Opinie -

Sociaal werk onder druk, wij bekennen kleur

Een aantal lectoren sociaal werk van de Artesis Plantijn Hogeschool in Antwerpen vertellen waarom ze partij kiezen in de sociale strijd voor een rechtvaardiger beleid.

donderdag 11 december 2014 15:11

De hete herfst gaat niet alleen over sociale bescherming of het
behoud van koopkracht, maar ook over kwaliteitsvolle hulp- en
dienstverlening aan de bevolking. De elasticiteit lijkt uit ons
sociale vangnet, de mazen worden breder. Meer en meer klinkt de roep
om zorg over te laten aan ‘de burger’. De verantwoordelijkheid
om complexe persoonlijke en maatschappelijke problemen te behartigen,
mag niet louter in handen gegeven worden van vrijwilligers,
mantelzorgers, de willekeur van liefdadigheid of de brede samenleving.
Sociale professionals hebben in een maatschappelijk klimaat dat
gekenmerkt wordt door structurele onzekerheid en individualisering
van sociale problemen, een belangrijke rol op te nemen – als hulp- en
dienstverlener en als kritische stem.

We liggen wakker

De verschillende provinciale en nationale actiedagen en initiatieven
zoals Hart boven Hard tonen aan dat er in brede lagen
van de bevolking een grote ongerustheid heerst. De sociale strijd is
niet enkel een strijd van Antwerpse havenarbeiders en Luikse
metaalarbeiders, maar is ook van tal van maatschappelijke
voorzieningen. Het is de strijd van ieder die geeft om de centrale
waarden van een open democratische samenleving: solidariteit via
herverdeling, zorg en verzekering voor ieder die dit nodig heeft,
mogelijkheid tot participatie aan de samenleving.

Sociaal werkers
verdedigen net die democratische waarden. Op de nationale actiedag
van 6 november zagen we dan ook een sterke vertegenwoordiging uit
de sociale sector, ook al kwamen deze in de media minder aan bod. We
(althans een deel van het sociaal werk) waren het misschien vergeten,
maar sociale actie zit in de genen van het sociaal werk. Dommelde
sociaal werk de voorbije jaren wat in vanuit de veronderstelling dat
een op rechten gebaseerd sociaal vangnet een verworven goed was?

Het
blinde besparingsbeleid dat de huidige regeringen voeren en de
afbraak van sociale rechten die hiermee gepaard gaat, hebben ons
wakker geschud. Professionals uit lokale welzijnsorganisaties,
samenlevingsopbouw, armoedeorganisaties, jeugdzorg, onderwijs en dus
ook docenten en studenten sociaal werk: allen kwamen op straat om
collectief hun ongerustheid over het regeringsbeleid kenbaar te
maken. Van vele andere sociaal werkers hoorden we dat ze solidair
zijn maar dat ze het moeilijk hebben hun concrete werk met en voor
mensen achter te laten. Tot op heden blijft de ongerustheid. Onze
deelname en steun aan acties gaan dan ook door.

Waar gaat het voor ons over?

We willen niet in herhaling vallen, maar stippen graag vier zaken
waarover we ons zorgen maken omdat ze het fundament van sociaal werk
grondig hypothekeren.

Ten eerste zien we dat verschillende maatregelen de zwakste groepen
hard treffen, terwijl een rechtvaardig en sociaal beleid net deze
groepen moet beschermen. De criteria voor het verkrijgen van hulp-
en dienstverlening verstrengen, de budgetten verkleinen, dus de
non-profit ziet zich genoodzaakt om te selecteren. Ondanks
tegenbeweringen is het aantoonbaar dat vooral de zwakkeren het
zwaarst getroffen worden. We zetten enkele knelpunten in de picture:
duurdere kinderopvang, taalverplichting maar amper taalaanbod,
ziekenhuizen die creatief op zoek moeten naar mechanismen om facturen
te laten betalen, onderwijs dat nog duurder wordt, sociale
basisverzekeringen die met schrappen bedreigd zijn, stijgende
energieprijzen die niet-energiezuinige woningen het hardst treffen,
stijgende huurprijzen op een huurmarkt die meer lijkt op een
miseriemarkt…

Ten tweede zien we dat de besparingsvoorstellen een expliciete afbouw
van het aanbod van hulp- en dienstverlening voor iedereen inhouden.
Om het met een sportmetafoor uit te drukken: de welvaartsstaat als
universeel solidariteitsmechanisme die we sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog samen opbouwden, lijkt te (moeten?) degraderen naar haar
Angelsaksische variant die in deze competitie in een lagere afdeling
speelt. We zien de keuze voor een meer residueel (middelengetoetst)
sociaal beleid, voor afbouw van universele regelingen, voor meer
markt. Die lightversie van de welvaartstaat duwt de lagere klassen
verder in de armoede, zet ook de middenklasse zwaar onder druk en
vergroot de ongelijkheid in plaats van ze te verkleinen. Besparen
vertaalt zich meteen in minder ‘contacturen’ met burgers en in
een ander soort van dienstverlening, meer formalistisch en
gestandaardiseerd: er is één aanbod: te nemen of te laten. Burgers
ervaren de gevolgen aan de lijve. Voor wie illustraties wil, volstaat
het even over de grens te kijken naar Groot-Brittanië of Nederland.
Afbraak van deze aard leidt niet tot meer kwaliteit of efficiëntie,
het leidt tot verlies en frustratie. Deze evolutie werkt ook
schaalvergroting in de hand, waarvan we weten dat het in vele
situaties geen garantie biedt op betere hulpverlening, noch op een
betere bescherming van grondrechten. Last but not least: wie meer
tijd en begeleiding vraagt, zal achteraan in de rij komen wegens te
duur, eigen schuld en vanuit marktperspectief niet interessant.

Ten derde stellen we vast dat financiering voor onderzoek naar
sociaal werk en maatschappelijke problemen onder zware druk staat. In
de regeerakkoorden komen maatschappelijke knelpunten amper aan bod
(ze bestaan niet meer?), huidige onderzoeksprogramma’s worden
zonder enige vorm van evaluatie met onmiddellijke ingang stopgezet
(we investeren niet meer in onderzoek naar ongelijkheid via
schoolloopbaan of armoede), het past niet in een plaatje om
economische return te garanderen. Onderzoek is echter broodnodig om
te evalueren of ons sociale solidariteitsmechanisme nog werkt, om
beleidsbeslissingen te voeden en om leemtes te duiden en voorstellen
voor verbetering te formuleren. Ook voor professionele bachelors en
de sector van het sociaal werk is onderzoek een must. Het verstevigt
niet alleen de kennisbasis, het legitimeert ook het handelen en
ondersteunt hen om gegronde keuzes te maken in vaak complexe situaties.
Er zal nog een klein deeltje basisfinanciering overeind blijven voor
onderzoek aan hogescholen (de zogenaamde PWO-middelen), maar
daarbuiten zegeviert de schraalheid. Na enkele jaren van hoopvolle
groei, terug naar af…

Ten vierde, en dat verontrust ons als lectoren vooral, zien we
veranderingen in het denken over de rol van het sociaal werk. De
focus verschuift naar het sociaal functioneren en integreren van
mensen, eerder dan naar hun emancipatie en de maatschappelijke
voorwaarden daartoe. Het accent verschuift naar louter individuele
verantwoordelijkheid, weg van een solidaire collectieve
verantwoordelijkheid. Het lijkt of de oude benaming
‘onmaatschappelijkheidsbestrijding’ opnieuw van onder het stof is
gehaald: ‘sociaal werkers als instrument ter ondersteuning van de
maatschappelijke orde’. Het is een sprong terug in de tijd, een die
wij weigeren te nemen omdat het een model is dat gedoemd is om te
mislukken. De (postmoderne) samenleving van vandaag is zo divers en
complex dat samenleven een permanent democratisch onderhandelen
inhoudt over het goede leven of de richting die we gezamenlijk uit
willen. Om dit te voeden en te ondersteunen zijn sociale
professionals broodnodig.

De participatiesamenleving, een goedkoper surrogaat?

Net als in Nederland verwachten onze beleidsmakers veel van de
participatiesamenleving. Een participatiesamenleving zou als volgt
werken: eerst kijken we of burgers zelf de eigen problemen kunnen
aanpakken. Als dat niet lukt, kunnen ze beroep doen op hun netwerk.
Andere gezinsleden, familie, vrienden, zelfs buren kunnen instaan om
allerlei problemen aan te pakken. Mogelijk kunnen vrijwilligers
ingezet worden. Pas als al die bronnen uitgeput zijn, dan kan
professionele hulp worden ingezet. Het klinkt aanlokkelijk,
goedkoper, emanciperend ook.

Maar de idee achter de participatiesamenleving wordt gedragen door
een merkwaardig gegeven. Er is de eigenaardige premisse dat een warme
solidariteit tussen burgers in de plaats kan treden van een
professionele zorg. Maar onze huidige sterk geïndividualiseerde
samenleving kenmerkt zich juist door problemen van eenzaamheid en
mensen die uit de boot vallen. Mensen die geen beroep kunnen doen op
stevige netwerken van familie, vrienden en buren die hen kunnen
helpen om hun zaakjes terug op orde te krijgen. Het is net de rol en
meerwaarde van het sociaal werk dat het mensen ondersteunt om een
netwerk uit te bouwen, dat het vaardigheden én rechten aanreikt om
terug aansluiting te vinden bij leefwereld en maatschappij.

Recent
onderzoek naar de effecten van de participatiesamenleving tempert dan
ook de hooggestemde verwachtingen. Meer zelfs, zonder professioneel
sociaal werk, zonder toegankelijke en bruikbare hulp- en
dienstverlening lukt het niet. We verzetten ons dan ook expliciet
tegen een maatschappijmodel waarbij ‘de actieve burger’ de eigen
problemen of die van een ander moet oplossen. Dat is niet de basis
van ons solidariteitsmodel. Wie denkt dat het zonder professionele
hulp of met veel minder kan, is wereldvreemd of leeft in een cocon
waarin men sociale of persoonlijke problemen opvangt door een sterke
financiële draagkracht en een sterk en uitgebreid netwerk van
sociale relaties. Het is net dat perspectief van ‘haves’ versus
have-nots’ dat ons tegen de borst stuit.

Sociaal werk is geen hulplijn uit een tv-show

Een solidaire samenleving is een samenleving die zorgt voor mensen,
niet vanuit een betuttelend perspectief, maar gericht op emancipatie
en ontplooiing. Het is de rol van het sociaal werk om vormen van
solidariteit te versterken, structurele defecten in het
samenlevingsmodel in beeld te brengen en op de brug tussen mens en
samenleving aan duurzame oplossingen te werken.

Sociaal werkers doen dit dag in dag uit, op de eerste en tweede lijn,
als generalist of specialist, in de zorg, in de sociale economie, in
nonprofit- én profitorganisaties, in de hulp- en dienstverlening,
in de samenlevingsopbouw, in vorming en sociaal cultureel werk …
Sociaal werkers moeten niet pas ingezet worden als alle andere
hulplijnen uitgeschakeld zijn.

We blijven niet afzijdig als de kern van het beroep wordt geraakt

Als lectoren steunen we dan ook tal van acties en onderschrijven we
de eisen van het middenveld, van cliënten, van burgers. Dit doen we
door niet alleen zelf actief deel te nemen aan actiedagen. We leren
onze studenten ook om kritisch te kijken naar hun (toekomstige) rol
en moedigen hen aan om zich te verhouden tot de actuele tendensen
inzake sociaal beleid en besparingen. We verdedigen met vuur een
sociaal werk dat meer doet dan ‘brandjes blussen’, dat net zoals
onderwijs en gezondheidszorg fundamenteel kan bijdragen aan een
klimaat waarin ondernemerschap, initiatief en solidariteit vorm
krijgen én alle burgers zich erkend weten.

Geschreven door: Hans Grymonprez, Michel Tirions, Britt Dehertogh, Dries Claessens en Hilde Maelstaf

Mede ondertekend door (in alfabetische volgorde): Jo Clauw, Els De Ceuster, Vicky De Kock, Koenraad De Schepper, Veerle Giltjes, Anneke Keulemans, Myriam Koning, Line Lams, Hadri Maryiem, Ann Masson, Jos Pauwels, Yvonne Postma, Ellen Schrijvers, Hedda Simons, Sven Svensson, Inge Thijs, Marijke Tops, Katrien Van de Mosselaer, Hilde Van Himbeeck, Anne Van Put, Tom Verheyen, Griet Verbiest

Reacties: hans.grymonprez@ap.be

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!