Analyse -

Electorale winst seculier Tunesië: stap vooruit of stap terug?

Vier jaar nadat het land het startschot van de Arabische Lente gaf, gaat Tunesië een nieuwe fase in. Na de parlementsverkiezingen van oktober 2014 en de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in november 2014, tekent een nieuw politiek landschap zich af. Een eerste analyse door Loes Debuysere, doctoraatsstudente verbonden aan de Middle East en North Africa Research Group van de Universiteit Gent'

maandag 22 december 2014 14:27

Tunesië zet een nieuwe fase van zijn politieke transitie in. Na de
parlementsverkiezingen in oktober 2014 en de eerste ronde van de
presidentsverkiezingen in november 2014, tekenen de contouren van een
nieuw politiek landschap zich af. Afgelopen zondag 22 december, vond de
tweede ronde plaats van de presidentsverkiezingen. Volgens exitpolls
zijn deze gewonnen door Béji Caïd Essebsi, maar het is nog wachten op de
officiële resultaten. Wel is duidelijk dat de parlements- en
presidentsverkiezingen die Tunesië de voorbije maanden in de ban
hielden, gedomineerd werden door een politieke strijd tussen seculier en
Islamistisch Tunesië. Een strijd die de seculieren lijken te winnen,
maar tegelijkertijd een strijd die de nodige nuancering behoeft.

In een Arabische wereld die gebukt gaat onder toenemend geweld en
terrorisme lijkt Tunesië een regionaal succesverhaal. Terwijl buurland
Libië op de rand van staatsfalen balanceert en Egypte’s revolutie bijna
volledig ongedaan gemaakt is door een nieuwe militaire dictatuur, heeft
Tunesië sinds kort een fel bejubelde nieuwe grondwet en organiseerde het
eind 2014 nieuwe democratische verkiezingen. Toegegeven, de erg lange
aanloop naar deze verkiezingen liep niet van een leien dakje. De
grondwetgevende vergadering die eind 2011 verkozen werd om een nieuwe
grondwet te schrijven, had drie jaar -in plaats van het vooropgestelde
jaar- nodig om zich van haar taak te kwijten. Deze driejarige periode
werd bovendien gekenmerkt door een zware politieke crisis na de moord op
twee vooraanstaande oppositieleden, een penibele veiligheidssituatie
met toenemend salafistisch geweld en een slabakkende economie met hoge
werkloosheidscijfers. Vooral dit laatste heeft tot groot ongenoegen
geleid onder de Tunesische bevolking en in het bijzonder bij de
(revolutionaire) Tunesische jeugd. Deze laatste bevolkingscategorie
heeft nog geen vruchten geplukt van haar revolutie voor sociale
gelijkheid en economische waardigheid in 2011, integendeel.

Nidaa Tounes

Dit ongenoegen zorgde ervoor dat de bevolking de vorige regering,
geleid door het islamistische Ennahdha en twee kleinere seculiere
partijen (CPR en Ettakatol), afstrafte in de  parlementsverkiezingen van
afgelopen oktober. Deze verkiezingen ontpopten zich tot een
titanenstrijd tussen Ennahdha en de relatief nieuwe ‘seculiere’
coalitiepartij Nidaa Tounes, waarbij Nidaa Tounes uiteindelijk als
winnaar uit de bus kwam. Nidaa Tounes, met als spilfiguur haar
charismatische leider Béji Caïd Essebsi, herbergt een erg gevarieerd
spectrum aan kandidaten. Verdeeld qua ideologie en achtergrond – gaande
van linkse democraten en liberale zakenlui tot voormalige RCD’ers (de
partij van de in 2011 gevluchte ex-president Ben Ali) – delen ze allen
echter één gemeenschappelijke vijand: de Tunesische islamisten. Met haar
anti-islamistisch discours veroverde Nidaa Tounes 39% van de zitjes in
het nieuwe parlement en is de partij nu aan zet om een nieuwe regering
te vormen. De electorale achterban van Nidaa Tounes bestaat voornamelijk
uit upper-class Tunesiërs, die sterk Fransgezind zijn qua levensstijl
en oriëntatie, maar ook uit een groep kiezers afkomstig uit alle sociale
klassen van de maatschappij die erg teleurgesteld zijn in de vorige
regering. Nidaa Tounes kon daarom rekenen op veel strategische stemmen
van Tunesiërs die zeker wilden zijn dat Ennahdha niet opnieuw zou
regeren. Bovendien hopen velen dat Nidaa Tounes, met een aantal ervaren
politici aan boord (Essebsi is reeds politiek actief sinds de
onafhankelijkheid), de nodige know-how bezit om Tunesië uit het slop te
halen.

Ennahdha

Ennahdha moest zich uiteindelijk tevreden stellen met een tweede
plaats. Daar waar haar voormalige coalitiepartners CPR en Ettakatol
bijna volledig van de kaart werden geveegd, bleef de islamistische
Ennahdha-partij, ondanks de vele kritiek die ze te slikken kreeg, sterk
overeind met 32% van de stemmen. Vooral in het armere zuiden van het
land geniet Ennahdha een blijvende aanhang. Ook het feit dat Ennahdha
een nieuwe politieke elite vertegenwoordigt, in tegenstelling tot de
oude politieke elites uit Tunis en de rijke kustregio’s die sinds jaar
en dag Tunesië regeren, draagt bij aan het blijvend succes van de
islamistische partij. Ennahdha gaf, in een blijk van politieke
maturiteit, snel haar verkiezingsnederlaag toe en feliciteerde Béji Caïd
Essebsi openlijk met zijn overwinning. Het is geen geheim dat de
islamisten in Tunesië de voorbije jaren een lange en vaak erg hobbelige
weg hebben afgelegd, met vele fouten en tekortkomingen. Maar
tegelijkertijd zijn vele observatoren het er over eens dat ze gaandeweg
de democratische spelregels ter harte hebben genomen en geleerd hebben
om compromissen te sluiten. Het feit dat Ennahdha in 2013, in volle
politieke crisis, besloot om af te treden ten voordele van een nieuwe
technocratische regering, bewijst dit. De partij gaat er tegenwoordig
prat op het belang van het land voor haar eigen partijbelang te
plaatsen, een troef die ze probeerde uit te spelen tijdens de electorale
periode.

Lage opkomst

Om het volledige plaatje van de parlementsverkiezingen te schetsen
moet naast de bespreking van de koplopers Nidaa Tounes en Ennahdha, ook
vermeld worden dat bijna twee op drie stemgerechtigde Tunesiërs niet
gingen stemmen. Dat vooral de jeugd tot deze categorie behoort, legt een
pijnlijk legitimiteitsprobleem bloot. De revolutionaire jeugd, die een
krachtig signaal uitstuurde tijdens de protesten eind 2010 en begin
2011, is gedesillusioneerd in de formele politiek. Dat is niet
verwonderlijk, aangezien de twee grootste partijen door een erg oude
garde geleid worden: de leider van Ennahdha, Rashid al-Ghannoushi, is 77
jaar terwijl Béji Caïd Essebsi, de leider van Nidaa Tounes, dit jaar
maar liefst 88 jaar werd. Dat Ennahdha daarenboven in de vorige
legislatuur faalde om de jeugdwerkloosheid terug te dringen en Nidaa
Tounes verschillende leden van het vorige regime herbergt, zorgt vaak
voor een regelrechte afkeer bij de revolutionaire jeugd voor het huidige
politieke establishment.

In november 2014, een maand na de parlementsverkiezingen, vond de
eerste ronde van de Tunesische presidentsverkiezingen plaats met een
gelijkaardige lage opkomst. Ondanks het feit dat de macht van de
president danig teruggeschroefd is in de nieuwe grondwet en zich beperkt
tot de portefeuilles van defensie en buitenlandse zaken, toonde de
overmatige mediabelangstelling voor de presidentskandidaten aan dat de
notie van personencultus nog steeds leeft in Tunesië. Na drie jaar van
islamistisch (wan)beleid lijken vele Tunesiërs opnieuw naar een sterke
leider te snakken die het land terug op de rails kan krijgen. Aangezien
Ennahdha volop inzette op de parlementsverkiezingen en geen
presidentskandidaat naar voor schoof, leek de 88-jarige Béji Caïd
Essebsi van Nidaa Tounes aanvankelijk vrij spel te krijgen om deze
verkiezingen te winnen. Toch zal hij het eind december in een tweede
ronde moeten opnemen tegen de uittredende president en
mensenrechtenactivist Moncef Marzouki, die tot de CPR-partij behoort.
Met respectievelijk 39% en 33% van de stemmen in de eerste ronde van de
presidentsverkiezingen lijkt een nek-aan-nek race tussen ‘Bajbouj’ en
Marzouki niet uitgesloten voor de run–off ronde in december.

Marzouki

Het succes van Moncef Marzouki is enigszins verwonderlijk aangezien
de Tunesische media en bevolking hem tijdens zijn vorige ambtstermijn
danig ridiculiseerden en weinig serieus namen. Marzouki, die als hevig
opposant van Ben Ali aanvankelijk veel aanzien genoot, werd veel te zwak
bevonden in de hoedanigheid van president. Hij slaagde er niet in om te
overtuigen als een sterke leider die de Tunesiërs kon verenigen. Zijn
onverwachte terugkeer vandaag heeft veel te maken met de toenemende
vrees onder een bepaald deel van de bevolking dat Nidaa Tounes niets
anders zou zijn dan het nieuwe gezicht van het oude autoritaire regime.
Marzouki, die zich altijd fel verzette tegen de dictatuur, lijkt de
uitgelezen kandidaat om een tegenwicht te bieden aan een mogelijk
teruggrijpen naar autoritaire praktijken. Ennahdha-aanhangers stemden
bij gebrek aan een eigen presidentskandidaat massaal voor Marzouki, wat
niet verwonderlijk is gezien de vroegere coalitie tussen Marzouki’s CPR
en de islamistische partij. Maar daarnaast is Marzouki vooral de stem
van het zuiden en het Tunesische binnenland, dat sinds het bewind van
president Habib Bourguiba (1957-1987) altijd gecontroleerd werd door de
hoofdstad Tunis. Aangezien Essebsi een nieuw bourguibisme bepleit (met
mogelijk opnieuw disproportionele aandacht voor de rijkere hoofdstad en
kustregio’s), is het niet verwonderlijk dat het binnenland de kaart van
Marzouki trekt.

Nieuwe context

De komende jaren zullen duidelijk moeten maken in hoeverre Nidaa
Tounes werkelijk een dictatoriale wolf in schaapsvacht is. Een aantal
signalen zijn verontrustend. Met een leider die zowel onder de
autoritaire regimes van Bourguiba als Ben Ali diende en met behoorlijk
wat RCD-oudgedienden in haar rangen (sommigen spreken over 54 zetels in
het nieuwe parlement), is het niet verwonderlijk dat zowel
Ennahdha-aanhangers als de revolutionaire jeugd steigeren bij de idee
dat Nidaa Tounes nu het land zal leiden. Bovendien wordt de sterk
hiërarchische partij opnieuw gekenmerkt door een patriarchale leider,
weinig interne democratie en een top-down structuur. De
anti-islamistische retoriek en de sterke verbale uithalen naar
opposanten (tegenstanders worden zonder onderscheid als islamisten en
soms zelfs terroristen weggezet), maakt dat herinneringen aan het Ben
Ali-tijdperk nooit ver weg zijn. Maar tegelijkertijd zijn de
omstandigheden anders dan vroeger. De idee dat Tunesië de eerste
Arabische democratie kan worden, leeft sterk en wordt met verve
verdedigd door een erg actieve civiele maatschappij. Niemand zal zomaar
vrij spel krijgen om de klok terug te draaien. De fragiliteit en
heterogeniteit van de Nidaa Tounes-coalitie zelf, die zowel linkse als
rechtse elementen samenbrengt, doet bovendien vermoeden dat de partij
zichzelf nooit volledig zal kunnen opdringen.

Uitdagingen

Wat zijn de grootste uitdagingen voor Tunesië in de komende jaren?
Gezien de dubieuze terugkeer van een aantal oudgedienden uit het Ben
Ali-tijdperk, lijkt een proces van ‘transitionele gerechtigheid’ meer
dan ooit nodig. Dit proces dient om mensenrechtenschendingen en misdaden
uit het verleden op te helderen en de diepe verdeeldheid in de
samenleving tijdens de politieke transitie te overbruggen. Zonder dit
proces van transitionele gerechtigheid is de lijn tussen noodzakelijke
verzoening en verwerpelijke straffeloosheid erg dun. Reeds onder de
vorige Tunesische legislatuur werd een nieuwe onafhankelijke instantie
in het leven geroepen, genaamd ‘’Instance Vérité et Dignité’, die dit
proces van transitionele gerechtigheid moet faciliteren. Deze commissie
startte begin december 2014 met het verzamelen van klachten en
getuigenissen van burgers uit het hele land, die handelen over de
periode van na de onafhankelijkheid in 1956 tot 2013. Hoewel het werk
van deze instantie fundamenteel is voor het slagen van de democratische
transitie in Tunesië, heeft de aanvankelijk 15-koppige commissie te
kampen met interne vetes en ontslagen. Sommige van haar leden hekelen de
vermeende politieke inmenging van bovenaf in de commissie’s interne
aangelegenheden. 

Naast transitionele gerechtigheid is er ook nood aan een reeks
hervormingen binnen het veiligheidsapparaat, justitie en de media. Oude
structuren en autoritaire praktijken regeren nog steeds binnen deze
instellingen. Met de opflakkeringen van geweld aan de grenzen met
Algerije en Libië en de aanwezigheid van een gewelddadige salafistische
beweging in het land zelf, telt post-revolutionair Tunesië talrijke
veiligheidsuitdagingen. Toch is waakzaamheid geboden om te voorkomen dat
de bestrijding van terrorisme opnieuw in autoritaire praktijken
uitmondt. De vicieuze cirkel waarbij terrorisme voortkomt uit
autoritarisme en waarbij autoritaire regimes teren op het bestrijden van
terrorisme om zichzelf te legitimeren, moet doorbroken worden.
Daarnaast is er ook nood aan een grondige hervorming van het
rechtswezen. Een strikte scheiding tussen uitvoerende en rechterlijke
macht is noodzakelijk, met eerlijke processen en het bestrijden van
interne corruptie als doel. Tijdens haar regeerperiode werd Ennahdha er
meermaals van beschuldigd de rechterlijke macht te misbruiken om
dissidente stemmen in de media en kunstwereld in de kiem te smoren. Tot
op heden blijven verregaande hervormingen van de rechterlijke macht
echter uit. Hetzelfde geldt voor de Tunesische media: doordrenkt van
oude retoriek, spelen de media veelal een negatieve rol in het
aanwakkeren van politieke polarisatie en geven ze vaak blijk van erg
gekleurde verslaggeving.

Maar boven alles wordt de economie de grootste uitdaging. Met een
algemeen werkloosheidscijfer dat hoger ligt dan voor de revolutie (15%)
en een jongerenwerkloosheid die de pan uit swingt (meer dan 30% van de
15 tot 24-jarigen is werkloos), zal de voornaamste uitdaging van de
nieuwe regering het aantrekken van investeringen en het creëren van jobs
zijn. Ook een opwaardering van het Tunesische binnenland, een van de
eisen van de revolutie, is prangend, zeker gezien de toename van
bastions van geweld in deze regio’s. De grote vraag is of een door Nidaa
Tounes gedomineerde regering erin zal slagen om hier verbetering in te
brengen. Net als haar politieke aartsrivaal Ennahdha zal Nidaa Tounes
waarschijnlijk braafjes het neoliberale discours blijven volgen dat
gedicteerd wordt door het IMF en de Wereldbank, om zo de nodige leningen
veilig te stellen. Het is de vraag of dit soort van economisch beleid,
dat mee aan de basis lag van de Arabische revoluties, op termijn een
duurzame oplossing zal bieden voor Tunesië. Bovendien ziet het er niet
naar uit dat Nidaa Tounes, die bij uitstek een voortzetting is van ‘s
lands oude politieke elite uit de hoofdstad en de rijkere kustregio’s,
erg begaan zal zijn met de economische situatie in het Tunesische
binnenland.

Besluit

Samengevat, het onvoorwaardelijke gejuich bij de electorale
overwinning van de seculieren in Tunesië lijkt voorbarig. Zeker, de
verkiezingen verliepen bijna vlekkeloos en Tunesië blijft een voorbeeld
voor de regio. Maar de ondertoon in vele Westerse media, waarbij ‘goede’
seculieren het haalden van ‘slechte’ islamisten, gaat voorbij aan de
complexiteit van de zaak. Geworteld in oude politieke tradities en een
sterk anti-islamistische retoriek, rijst de vraag of het ‘seculiere’
Nidaa Tounes erin zal slagen om het democratisch pluralisme te
respecteren en de Tunesische economie nieuw leven in te blazen. Indien
de coalitie faalt, zullen de islamisten waarschijnlijk klaar staan om
het roer opnieuw over te nemen.

Loes Debuysere

Loes
Debuysere
is als doctoraatsstudente verbonden aan de ‘Middle East and North
Africa Research Group’ van de Universiteit Gent en werkt rond
genderpolitiek in post-revolutionair Tunesië.

Ze
schreef dit artikel voor het Tijdschrift
Vrede
,
nr 431 (jan-feb 2015)

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!