“Naar 't schijnt is er een betoging buiten. Maar ik heb niks gezien. 't Zal te koud zijn zeker?” Aan het woord is een statige jongeman: strak in het pak, bruinblond haar zwierig achterover gekamd. We staan zij aan zij aan te schuiven om ons vest weg te hangen in de vestiaire. Hij heeft het niet tegen mij, maar tegen zijn al even strak in het pak zittende collega of vriend. Ze lachen.
Op sociale media circuleerde inderdaad een oproep om actie te voeren op het Antwerpse Theaterplein, een steenworp verwijderd van de VOKA-nieuwjaarsreceptie in de Stadssbouwburg. Bedoeling was om het VOKA-feestje op ludieke wijze te verstoren. Denk aan een soundsystem en loeiharde muziek die het gezoem van een nieuwjaarsreceptie weet te overtreffen.
Maar
dat was buiten de Antwerpse politie gerekend. De tientallen
actievoerders die kwamen opdagen, zagen zich algauw omsingeld door
agenten in burger. Het kwam net niet tot arrestaties. De dreiging van
enkele overvalwagens en zo'n dertig agenten in burger was genoeg om
zelfs de meest stoutmoedige actievoerder op andere gedachten te
brengen. Tegenspraak in de onmiddellijke buurt van een VOKA-feestje:
het ligt blijkbaar niet zo makkelijk.
Dat mocht ook schrijver
dezes ondervinden. De aanwezigheid van een journalist van
DeWereldMorgen.be zorgde mogelijks voor lichte paniek in de
VOKA-hoofdkwartieren. Voorafgaand aan het evenement werd me per mail
wijze gevraagd een scan van mijn perskaart door te sturen. Niet
meteen de normale procedure. Bij binnenkomst kreeg ik – als enige –
een rode persbadge in plaats van de gangbare groene persbadge.
Wanneer ik vroeg naar het waarom achter deze kleurdifferentiatie, mompelde de dame aan het onthaal iets over “binnenlandse zaken”. Later op de avond zou dezelfde dame me nog vermanend toespreken omdat ik mijn badge niet zichtbaar genoeg droeg.
Links in beeld: een groepje actievoerders. Rechts in beeld: groepjes agenten in burger die nauwlettend toekijken
Dooie vossen
Van nature uit ben ik niet zo'n receptiebeest. Als een tarzan op elegante wijze van gesprek naar gesprek slingeren, het is me niet gegeven. Maar op deze receptie voel ik me toch echt wel wat alleen. De dresscode is hier overwegend donkergrijs of zwart kostuum. Kleur wordt met mate toegebracht door middel van zwart-gele dassen. Die rode badge valt dus echt wel op. Mannen overheersen. Vrouwen spelen keurige dames. Gelukkig is de wijn lekker.
Tegen kwart na zes worden de deuren van de theaterzaal opengegooid. Het is wat drummen om binnen te mogen. De eerste zes à zeven rijen zijn gereserveerd voor bepaalde bedrijven. Proximus en Belfius, voor zover ik kan zien. Nee, het is niet de slager van om de hoek die hier op de eretribune mag plaatsnemen. Dit is een speeltuin voor de grote jongens.
Achter me zucht iemand: “Kunnen ze dat nu niet wat beter organiseren?” De binnenkomst van het publiek verloopt inderdaad nogal chaotisch. Wie een goede plaats wil, moet snel zijn. Ik speel het spelletje mee en plof neer op een nog overblijvende plaats aan de rand van de zaal.
Moest dit een roman zijn, dan schrapte ik volgende beschrijving wegens te cliché, maar dit is realiteit: de vrouw naast me heeft een halfdood dier omheen haar hals hangen. Ik vermoed dat die pels ooit een vos geweest is. Ik durf het niet te vragen.
De openingsreceptie: een sfeerbeeld
En dan gaat het licht uit in de zaal. Stéphane Verbeeck, voorzitter van VOKA Antwerpen-Waasland betreedt het podium. Verbeeck begint met het uitgebreid bedanken van de regering Michel I. Hij looft de moed en het doorzettingsvermogen van de nieuwe ploeg en werpt net geen kushandje naar Michel. Daarna gaat Verbeeck de metaforische toer op. Hij heeft het over de tering en de nering, voeten die bij stuk houden, de economische motor en het smeersel dat deze regering daarvoor is. Hij bewierookt de regering voor “haar duidelijke ideologische keuzes”.
In één adem voegt Verbeeck eraan toe dat mobiliteit zowat de grootste bekommernis is van Antwerpse ondernemers. Even denk ik dat het over bedrijfswagens zal gaan. Maar die gedachte wordt verpletterd door Verbeecks korte maar vurige pleidooi voor Oosterweel. Nog zo'n metafoor: de spade moet in de grond.
Her en der hangen schermen die oproepen om een pro-Oosterweel petitie te ondersteunen.
Calvarietocht
Je kan veel aanmerken op de Antwerpse schaduwpremierburgemeester maar dat de man eloquent is, daar is iedereen het over eens. Walengrapje hier, provocatie daar. Meer is in zijn geval niet nodig om de zaal mee te krijgen.
Ook Bart De Wever windt er geen doekjes om. “We staan voor de grootste uitdaging sinds Wereldoorlog Twee”, zo stelt hij aan het begin van zijn exposé. “We moeten elf miljard saneren en deze regering moét daarin slagen.” Waarna de schaduwpremierburgemeester zijn dagelijkse kreet – deze keer in het Engels – herhaalt: “There is no alternative”. Of, er is wel een alternatief, zo corrigeert De Wever zichzelf: “Het enige alternatief is immobilisme, stilstand en verval. Het Franse model.”
Dan volgt de obligate sneer naar de oppositie en de media. Het zijn “de meeste media, de vakbonden en de oppositie” die paniek zaaien. “Tegen die stroom aan desinformatie en leugens zal deze regering moeten blijven inbeuken”, fulmineert de schaduwpremierburgemeester. Ik duik even wat dieper in mijn stoel.
Wat opvalt, is dat De Wever de kaart van de toekomst trekt. Hij heeft het over volgende generaties, onze kinderen en historische schulden die weggewerkt moeten worden. Eigenlijk vraagt de Antwerpse burgemeester een vrijgeleide van vijf jaar voor zijn ploegen. Vijf jaar shocktherapie in naam van de Toekomst en de Economische Groei.
Bij het beluisteren van De Wevers toespraak daagt een besef dat de voorbije maanden sluimerde maar nooit zo tastbaar werd als nu: de besparingsideologie is een geseculariseerd prefabkatholicisme. Het hele idee dat we door een dal moeten kruipen, onszelf moeten pijnigen en door duizenden zure appels moeten heenbijten, doet beelden opdoemen van geselmonniken die zichzelf naar de verlossing meppen. Pijn als de weg naar toekomst. Noodzakelijke offers op het altaar van de economie. Een calvarieweg. De kruisdood. Om daarna de grafsteen van het socialisme weg te rollen.
Hoe ziet het nieuwe Jeruzalem van De Wever eruit? Een competitief Vlaanderen. Silicon Valley aan de Schelde waar ondernemers als atlassen de samenleving dragen. Waar rijkdom als honing uit de ondernemershanden druipt, recht in de mond van behoeftigen. Overdrijf ik? Misschien. Maar De Wever hoopt wel dat de beelden van stakingen en vakbondsprotest tegen 2019 “een vage herinnering zullen worden”. Dat zei hij.
Dürum kip
Michel die na De Wever speecht. Dat is zo een beetje als Scala na Metallica programmeren. Een anticlimax van jewelste. Onze muppetpremier steekt van wal met een voorspelbare lofrede op Antwerpen en de rest van het land, maar het klinkt even ongemeend als de excuses van Theo Francken een maand geleden.
Ook hier de platgetreden paden: we leven langer dus moeten we langer werken, de factuur die we niet mogen doorschuiven en bedrijven die zuurstof moeten krijgen. Enfin, het riedeltje is gekend. Michel had wel nog deze uitsmijter: “Niet de regering maar de ondernemers zijn de motor achter het land.” Verbeeck indachtig; dit kan tellen qua ideologische positionering. Kushandje terug!
Dan mindert Michel wat vaart. Good cop, bad cop. U kent het wel. Muppetpremier Michel wenst te benadrukken dat hij de ongerustheid 'begrijpt', de sociale partners 'respecteert'. Staken mag, zo zalft hij, maar werken is ook een recht.
Charles Michel op de nieuwjaarsreceptie
Net voor de zaal in slaap duikelt, komt Verbeeck opnieuw het podium op. Er volgen wat bedankinkjes. Het volk staat op. En dan – echt, u moest erbij geweest zijn – valt zonder waarschuwing het doek achter het podium naar beneden. Een onheilspellende soundscape weerklinkt. Uit de zwarte ruimte die achter het podium opdoemt, komt een platform naar boven waarop vier jonge vrouwen met champagneflessen staan. “Aaahs” en “oooohs” stijgen uit de zaal op. Boem-pats-paukenslag: showtime! De spots achter de meisjes schieten aan, beats knallen uit de boxen, receptietafels en witte rekjes gevuld met hapjes lichten op.
Net op
tijd, denk ik, een avondmaal kan ik gebruiken. Maar wanneer ik me
doorheen het volk een weg baan naar zo'n hapjesrekje, kruis ik
opnieuw de persmadam van VOKA. Dat de pers niet voorbij deze lijn
meer mag, weet die me te vertellen. Hier dus, denk ik. Exact hier
loopt de grens tussen in- en outcrowd, pottenkijkers en ingewijden,
beleefde façade en schunnige moppen. Vanaf hier begint de
achterkamer van de macht en ik mocht heel even door het sleutelgat
piepen.
Ik besluit met de staart tussen de benen af te
druipen. Onderweg naar huis scoor ik een dürum kip in wat
sommigen een imagoverlagend etablissement zouden noemen.
Die rooie badge ligt daar in de vuilbak naast de kassa.