Details Feature Naar carrousel Small Medium Large Verwijder  × Details Archieftitel:

Onderschrift bij foto (zichtbaar op website):
Sluit venster

Vanuit het niets verovert een terreurorganisatie de tweede grootste stad van Irak. Ook andere steden worden ingenomen en nu rukt deze bijzonder wreedaardige jihadibeweging op naar de hoofdstad Bagdad. Het lijkt wel een scenario van een Hollywoodfilm, een scenario dat perfect past in de 'war on terror' en de groeiende islamofobie. Het is praktisch zonder uitzondering de versie van de mainstream media.

Deze versie doorstaat helaas de toets van de werkelijkheid niet. Er is veel meer aan de hand dan de plotse opmars van woeste jihadis. Zoals gewoonlijk is de werkelijkheid iets weerbarstiger dan kinderlijke Hollywoodscenario’s.  

De werkelijkheid roept direct een aantal vragen op 

Om te beginnen heeft de terreurorganisatie ISIS niet de mankracht om Mosoel, een stad van bijna twee miljoen inwoners te veroveren en te bezetten, laat staan om verschillende stedelijke gebieden in te nemen. Dat zegt o.a. Charles Lister van het Brookings Institute.

Zo’n goed gecoördineerde operatie veronderstelt ook een perfecte kennis van het (stede

De bloedige geschiedenis van sjiitische milities in Irak

De opmars en het succes van Islamitische Staat (IS) in Irak is grotendeels te wijten aan de ontwrichting van het Iraakse staatsbestel, het al jaren aanhoudende sektarisch geweld en de marginalisering van de soennitische minderheid in het land. Vanaf 2005 tot 2008 oefenden sjiitische milities, bewapend en getraind door Washington, een waar terreurbewind uit tegen de soennitische bevolking.

woensdag 24 december 2014 15:08

De soennitische bevolking verloor alle vertrouwen
in het centraal gezag in Bagdad en kwam uiteindelijk in opstand. We
blikken even terug op deze zwarte en nagenoeg vergeten bladzijde uit de
recente Iraakse geschiedenis, noodzakelijk om het huidige geweld en
de opkomst van IS (‘Daish’ volgens het Arabische acroniem) beter te
begrijpen.

De
Verenigde Staten heeft het voortouw genomen in een internationale
militaire operatie die de opmars van IS in Irak en Syrië moet
stuiten en terugdringen. Nochtans draagt de VS een
grote verantwoordelijkheid voor wat er vandaag in Irak gebeurt. De
huidige situatie is een gevolg van de Amerikaanse invasie (2003) en
de daaropvolgende bezetting (2003-2011) van Irak. Die bezetting telt
vele duistere aspecten zoals corruptie, folteringen, doodseskaders en
aanslagen. Sjiitische milities konden tijdens de VS-bezetting op
Amerikaanse militaire steun en middelen rekenen in het kader van een
bewuste verdeel-en-heers-politiek. Dezelfde milities zijn vandaag
opnieuw betrokken in grootschalige mensenrechtenschendingen gericht
tegen de soennitische minderheid in Irak. Terwijl alle internationale
aandacht gericht is op IS en zijn gruwelijkheden, worden de brutale
represailles van deze sjiitische milities tegen de soennitische
bevolking veel minder onder de aandacht gebracht.

Amerikaans
initiatief

Tijdens
de Amerikaanse bezetting van Irak opereerden doodseskaders vanuit het
Iraaks ministerie van Binnenlandse Zaken, dat onder controle stond
van de Badr-Brigades – tot vandaag een van de machtigste sjiitische
milities in Irak. Sinds de val van Mosoel, de op twee na grootste
stad in Irak, die in juni 2014 veroverd werd door IS-militanten,
beschuldigen internationale mensenrechtenorganisaties de in het
strijdgebied actieve sjiitische milities van grootschalige
moordpartijen op soennitische burgers, ontvoeringen en de etnische
zuivering van tientallen soennitische dorpen. De sjiitische milities
beschouwen iedereen die niet gevlucht is voor de opmars van IS als
‘collaborateurs’. In sommige gevallen reden de militieleden van
soennitisch dorp naar soennitisch dorp in Humvees afkomstig van het
VS-leger, die ze waarschijnlijk verkregen via de Iraakse
strijdkrachten. Human Rights Watch deed begin november 2014 nog een
dringende oproep aan ‘buitenlandse regeringen’ om de militaire steun
en assistentie aan de sjiitische milities in Irak stop te zetten. Ze
worden bewapend en gesteund door de Iraakse regering (die op haar
beurt gesteund wordt door de VS en andere Westerse bondgenoten), maar
ook door Iran. De leider van de Badr-milities, Hadi al-Hamri, vocht
nog aan de zijde van de Iraanse Revolutionaire Garde tijdens de
Iraans-Iraakse oorlog (1980 – 88). Die prominente band van de
Iraakse sjiitische milities met Iran zorgt voor eigenaardige
coalities, want ook de VS werkt al jaren samen met deze milities,
terwijl Washington en Teheran erfvijanden van elkaar zijn.

De
Amerikaanse militaire steun aan de sjiitische milities en hun brutale
optreden kent een lange voorgeschiedenis. Zes maanden na de invasie
van Irak in 2003 waarschuwde de CIA in een gelekt rapport voor het
groeiend verzet tegen de invasie vanuit verschillende lagen van de
Iraakse maatschappij. De CIA waarschuwde in de eerste plaats voor het
gewapend verzet in het soennitische centrum van het land, maar ook
voor het gevaar van de uitbreiding en verspreiding van het verzet
naar het sjiitische deel van het land, waar de meerderheid van de
Iraakse bevolking leeft. Het was dus in het belang van de Amerikanen
dat het soennitisch en het sjiitisch verzet zich niet zou verenigen
tegen hun militaire interventie in Irak. Eind 2003 schreef
onderzoeksjournalist Seymour Hersh in The New Yorker dat er een
speciale commando-eenheid werd opgezet onder de naam Task Force 121
die de opdracht kreeg om opstandelingen van de voormalige
Baath-partij (de partij van ex-president Saddam Hoessein) gevangen te
nemen of te vermoorden. De leden van Task Force 121 werden voorbereid
en getraind in samenwerking met Israëlische veiligheidstroepen die
op vlak van buitenrechtelijke executies over heel wat terreinervaring
beschikken. De speciale operatie moest een antwoord bieden op het
groeiend Iraakse verzet tegen de Amerikaanse bezettingstroepen die
heel wat verliezen leden.

Negroponte
& de Salvador-optie

Het
Amerikaanse blad Newsweek citeerde op 8 januari 2005 een Amerikaanse
functionaris in Bagdad die stelde dat de enige manier om te winnen
eruit bestond om “onconventioneel te gaan”. Kortom: terreur tegen
terreur. Het is een van de eerste keren dat er berichten lekten over
een geheim programma dat in die tijd binnen het Pentagon werd
bediscussieerd als de ‘Salvador-optie’, een verwijzing naar een
clandestien programma dat gelanceerd werd ten tijde van VS-president
Ronald Reagan (begin jaren 1980) en gericht was tegen de linkse
guerrilla-beweging in El Salvador. Om de opmars van de Salvadoraanse
rebellen te stoppen, verleende het Pentagon toen steun aan
rechts-nationalistische milities in het land, met inbegrip van
doodseskaders, om de linkse leiders en sympathisanten te vermoorden.
In dezelfde periode was de rabiate anti-communist John Negroponte de
Amerikaanse ambassadeur in Honduras (1981-1985), waar hij volgens de
diplomatieke telexen gelekt door Wikileaks betrokken was bij de
‘counterinsurgency’-operaties in El Salvador en Nicaragua. De
anti-guerrilla operaties in deze landen zorgden voor vele duizenden
dodelijke slachtoffers. De Amerikaanse diplomaat John Negroponte was
voordien werkzaam op de VS-ambassade in Saigon in Zuid-Vietnam, waar
hij zich hevig verzette tegen een vredesakkoord met Noord-Vietnam. Op
het moment van Negroponte’s vertrek uit Saigon, werd in Zuid-Vietnam
het Phoenix-programma gelanceerd, de codenaam van een geheim
‘counterinsurgency’-programma waarvan zelfs William E. Colby, de
toenmalige CIA-verantwoordelijke, achteraf verklaarde dat “er veel
dingen gedaan werden die niet hadden mogen gebeuren”. Het
Phoenix-programma was ontwikkeld om de infrastructuur van het
Nationaal Bevrijdingsfront van Zuid-Vietnam (beter gekend als de Viet
Cong) te identificeren en ‘te neutraliseren’. Onder dit CIA-programma
werden verdachte Viet Cong-leden opgepakt of vermoord, net zoals
burgers waarvan men dacht dat ze informatie konden verschaffen over
Viet Cong-leden. In de ondervragingscentra werden velen van hen
gemarteld. Met de informatie die zo verkregen werd, konden dan weer
nieuwe verdachten opgepakt, gemarteld en vermoord worden. Phoenix was
van kracht van 1965 tot 1972 en maakte 41.000 dodelijke slachtoffers.

John
Negroponte werd midden 2004 aangesteld als Amerikaans ambassadeur in
Irak op het moment dat Ayad Allawi aantrad als premier van de Iraakse
Interim-regering (juni 2004 tot mei 2005). Alvorens Negroponte deze
positie aanvaardde, fungeerde hij als ambassadeur van de Verenigde
Staten bij de Verenigde Naties. President Bush stelde hem in 2001 aan
na de terroristische aanslagen van 9/11. In de ‘New
York Review of Books’, rapporteerde de Amerikaanse journalist Stephen
Kinzer dat de boodschap die de VS wilde overbrengen door Negroponte
aan te stellen als VN-ambassadeur neerkwam op: “De Bush-regering
zal niet gebonden zijn aan diplomatieke vriendelijkheidjes terwijl
het zijn buitenlands beleid voert”. In Irak verving Negroponte in
de zomer van 2004 Paul Bremer
III die van mei 2003 tot juni 2004 aan het hoofd stond van de
Voorlopige Autoriteit van de Coalitie, het tijdelijke Amerikaanse
bestuur in de beginperiode van de bezetting. Negroponte trad aan als
ambassadeur in Irak in de periode dat de rekrutering startte van de
eerste bataljons van Iraakse Speciale Politie Commando’s. De
trainingen van deze speciale eenheden zouden geleid worden door
kolonel op rust James Steele. Diezelfde James Steele was van 1984 tot
1986 de commandant van het Amerikaanse militaire adviseursteam in El
Salvador, ten tijde van de grote moordpartijen in het
Latijns-Amerikaanse land.

Staatsterreur

Op
elk niveau was de Verenigde Staten nauw betrokken bij de organisatie,
training, financiering en bewapening van de Speciale Politie
Commando’s. Elke Iraakse eenheid werkte nauw samen met Amerikaanse
eenheden of adviseurs. De
Amerikaanse diplomaat die onder Paul Bremer III het Iraakse
ministerie van Binnenlandse Zaken leidde,
Steve W. Casteel, was
na de installering van de Iraakse Interim-regering aangebleven als
adviseur van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Falah
al-Naqib. Het was onder al-Naqib’s ministerie dat de speciale
politie-eenheden ressorteerden. Het is nagenoeg onmogelijk dat
de VS niet op de hoogte was van de wreedheden die deze Speciale
Politie Commando’s aanrichtten. Een van
de speciale eenheden die als eerste opgericht werd, de Wolf Brigade,
was hoofdzakelijk bemand door leden van de Badr-militie en stond
onder leiding van de sjiitische generaal Abu Walid. In de ‘Iraq War
Logs’, die in 2010 gepubliceerd werden door Wikileaks, getuigen
verschillende documenten expliciet over folteringen, ontvoeringen en
executies uitgevoerd door leden van de Wolf Brigade.

Eind
2005 werd een ‘vertrouwelijke’ telex verstuurd waarin de Amerikaanse
ambassade stelt dat het verslagen en getuigenissen ontvangen heeft
van afpersing, ontvoeringen en moorden op politieke kandidaten en
electorale campagnevoerders in de aanloop naar de Iraakse
parlementsverkiezingen van december 2005. Slachtoffers van de
ontvoeringen getuigden uitvoerig over de betrokkenheid van de Wolf
Brigade. Een andere telex gepubliceerd door Wikileaks beschrijft hoe
Amerikaanse troepen twaalf gevangenen na een gezamenlijke operatie
met de Wolf Brigade in de handen achterlieten van de Brigade-leden.
Acht van deze gevangenen werden geëxecuteerd. De andere vier
geraakten vermist. Alle informatie wijst op een klimaat van ware
staatsterreur waarvan duizenden, meestal soennitische Irakezen, het
slachtoffer waren. Het toppunt van de staatsterreur gericht tegen
soennieten kwam er tijdens Operatie
‘Together Forward’,
uitgevoerd door zowel Iraakse als Amerikaanse troepen van juli tot en
met oktober 2006 in Bagdad.

De operatie werd op 14 juni 2006
aangekondigd door de toen pas aangetreden sjiitische Iraakse premier
Nouri al-Maliki. Er werden in het kader van Operatie Together Forward
70.000 veiligheidstroepen de straten van de Iraakse hoofdstad
opgestuurd, er werden avondklokken geïnstalleerd en er werden nog
meer controleposten opgetrokken. Verder zouden Iraakse en Amerikaanse
troepen terroristische cellen binnenvallen en militaire operaties
opzetten tegen locaties waarvan men vermoedde dat er opstandelingen
actief waren. Deze operatie, die officieel bedoeld was om een einde
te maken aan het sektarische geweld dat Bagdad in zijn greep had, zou
juist leiden tot nog meer geweld en zelfs tot regelrechte etnische
zuiveringen. Er zouden in de periode van Operatie Together Forward
1300 tot 2000 burgerdoden per maand vallen. Volgens een onderzoek van
een Iraakse mensenrechtenorganisatie was 92% van de 3498 lichamen die
in verschillende streken van Irak werden teruggevonden, afkomstig van
mensen die gearresteerd werden door troepen van het ministerie van
Binnenlandse Zaken. Omdat de operatie het geweld in het land nog
verder deed escaleren, zag de Verenigde Staten zich uiteindelijk
verplicht om ze stop te zetten.

De
Sahwa-raden

Niet
alleen de sjiitische milities hielden lelijk huis in Irak. Er waren
soennitische milities actief. Om het geweld van radicale salafisten
(Al Qaeda in Irak) in de soennitische Al-Anbar provincie de kop in te
drukken, besloten lokale stamhoofden in 2005 de Sahwa-milities op te
richten, ook gekend als ‘de Zonen van Irak’ of de Soennitische
Beweging van Ontwaking. Dit soennitische initiatief werd initieel
onderschreven door de Amerikaanse bezettingsmacht, die ondersteunende
programma’s opzette en zorgde voor de betaling van alle manschappen.
De Sahwa-milities werden afgekocht om, zolang dit nuttig geacht werd,
aan de zijde van de Amerikaanse troepen en het Iraakse leger te
vechten. Deze strategie resulteerde in een concrete daling van het
aantal terreuraanslagen in het land. Maar eens het werk er op zat,
liet de VS de Sahwa-milities vallen.

In oktober 2008 stopte de
Verenigde Staten met het betalen van de lonen van de militieleden. De
Iraakse premier al-Maliki, leider van de sjiitische pro-Iraanse maar
tevens ook pro-Amerikaanse Islamitische Dawa Partij, zag deze
soennitische milities als een bedreiging voor zijn regering en
streefde naar hun ontbinding. Hun leiders werden de nieuwe doelwitten
van het Iraakse leger en de Speciale Politie Commando’s. Deze houding
van de al-Maliki-regering in combinatie met de gewelddadige manier
waarop ze uithaalde naar de protestbeweging tegen diens corrupte,
sektarische politiek, dreef een deel van de Sahwa-militieleden naar
het gewapend verzet tegen het centrale gezag in Bagdad.

Een deel van
hen sloot zich later ook aan bij de Islamitische Staat van Irak en de
Levant (sinds afgelopen zomer IS). Ondertussen heeft IS de controle
verworven over grote delen van het noordwesten van Irak. Het Iraakse
ministerie van Binnenlandse Zaken is altijd onder de controle van de
leiders van de sjiitische Badr Brigades gebleven. Hun campagnes van
detentie, martelingen en buitenrechtelijke executies werden nooit
stopgezet. Ze stonden in vergelijking met de afgelopen twee jaren
enkel op een lager pitje. Sinds het verzet tegen de regering
al-Maliki volop uitbarstte in 2012, worden de doodseskaders weer
voluit in de strijd gegooid.

De soennitische burgerbevolking in het
noorden van het land wordt momenteel dus zowel geconfronteerd met het
brutale regime van IS, als met de acties van de wrede doodseskaders.
Indien ze zich aan de strenge islamistische regels van IS houden,
hebben ze echter minder van hen te vrezen dan van de moorddadige
milities die samenwerken met hun eigen Iraakse regering. Het valt dus
niet te verwonderen dat velen van hen IS beschouwen als het mindere
kwaad. Hun hachelijke situatie is echter het rechtstreekse resultaat
van het vroegere en huidige Amerikaanse beleid in Irak.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!