geest van bovenstaande voorbeelden, rekening moeten
houden met het subjectieve maar reële onbehagen die het resultaat is
van pijnlijke ervaringen, die de blik jaren later nog mee bepaalt.
(Waarmee ik overigens allesbehalve wil beweren dat een meerderheid van
die negatieve ervaringen ingebeeld zijn)

Deze losstaande bedenkingen vormen, zoals reeds gezegd, geen
structurele repliek of argumentatie over racisme en discriminatie maar
eerder een opsomming van hersenspinsels die de problematiek voor mijzelf
een tikkeltje meer grijpbaar kunnen maken en een poging om zicht te
krijgen op de beweegredenen en de verzuchtingen van beide partijen
binnen het racismedebat, maar even goed in de interactie met elkaar. Het
is op zich problematisch dat deze discussie onvermijdelijk in een
wij-zij-denken vervalt. In ieder geval is racisme een maatschappelijk
falen dat in elke verschijningsvorm moet veroordeeld worden.

Het kan en zal inderdaad wel zijn dat we vooruitgang boeken op het
vlak van diversiteit, de omgang ermee en het stimuleren ervan. Alleen
worden deze positieve elementen ongedaan gemaakt wanneer we ze gebruiken
als bewijs dat het onbehagen van de groep die zich gediscrimineerd
voelt geen bestaansrecht zou hebben. Het is niet omdat er stappen worden
gezet, dat de hele weg is afgelegd. Het hele debat mag niet verzanden
in een stellingenoorlog waarbij de nuance opgeofferd wordt voor het
vrijwaren van de eigen verantwoordelijkheid of de gemakzucht van de
veralgemening. Daarover ben ik het 100% eens met De Roover. Wat dat
betreft is het inderdaad geen slecht idee om enerzijds stil te staan bij
onze bewuste of onbewuste rol hierin en anderzijds te realiseren dat we
de kijk van de ander niet kunnen neutraliseren door onze eigen kijk als
norm te nemen. Zoals steeds ligt de waarheid ergens in het midden en is
de enige echt weg vooruit die van dialoog, begrip en receptiviteit.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!