“Wonderbaarlijk is niet dat zovele van deze voorspellingen fout waren, maar dat zovele uitgekomen zijn” (Friedrich Engels, 48 jaar later)
‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’ werd door Friedrich Engels geschreven in 1843-1844 na een onderzoek van 21 maanden in Engeland, bijzonder in de industriestad Manchester. Ik denk dat dit één van de meest visionaire werken is uit de Marxistische literatuur. Daarom wil ik er hier een uitgebreide bespreking aan wijden.
Toen Engels dit boek schreef was hij amper 24 jaar oud. Zijn lief, Mary Burn, een twintigjarige textielarbeidster van Ierse afkomst, leidde Friedrich door de volkswijken van Manchester. Friedrich Engels kende toen Karl Marx nog niet echt, hij had Marx in 1842 éénmaal oppervlakkig ontmoet. Van het wetenschappelijk socialisme was toen nog geen sprake. Wanneer in 1845 Engels uiteindelijk Marx ging opzoeken in Parijs, is dit boek de vonk geweest die Marx en Engels verenigd heeft.
Het boek van Engels is m.i. merkwaardig en belangrijk in vijf opzichten: 1. omdat het de basis legde van de belangrijkste Marxistische concepten die later in het wetenschappelijk socialisme werden ontwikkeld, 2. omwille van de methode die Engels gebruikte: het verbinden van de persoonlijke sociale praktijk met wetenschappelijk studiemateriaal, 3. omdat Engels als één van de eerste auteurs ooit tewerk ging als een epidemioloog die het verband tussen woon- en werkomstandigheden enerzijds en gezondheidsuitkomsten anderzijds precies in kaart brengt, 4. omdat de basismechanismen en fenomenen in dit boek beschreven vandaag nog brandend actueel zijn, in concreto in de Derde Wereldlanden, maar als mechanismen ook bij ons en tenslotte 5. omdat Engels dit werk schreef toen hij amper 24 jaar oud was en 48 jaar later in het voorwoord tot de Duitse heruitgave kon schrijven: “Wonderbaarlijk is niet dat zovele van deze voorspellingen fout waren, maar dat zovele uitgekomen zijn”.
Ik werk die vijf redenen voor het belang van dit boek verder uit:
1. In het boek van Friedrich Engels komen zowat alle belangrijke Marxistische begrippen aan bod, dikwijls zonder ze te expliciteren. Wat ook niet kon, gezien deze concepten toen nog theoretisch moesten ontwikkeld worden.
1) Hoe de ontwikkeling van machines en technologie op enkele tientallen jaren Engeland volledig veranderd heeft? Hoe de ontwikkeling van de productiekrachten de bestaande productieverhoudingen grondig doet wijzigen of omver werpt?
2) Hoe daaruit de nieuwe klassendifferentiatie ontstaat met als hoofdtegenstelling deze tussen de het proletariaat en de bourgeoisie? Met het verdwijnen van de tussenklassen?
3) Hoe die klassentegenstelling gebaseerd is op economische uitbuiting, waarbij de bourgeoisie zich voortdurend verrijkt op kap van de arbeid van het proletariaat?
4) Hoe de andere klassen daartussen evolueren? De klein-burgerij, de middenklasse, de landbouw bourgeoisie? Binnen de klein-burgerij: de radicaal progressieven die aansluiting zoeken bij de arbeidersklasse enz.
5) Hoe de concurrentie tussen de arbeiders en de concurrentie tussen de bourgeoisie in dit alles een zeer belangrijke rol spelen?
6) Hoe de crisissen van overproductie ontstaan? Hoe daaruit speculanten opstaan en zich verrijken, wat de crisis alleen maar verergert?
7) Hoe anarchistisch de markt werkt? Wat ten dele mee de handelscrisissen veroorzaakt? Hoe dit wezenlijk eigen is aan het kapitalisme?
8) De rol van het ‘werkloze reserveleger’ (term gebruikt door Engels)
9) Hoe de machine en de technologie de arbeid zou kunnen verlichten en de arbeider zou kunnen verrijken, maar hoe onder kapitalistische verhoudingen juist het tegenovergesteld gebeurt?
10) De rol van de immigranten, a.d.h.v. het voorbeeld van de Ierse migranten? Hoe die nog meer uitgebuit worden? Hoe die in concurrentie met de Engelse arbeiders worden geplaatst? Hoe dat ook tot tegenstellingen tussen Ierse en Engelse arbeiders leidt? Hoe die hun leef en werkomstandigheden nog erger zijn? Hoe dit leidt tot drankgebruik, criminaliteit, losbandig leven en samenlevingsproblemen?
11) Hoe criminaliteit ontstaat en samenhangt met de erbarmelijke omstandigheden waarin het proletariaat moet leven?
12) Hoe de bourgeoisie probeert de schuld van de miserie in de schoenen van de slachtoffers te steken (Ierse migranten, Engelse arbeiders en werklozen) (victim blaming)? En hiervoor de econoom Malthus met zijn overbevolkingstheorie opvoert?
13) Hoe de bourgeoisie probeert via de ‘armenwet’ een echt activeringsbeleid te voeren?
14) Waarom de fabrieksarbeiders de voorhoede vormen?
15) Waarin bestaat het klassenkarakter van de staat, van het parlement, van justitie, van de politie in dienst van de bourgeoisie? Hoe de formele wetten die in democratische richting gaan daarom nog geen feitelijke democratie betekenen?
16) Hoe de arbeidersbeweging stilaan vorm krijgt? De Chartisten, de utopische socialisten en uiteindelijk de wetenschappelijke socialisten? (woorden achteraf in latere voorwoord gebruikt). Dat is zijn revolutionair optimisme: Engels ziet niet alleen de miserie, maar ook hoe door klassenstrijd (de grote werkstakingen) en solidariteit onder de arbeidersklasse overwinningen kunnen behaald worden. Hij ziet hoe de burgerij en het kapitalisme de klasse creëert die haar naar de ondergang zal leiden. Hij beschrijft hoe die klassenstrijden een leerschool betekenen voor het grote gevecht later dat het systeem zal moeten omverwerpen.
17) Uiteindelijk gaat hij naar de wortel van al dit kwaad: het kapitalistisch systeem en komt hij tot de conclusie dat alleen een revolutie dit systeem kan en zal omverwerpen en de problemen van de grote meerderheid van de bevolking kan oplossen.
2. Een tweede interessante eigenschap van dit boek is de methode die Engels gebruikte voor zijn onderzoek: sociale enquêtes onder de arbeiders gekoppeld aan wetenschappelijk onderzoek, op basis van officiële en authentieke documenten en cijfers.
3. Een derde sterk punt is hoe Engels vrij precies en volledig de band legt tussen leef en werkomstandigheden enerzijds en de gezondheid van de arbeiders en hun gezinnen of de volksgezondheid, anderzijds. Hij gebruikt gezondheidsuitkomsten als maatstaven. Hij legt zo precies mogelijk de band tussen ‘blootstelling’ en ‘gezondheidsuitkomst’. Zowel vanuit de leefomstandigheden (wonen, kleden, voeding, hygiëne) als vanuit de werkomstandigheden. Hij beschrijft precies en concreet deze leefomstandigheden, per stad of per regio en de daaruit voortvloeiende problemen op vlak van volksgezondheid. Behuizing, smog (fijn stof), riolering en epidemieën. Hij zoekt ook getuigenissen en cijfers uit officiële bronnen. Hij beschrijft voor de arbeidersklasse de ontoegankelijkheid tot professionele gezondheidszorg en het overgeleverd zijn aan kwakzalvers, die hen en hun kinderen proberen te medicaliseren met onnuttige en soms zelfs gevaarlijke geneesmiddelen. Hij beschrijft de problemen van alcoholisme, prostitutie en criminaliteit. Hij brengt die problemen in hun maatschappelijke context. Per bedrijfstak beschrijft hij precies de werkomstandigheden. En hoe dit weerslag heeft op de gezondheid van de arbeiders: de mannen, de vrouwen, de kinderen enz. Tot welke aandoeningen dit leidt, tot welke ‘overtollige’ (woord is van Engels) sterfte of ziekten dit leidt. Het gaat om de neuropathieën van de arbeiders in de pottenbakkerijen t.g.v. lood en arsenicumintoxicaties. Het probleem van chronische longziekten in zowat alle bedrijfstakken door de ongezonde atmosfeer in de werklocalen. Het probleem van stoflong bij de mijnwerkers. Het probleem van skelet en spieraandoeningen in zowat alle bedrijfstakken omwille van het zware, langdurige (14 uur- dagen) en eentonige werk in ongezonde houdingen. Het probleem van groeiachterstand bij de kinderen. Het probleem van ongevallen op het werk, bijzonder in de mijnen. Het probleem van ongevallen met kinderen, die door vermoeidheid dikwijls half in slaap vallen tussen de gevaarlijke machines. Het probleem van myopie bij kinderen in de kousensector, door jarenlang vanaf jonge leeftijd te moeten naaien. Het leest soms als een cursus arbeidsgeneeskunde… Hij toont aan dat er een verband is tussen de handelscrisis van overproductie en de verslechtering van leef- en werkomstandigheden, waardoor toename van algemene sterfte, van kindersterfte, van vrouwensterfte, afname van levensverwachting en het uitbreken van epidemieën. Engels gaat tewerk als een epidemioloog. Ook hier gebruikt hij dezelfde wetenschappelijke methode: wat hijzelf heeft kunnen observeren/meemaken koppelen aan wat er in gezaghebbende officiële rapporten wordt beschreven en door cijfers wordt gestaafd. Hij beschrijft concreet en precies de populatie, de blootstelling, hij zoekt vergelijkingssituaties (bijvoorbeeld mijnen waar er wel ventilatie kokers zijn geplaatst, bijvoorbeeld straten in de midden-klasse wijken), hij beschrijft en becijfert de gezondheidsuitkomsten. P (population), I (intervention), C (controle), O (outcome). Engels is de eerste die hier a.h.w. de Evidence Based Medicine toepast.
4. Een vierde sterk punt is hoe de basismechanismen beschreven in dit boek vandaag nog steeds geldig zijn:
1) Zijn concrete beschrijvingen zijn vandaag nog steeds toepasselijk voor de leef en werkomstandigheden in de sloppenwijken van Manilla, Afrikaanse of Latijns-Amerikaanse landen.
2) De mechanismen van uitbuiting die hij beschrijft zijn verrassend actueel, of beter gezegd de zogenaamde actuele nieuwe instrumenten om de uitbuiting op te drijven heeft Engels toen al vastgesteld: opdrijven van de stress, onzekere en flexibele werkomstandigheden tot en met een waar activeringsbeleid via de toenmalige ‘nieuwe armenwet’. Uitbuiting is erop gericht om de concurrentie tussen de arbeiders alsmaar op te drijven, door het aanbod aan arbeiders zo hoog mogelijk te maken.
5. Een vijfde sterk punt is het feit dat Engels dit alles vaststelde, analyseerde en rapporteerde wanneer hij 24 jaar oud was, zonder dat er op dat moment sprake was van een wetenschappelijk socialisme. Engels had zijn eerste ideeën van socialisme op filosofisch vlak opgedaan in het toenmalige Duitsland in de discussie groepen van Duitse intellectuelen: de jong-Hegelianen. Hij verwijst meermaals in zijn boek naar het contrast tussen die Duitse intellectuelen die zich wel socialist noemen, maar geen band hebben met de sociale praktijk en de Engelse arbeiders die vanuit het leven zelf zich bewust worden van het socialisme. Engels: “De arbeiders moeten daartegen protesteren zolang zij nog niet elk menselijk gevoel verloren hebben, en dat ze zo en niet anders protesteren, komt omdat zij Engelsen en praktische mensen zijn, die hun protest door een daad aantekenen, en niet zoals de Duitse theoretici rustig slapen gaan zodra hun protest behoorlijk in de notulen is vastgelegd en bij de stukken opgeborgen, waar het dan even rustig slaapt als de protesterende zelf.”In 1892, 48 jaar later, wordt het boek heruitgegeven in Duitsland. In zijn voorwoord stelt Engels vast dat hij na het herlezen van zijn boek, eigenlijk niets hoeft te wijzigen. Buiten wat elementen van jeugdige overmoedigheid, blijft het boek vijftig jaar later van A tot Z nog actueel. Engels vat bondig in zijn voorwoord de Marxistische concepten samen die ondertussen werden geëxpliciteerd in Het Kapitaal van Marx, en impliciet reeds terug te vinden waren in ‘De toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.
Ik beschrijf en citeer uit de verschillende hoofdstukken van het boek, met eerst per hoofdstuk de korte inhoud zoals die bij de Duitse heruitgave van 1892 was opgemaakt (in het vet) en dan enkele regels van commentaar in cursief met als illustratie telkens enkele uitgebreide citaten uit het boek.
Friedrich Engels
De toestand van de arbeidersklasse in Engeland
Naar eigen aanschouwingen en authentieke bronnen
Geschreven: 1844-45
Inhoudsopgave
Aan
de werkende klasse van Groot-Brittannië
Voorbericht
Zijn methode: de band
met de sociale praktijk naast de band met de wetenschap
Ik heb lang genoeg onder u geleefd om iets te weten van uw levensomstandigheden, waarover ik met de grootste zorg kennis vergaarde. Ik heb de verschillende officiële en niet-officiële documenten bestudeerd, voor zover ik de mogelijkheid had mij deze te verschaffen. Daarmee heb ik echter geen genoegen genomen, het was mij om meer dan alleen abstracte kennis van mijn onderwerp te doen. Ik wilde u in uw woningen zien, u in uw dagelijks leven waarnemen, met u over uw levensomstandigheden en noden praten en getuige zijn van uw strijd tegen de sociale en politieke macht van uw onderdrukkers. Ik ging daarbij als volgt te werk: ik zag af van het gezelschap en de feestmalen, de port en de champagne van de middenklasse en wijdde mijn vrije uren bijna uitsluitend aan de omgang met eenvoudige arbeiders. En ik ben verheugd en trots tegelijk, zo te hebben gehandeld.(…)
Eenentwintig maanden lang heb ik gelegenheid gehad om het Engelse proletariaat, zijn streven, zijn lief en leed van nabij door eigen waarneming en persoonlijke omgang te leren kennen en tegelijkertijd mijn ervaringen aan te vullen door gebruik te maken van de nodige authentieke bronnen. Wat ik gezien, gehoord en gelezen heb is in het hier volgende geschrift verwerkt.
Geen speld tussen te krijgen
Ik ben erop voorbereid dat niet alleen mijn standpunt, maar ook de gebrachte feiten van vele kanten zullen worden aangevallen, vooral als mijn boek in handen van Engelsen komt. Even goed weet ik dat men hier en daar een onbelangrijke onjuistheid, welke bij zo’n omvangrijk onderwerp met zijn breedvoerig bewijsmateriaal zelfs een Engelsman niet had kunnen vermijden, te meer zal kunnen aanwijzen daar waar er zelfs in Engeland nog geen enkel werk bestaat dat, zoals het mijne, over alle arbeiders gaat. Toch daag ik, zonder mij ook maar een ogenblik te bedenken, de Engelse bourgeoisie uit om ook maar één enkel, voor de algemene strekking van betekenis zijnd feit, met even zulke authentieke bewijsstukken als ik heb aangevoerd, te weerleggen.
Juist voor Duitsland is het weergeven van de klassieke toestanden van het proletariaat in het Britse Rijk van grote betekenis, vooral op het huidige moment. Het Duitse socialisme en communisme zijn meer dan wat ook van theoretische stellingen uitgegaan. Wij, Duitse theoretici, kenden van de werkelijke wereld nog veel te weinig om door de werkelijke verhoudingen direct tot hervorming van deze ‘slechte werkelijkheid’ te worden gedreven. Van de openlijke voorvechters van zulke hervormingen is tenminste bijna niemand op andere wijze tot het communisme gekomen, dan via Feuerbachs ontrafelen van Hegels speculaties. De werkelijke levensomstandigheden van het proletariaat zijn onder ons zo weinig bekend dat zelfs de goedwillende ‘verenigingen tot verheffing van de werkende klassen’, waarin onze bourgeoisie het sociale vraagstuk nu mishandelt, voortdurend van de belachelijkste en meest afgezaagde opvattingen over de toestand van de arbeiders uitgaan. Vooral wij Duitsers hebben in deze kwestie behoefte aan feitenkennis.(…)
Ten tweede heb ik bij die meeste citaten de partij van mijn berichtgevers daarom vermeld, omdat die liberalen bijna voortdurend de ellende in de landbouwdistricten op die voorgrond proberen te schuiven, maar die in de fabrieksdistricten trachten weg te praten, terwijl omgekeerd de conservatieven de nood in die fabrieksdistricten erkennen, maar van die in de landbouwstreken weer niets willen weten. Om deze reden heb ik ook, wanneer mij officiële documenten ontbraken bij de schildering van de industriearbeiders altijd aan, een liberaal bewijsstuk de voorkeur gegeven om de liberale bourgeoisie met haar eigen woorden te verslaan. En op de Tories of chartisten heb ik mij alleen dan beroepen, wanneer ik die juistheid van de zaak uit eigen aanschouwing kende, of ik van die waarheid van de uitspraak overtuigd kon zijn door het persoonlijke of literaire karakter van mijn autoriteiten.
De essentie: de onverzoenlijke klassentegenstelling tussen arbeid en kapitaal
Haar belangen staan diametraal tegenover de uwe, hoewel zij altijd zal trachten het tegendeel te beweren en bij u het geloof te wekken dat uw lot haar ten zeerste aan het hart gaat. Haar daden logenstraffen haar woorden. Ik hoop dat ik meer dan voldoende materiaal daarvoor heb gebracht, om te bewijzen dat de middenklasse, wat zij ook beweren mag, in werkelijkheid geen ander doel kent dan zich door uw arbeid te verrijken zolang zij het product daarvan verkopen kan en u aan de hongerdood prijs te geven zodra zij uit deze indirecte handel in mensenvlees geen winst kan slaan.
Uit
het aanhangsel van de Amerikaanse uitgave
De
arbeidersbeweging in Amerika
Voorrede
bij de tweede Duitse oplage
Voorrede bij de tweede
Duitse oplage (1892)
Het boek dat hierbij opnieuw aan het Duitse publiek wordt voorgelegd, verscheen voor het eerst in de zomer van 1845. Het draagt, zowel wat het goede als wat het slechte betreft, het stempel van de jeugd van de schrijver. Ik was toen vierentwintig jaar. Thans ben ik drie maal zo oud en nu ik dit jeugdwerk weer doorlees, vind ik dat ik mij er geenszins voor behoef te schamen. Ik denk er dus niet aan dit stempel van jeugdwerk hoe dan ook uit te wissen. Ik leg het de lezer weer onveranderd voor.(…)
Engels formuleert in dit voorwoord bij de Duitse uitgave die 48 jaar later verschijnt, reeds enkele wezenlijke veranderingen die in de wereld van toen sinds 1848 hadden plaats gehad en die later door Lenin in zijn boek ‘Imperialisme’ werden uitgewerkt en getheoretiseerd.
De koloniale markten ontwikkelden in steeds toenemende mate hun vermogen de Engelse industrieproducten op te nemen. De mechanische weefstoel van Lancashire hielp eens en voor altijd miljoenen Indische handwevers de wereld uit. China werd meer en meer opengelegd. Vooral echter ontwikkelde zich Amerika met een zelfs voor dit land van reusachtige vooruitgang ongekende snelheid. En vergeten wij niet: Amerika was toen slechts een koloniale markt, en wel de grootste van alle, d.w.z. een land dat grondstoffen leverde en industrieproducten vanuit het buitenland, in het gegeven geval vanuit Engeland, betrok.
Bij dat alles kwam dan nog dat de nieuwe, tegen het einde van de voorgaande periode ingevoerde verkeersmiddelen — spoorwegen en oceaanstomers — thans op internationale schaal in gebruik kwamen en daarmee verwerkelijkten wat voordien slechts in eerste aanleg had bestaan: de wereldmarkt. Deze wereldmarkt bestond destijds nog hoofdzakelijk of uitsluitend uit een aantal akkerbouwlanden, gegroepeerd om één groot industriecentrum: Engeland. Engeland verbruikte het grootste deel van hun overschot aan grondstoffen en voorzag hen daarvoor van het grootste deel van de industrieproducten die zij nodig hadden.(…)
De vorming van een arbeidersaristocratie binnen het monopoliekapitalisme
De machinebankwerkers, de timmerlieden en meubelmakers, de bouwvakarbeiders zijn elk op zichzelf zo een macht dat zij zich zelfs, zoals de bouwvakarbeiders dat doen, met succes tegen het invoeren van machines kunnen verzetten. Hun toestand is ongetwijfeld sedert 1848 opvallend verbeterd. Het beste bewijs daarvoor is dat sinds meer dan vijftien jaar niet alleen hun werkgevers met hen, maar zij ook met hun patroons uiterst tevreden zijn geweest. Zij vormen een aristocratie binnen de arbeidersklasse; zij hebben het klaargespeeld om zich een betrekkelijk comfortabele positie te veroveren en deze toestand beschouwen zij als blijvend.(…)
De waarheid is deze: zolang Engelands industriemonopolie duurde, profiteerde de Engelse arbeidersklasse tot op zekere hoogte ook van de voordelen van dit monopolie. Deze voordelen werden zeer ongelijk onder haar verdeeld: de bevoorrechte minderheid streek het grootste deel op, maar zelfs de grote massa had toch nu en dan tijdelijk ook iets. Dit is dan ook de reden waarom er sinds het uitsterven van het owenisme in Engeland geen socialisme bestond. Met de instorting van het monopolie zal de Engelse arbeidersklasse deze bevoorrechte positie verliezen. Zij zal algemeen — de bevoorrechte en leidende minderheid niet uitgezonderd - op zekere dag op hetzelfde peil zijn teruggebracht als dat van de arbeiders in het buitenland. En dat is de reden waarom er ook in Engeland weer socialisme zijn zal.’
Later vormde zich het wetenschappelijk socialisme. In zijn boek van 1844 droomde Engels nog een beetje naïef van een communistische beweging boven de klassen. Het wetenschappelijk socialisme heeft dit gecorrigeerd. En wie, na het wetenschappelijk socialisme, nog blijft boven de klassen redeneren is volgens Engels in 1892 ‘een wolf in schapenvacht’.
Het zal wel bijna overbodig zijn op te merken dat het algemeen theoretisch standpunt van dit boek — in filosofische, economische en politieke zin — geenszins precies overeenkomt met mijn tegenwoordige opvattingen. In 1844 bestond het moderne internationale socialisme nog niet, dat zich sindsdien, vooral en bijna uitsluitend door de prestaties van Marx, tot een wetenschap ontwikkeld heeft. Mijn boek vertegenwoordigt slechts een van de fasen van zijn embryonale ontwikkeling. Zoals het menselijk embryo in zijn vroegste stadia van ontwikkeling nog altijd de kieuwbogen van onze voorouders, de vissen, reproduceert, zo verraadt dit boek overal de sporen van de afstamming van het moderne socialisme van een van zijn voorouders: de klassieke Duitse filosofie. Zo wordt, vooral tegen het eind, groot gewicht gehecht aan de bewering dat het communisme niet slechts een partijdoctrine van de arbeidersklasse is, maar een theorie waarvan het einddoel de bevrijding van de hele maatschappij, met inbegrip van de kapitalisten, uit de huidige beperkende verhoudingen is. Dit is in abstracte zin juist, maar in de praktijk meestal erger dan nutteloos. Zolang de bezittende klassen niet alleen geen behoefte aan bevrijding bespeuren, maar ook het zichzelf bevrijden van de arbeidersklasse uit alle macht tegenwerken, zal de arbeidersklasse wel gedwongen zijn de sociale omwenteling alleen voor te bereiden en door te voeren. Ook de Franse burgers van 1789 verklaarden dat de bevrijding van de bourgeoisie met de emancipatie van heel het menselijk geslacht gelijkstond; adel en geestelijkheid wilden dat echter niet inzien. Hoewel deze bewering toentertijd, voor zover het feodalisme erbij betrokken was, een onmiskenbare, abstracte, historische waarheid inhield, ontaardde zij al spoedig in een puur sentimentele frase en ging zij in het vuur van de revolutionaire strijd geheel in rook op. Tegenwoordig zijn er ook mensen genoeg die vanuit de onpartijdigheid van hun hogere standpunt, de arbeiders een boven alle klassentegenstellingen en klassenstrijd verheven socialisme voorpreken. Maar zij zijn of nieuwelingen die nog een massa leren moeten, of de ergste vijanden van de arbeiders: wolven in schaapsvacht.
Engels vat in zijn later geschreven voorwoord de politieke economie nog eens samen
Ik heb noch hier, noch in de Engelse uitgaven getracht het boek aan de huidige stand van zaken aan te passen, d.w.z. de sinds 1844 ingetreden veranderingen in bijzonderheden op te sommen. En wel om twee redenen. Ten eerste had ik de omvang van het boek moeten verdubbelen. En ten tweede gaf Marx in het eerste deel van Het Kapitaal een uitvoerige voorstelling van de toestand van de Engelse arbeidersklasse omstreeks 1865; de tijd dus dat de Britse industriële welvaart haar hoogtepunt bereikte. Ik zou dus het door Marx gezegde hebben moeten herhalen.(…)
En zo is de ontwikkeling van de kapitalistische productie al voldoende om — tenminste in de leidinggevende takken van industrie want in de minder belangrijke is dit geenszins het geval — al die kleine bezwaren op te heffen die in vroeger jaren het lot van de arbeiders verergerden. En zo treedt meer en meer het grote hoofdfeit op de voorgrond dat de oorzaak van de ellende der arbeidersklasse niet in al die kleinere misstanden gezocht moeten worden, maar in het kapitalistische stelsel zelf. De arbeider verkoopt zijn arbeidskracht aan de kapitalist voor een bepaalde som geld per dag. Na enkele uren arbeid heeft hij de waarde van dit bedrag gereproduceerd. Maar zijn arbeidscontract bepaalt dat hij nu nog een aantal uren door moet zwoegen om zijn arbeidsdag vol te maken. De waarde die hij nu in deze extra-uren van meerarbeid voortbrengt, is de meerwaarde die de kapitalist niets kost, maar niettemin in zijn zak vloeit. Dat is de grondslag van het stelsel dat de beschaafde maatschappij splitst in enerzijds de paar Rothschilds en Vanderbilts, die eigenaars van alle productie- en bestaansmiddelen zijn, en anderzijds de geweldige massa van loonarbeiders die eigenaar van niets dan hun arbeidskracht zijn. En dat dit resultaat niet de schuld is van een of andere ondergeschikte beklagenswaardige kwestie, maar uitsluitend van het stelsel zelf dit feit is — door de ontwikkeling van het kapitalisme in Engeland heden in het scherpste licht gesteld.
In 1844 eindigde hij zijn boek als volgt: “De revolutie moet komen, het is nu al te laat om een vreedzame oplossing voor de kwestie te kunnen vinden;(…) Maar ik blijf erbij: de oorlog van de armen tegen de rijken, die thans reeds in afzonderlijke gevallen en indirect gevoerd wordt, zal ook in het algemeen, als geheel en direct in Engeland gevoerd worden. Voor een vreedzame oplossing is het te laat. De klassen scheiden zich steeds scherper van elkaar, de geest van verzet maakt zich steeds meer van de arbeiders meester, de verbittering neemt toe, de afzonderlijke guerrillaschermutselingen concentreren zich tot belangrijker gevechten en demonstraties en een kleine stoot zal spoedig voldoende zijn om de lawine aan het rollen te brengen. Dan zal ongetwijfeld door het land de strijdkreet schallen: ‘Oorlog aan de paleizen, vrede aan de hutten!’ — dan zal het echter voor de rijken te laat zijn om zich nog in acht te kunnen nemen.”
Ik heb er zelfs niet aan gedacht uit de tekst de vele voorspellingen te schrappen en vooral niet die betreffende een voor de deur staande sociale revolutie in Engeland, waaraan ik in mijn jeugdige overmoed toen geloofde. Ik heb geen reden om mijn werk en mijzelf beter voor te stellen dan wij beiden toen waren. Wonderbaarlijk is niet dat zovele van deze voorspellingen fout waren, maar dat zovele uitgekomen zijn
Toestand van de arbeiders voor de industriële revolutie — De ‘jenny’ — Ontstaan van het industriële en van het landbouwproletariaat — De ‘throstle’, de mule, de mechanische weefstoel, de stoommachine — De machines verdringen de handenarbeid — Ontwikkeling van de industriële macht — Katoenindustrie — Kousenfabricage — Kantwerken — Bleken, drukken en verven — Wolindustrie — Linnenindustrie — Zijde-industrie — IJzerproductie en verwerking — Kolenmijnen - Aardewerkfabrieken — Landbouw — Straatwegen, kanalen, spoorwegen, stoomschepen — Samenvatting — Het proletariaat wordt van nationale betekenis — Opvatting der bourgeoisie over het proletariaat.
Dat is in het kort de geschiedenis van de Engelse industrie in de afgelopen 60 jaar, een geschiedenis die haar gelijke niet heeft in de annalen der mensheid. Zestig, tachtig jaar terug nog een land als elk ander met kleine steden, weinig en eenvoudige industrie en een dunne, maar naar verhouding talrijke plattelandsbevolking; en nu dan een land als geen ander met een hoofdstad van 2,5 miljoen inwoners, met kolossale fabriekssteden, met een industrie die de hele wereld verzorgt en waar bijna alles met de meest gecompliceerde machines gemaakt wordt, met een vlijtige, intelligente, dichtbezaaide bevolking waarvan tweederde in industrie en handel werkzaam is, en die uit geheel andere klassen bestaat, ja een geheel andere natie met andere zeden en andere behoeften is dan toentertijd. De industriële revolutie heeft voor Engeland dezelfde betekenis als de politieke revolutie voor Frankrijk en de filosofische voor Duitsland. De afstand tussen het Engeland van 1760 en dat van 1844 is minstens even groot als dat tussen het Frankrijk van het ancien régime[6] en dat van de Julirevolutie. Het belangrijkste product van deze industriële omwenteling is echter het Engelse proletariaat.
Classificatie van de arbeiders — Centralisatie van het bezit — De hefboom van de moderne industrie — Centralisatie van de bevolking.
Een directe indruk van Londen — Sociale oorlog en universeel uitplunderingssysteem — Het lot van de armen daarbij — De achterbuurten in het algemeen — Londen: St. Giles en omgeving — Whitechapel — In de proletariërwoningen — Daklozen in de parken — Nachtlogementen — Dublin — Edinburgh — Liverpool — De fabriekssteden: Nottingham, Birmingham, Glasgow, Leeds, Bradford, Huddersfield — Lancashire: algemene opmerkingen — Bolton — Stockport — Ashton-under-Lyne — Stalybridge — Manchester in bijzonderheden geschetst: algemene bouwwijze — De oude stad — De nieuwe stad — Bouwwijze der arbeiderswijken — Binnenhofjes en achterstraatjes — De Ancoats-wijk — Klein-Ierland — Hulme — Salford — Samenvatting — Logementen — Grote bevolkingsdichtheid — Kelderwoningen — Kleding van de arbeiders — Voeding — Slecht vlees — Vervalsing van waren — Vervalste maten enz. — Samenvatting.
Intussen moet opgemerkt worden dat de nieuwere hofjes verstandiger aangelegd en beter onderhouden zijn en zelfs in de oude staan de cottages veel minder opeengedrongen dan in Manchester en Liverpool. Daardoor waren dan ook in Birmingham tijdens epidemieën veel minder sterfgevallen dan bv. in Wolverhampton, Dudley en Bilston, die slechts enkele mijlen van Birmingham verwijderd liggen.(…)
Onderlinge concurrentie van de arbeiders, die het minimumloon en concurrentie van de bezitters onderling, die het maximumloon bepaalt — De arbeider, slaaf van de bourgeoisie, moet zichzelf elke dag, elk uur verkopen — Overtollige bevolking — Handelscrisis — De arbeidersreserve — Het lot van deze reserve tijdens de crisis van 1842.
Deze concurrentie van de arbeiders onderling is echter voor de arbeiders de ergste kant van de huidige verhoudingen en in handen van de bourgeoisie het scherpste wapen tegen het proletariaat. Vandaar het streven van de arbeiders om deze concurrentie op te heffen door zich te verenigen en vandaar de woede van de bourgeoisie tegen deze bonden en haar triomf bij iedere klap die eraan wordt toegebracht.
Wat de proletariër nodig heeft, kan hij slechts krijgen van deze bourgeoisie wier monopolie door de staatsmacht wordt beschermd.
Er is slechts een grens voor deze concurrentie van de arbeiders echter: geen arbeider zal voor minder willen werken dan hij voor zijn bestaan nodig heeft, als hij nu eenmaal verhongeren moet zal hij liever werkeloos dan werkend willen verhongeren. Wel is deze grens betrekkelijk want de een heeft meer nodig dan de ander, de een is aan meer gerief gewend dan de ander; de Engelsman die nog een beetje beschaafd is, heeft meer nodig dan de Ier die in lompen loopt, aardappels eet en in een zwijnenstal slaapt. Maar dat verhindert de Ier niet tegen de Engelsman te concurreren en zo langzamerhand het loon en daarmee de graad van beschaving van de Engelse arbeider tot op het Ierse peil neer te drukken. Bepaalde soorten werk vereisen een zekere graad van beschaving en daartoe behoort bijna iedere industriële arbeid. Daarom moet hier het loon reeds in het belang van de bourgeoisie zelf zó hoog zijn, dat het de arbeider veroorlooft om in deze sfeer te blijven.(…)
En Malthus die bovengenoemde stelling van Smith verder ontwikkelt, heeft eveneens op zijn manier gelijk wanneer hij beweert dat er steeds overbodige bevolking is en dat er altijd te veel mensen op de wereld zijn; hij heeft pas ongelijk wanneer hij beweert dat er meer mensen zijn dan er met de voorhanden levensmiddelen gevoed zouden kunnen worden. De overbodige bevolking wordt veeleer veroorzaakt door de concurrentie van de arbeiders onderling, die iedere arbeider afzonderlijk dwingt om dagelijks zo veel te werken als zijn krachten ook maar enigszins toelaten. Wanneer een fabrikant dagelijks tien arbeiders negen uur lang werk kan geven, kan hij, als de arbeiders dagelijks tien uur werken, slechts negen werk geven en verliest de tiende zijn brood. En wanneer de fabrikant in een tijd van weinig vraag naar arbeidskrachten die negen arbeiders door bedreiging met ontslag kan dwingen om voor hetzelfde loon dagelijks een uur meer, dus tien uur, te werken dan ontslaat hij de tiende en spaart dus diens loon. Zoals hier in het klein gaat het bij een natie in het groot. De door de onderlinge concurrentie van de arbeiders ten top gevoerde prestaties van ieder afzonderlijk, de arbeidsdeling, de invoering van machines en de exploitatie van de natuurkrachten, maken een massa arbeiders brodeloos. Maar deze brodeloze arbeiders raken buiten de markt: zij kunnen niets meer kopen en de vroeger door hen verbruikte hoeveelheid handelswaren wordt nu niet meer verlangd en behoeft dus niet meer geproduceerd te worden. De vroeger bij deze productie betrokken arbeiders worden dus ook weer brodeloos en vallen uit de markt. En zo gaat dat steeds verder, steeds dezelfde kringloop(…)
Crisis van overproductie, anarchie van de markt, rol van speculatie, werkloosheid en het werkloze reserveleger, informele economie, nepjobs, bedelaars die het meeste solidariteit ondervinden in de arbeiderswijken en criminaliteit…
En ondanks alle toenemende uitbreiding van de industrie, ondanks alle, in het algemeen stijgende vraag naar arbeiders heeft Engeland, volgens de uitlatingen van de officiële partijen (d.i. van Tories, Whigs[3] en radicalen), toch nog voortdurend een overtallige en overbodige bevolking en is dus toch het algemeen de concurrentie onder de arbeiders voortdurend groter dan de concurrentie om arbeiders.
Waar komt deze tegenstrijdigheid vandaan? Uit het wezen van de industrie en concurrentie en de daaruit voortvloeiende handelscrises. Bij de huidige ordeloze productie en distributie van de levensmiddelen waarbij het niet om de directe bevrediging van behoeften maar om de geldwinning begonnen is, bij het systeem, in overeenstemming waarmee ieder op eigen gelegenheid werkt en zich verrijkt, moeten wel elk ogenblik stagnaties optreden. Engeland bv. verzorgt een hele reeks landen met de meest verschillende waren. Zelfs wanneer een fabrikant nu weet hoeveel van ieder artikel in elk land afzonderlijk jaarlijks verbruikt wordt, weet hij nog niet hoe omvangrijk de voorraden daar op een bepaald moment zijn en nog veel minder hoeveel zijn concurrenten daarheen zenden. Hij kan uitsluitend uit het verloop van de eeuwig schommelende prijzen een onzekere conclusie trekken betreffende voorraden en behoeften, hij moet er zijn waren op goed geluk heensturen. Alles geschiedt blindelings en lukraak, min of meer slechts bij toeval. Op het kleinste gunstige bericht afgaande, stuurt ieder wat hij maar kan en het duurt niet lang of zo’n markt is overvoerd van waren, de afzet stagneert, er komt geen geld meer binnen, de prijzen vallen en de Engelse industrie heeft geen werk meer voor haar arbeiders.(…)
De markten liggen meestal ver af; voordat de eerste nieuwe aanvoer daar ter plaatse kan aankomen, stijgt de vraag voortdurend en daarmee de prijzen; men vecht om de eerst, aangekomen partijen waren en de eerste transacties verlevendigen de markt nog meer, de nog te verwachten aanvoer belooft nog hogere prijzen, men begint, in afwachting van verdere prijsstijging, op speculatie te kopen en zo de voor consumptie bestemde goederen juist wanneer zij het meest nodig zijn, aan het verbruik te onttrekken. Door de speculatie stijgen de prijzen nog meer, aangezien zij anderen aanmoedigt in te kopen en nieuw aangevoerde goederen aan de omsloop onttrekt. Dit alles wordt naar Engeland bericht: de fabrikanten gaan weer vlot werken, nieuwe fabrieken worden ingericht en alle middelen worden aangewend om van de gunstige tijd gebruik te maken. De speculatie begint ook hier en met precies dezelfde uitwerking als op de vreemde markten: de prijzen stijgen, waren worden aan het verbruik onttrokken en deze beide factoren zetten de industriële productie tot de grootste krachtsinspanning aan. Dan komen de ‘onsolide’ speculanten die met fictief kapitaal werken, van krediet leven en geruïneerd zijn wanneer ze niet onmiddellijk vlot kunnen verkopen. Zij storten zich in deze algemene, ordeloze wedloop om financiële winst, vergroten de wanorde en gejaagdheid door hun onbeteugelde hartstochten, waardoor prijzen en productie tot het waanzinnige omhoog worden gedreven — een dolle jacht die ook de kalmsten en meest ervarenen meesleept; er wordt getimmerd, geweven en gesponnen als gold het de hele mensheid opnieuw uit te rusten en als of er een paar duizend miljoen nieuwe consumenten op de maan waren ontdekt. Plotseling beginnen ginds de onsolide speculanten die geld nodig hebben, te verkopen — onder de marktprijs, wel te verstaan, want er is haast bij de zaak — en op de ene verkoop volgen andere, de prijzen gaan schommelen, de speculanten gooien verschrikt hun goederen op de markt, de markt raakt in wanorde, het krediet is ondermijnd, het ene handelshuis na het andere staakt zijn betalingen, bankroet volgt op bankroet en men ontdekt dat driemaal zoveel waren voorhanden en onderweg zijn als voor de consumptie nodig zou zijn. De berichten komen naar Engeland waar intussen nog altijd met alle macht geproduceerd wordt — een panische schrik maakt zich ook hier van de gemoederen meester, de faillissementen daarginds hebben andere in Engeland tengevolge, de stagnatie brengt nog een groot aantal huizen ten val, uit angst worden ook hier alle voorraden opeens op de markt geworpen waardoor de schrik nog groter wordt. Dat is het begin van de crisis die dan weer precies net zo verloopt als de vorige om later weer in een periode van bloei om te slaan. Zo gaat dat maar door: bloei, crisis, bloei, crisis. En deze eeuwige kringloop waarin de Engelse industrie zich beweegt, pleegt zich, zoals gezegd, telkens in vijf of zes jaar te voltrekken.
Hieruit volgt dat de Engelse industrie ten allen tijde, behalve in de korte perioden van hoogste opbloei, een reserve van werkloze arbeiders moet hebben om juist in de drukste maanden de door de markt verlangde hoeveelheden waren te kunnen voortbrengen.(…)
De Londense straatvegers (crossing sweeps) zijn wereldbekend. Tot dusverre werden echter niet alleen deze kruiswegen maar in andere grote steden ook de hoofdstraten geveegd door werklozen, die daarvoor door de armenzorg of straatreinigingsdienst werden aangenomen. Thans heeft men echter een machine die dagelijks door de straten ratelt en de werklozen deze tak van beroep verzuurd heeft. Op de grote toegangswegen tot de steden waar veel wagenverkeer is, ziet men talrijke lieden met kleine karretjes, die met levensgevaar de verse paardenmest tussen de voorbijrollende koetsen en omnibussen wegschrapen en voor verkoop inzamelen; zij moeten daarvoor vaak nog elke week een paar shilling betalen aan de dienst die de straten beheert, en in vele plaatsen is het geheel verboden omdat anders het door deze dienst opgehaalde straatvuil niet genoeg paardenmest zou bevatten om het nog als mest te kunnen verkopen. Gelukkig zijn de ‘overtolligen’ die een kruiwagen kunnen bemachtigen en er vrachtjes mee kunnen vervoeren, nog gelukkiger zijn diegenen aan wie het gelukt geld voor een kar met ezel bij elkaar te krijgen; de ezel moet dan zelf zijn voer zoeken of krijgt wat bijeengescharrelde afval en kan toch nog wat geld inbrengen.
De meeste ‘overtolligen’ gaan venten. Vooral op zaterdagavond wanneer de hele arbeidersbevolking op straat is, kan men de velen zien die daarvan leven. Veters, bretels, garen en band, sinaasappelen, koeken, kortom alle mogelijke artikelen worden door talloze mannen, vrouwen en kinderen te koop aangeboden. Ook op andere tijden ziet men elk ogenblik zulke venters met sinaasappelen, koeken, ginger-beer of nettle-beer[4] in de straten staan of rondtrekken. Lucifers en dergelijke, zegellak, gepatenteerde mengsels om vuur aan te maken enz. zijn voor deze lieden eveneens handelsartikelen. Anderen — zogenaamde ‘jobbers’ — gaan langs de straat op zoek naar kleine gelegenheidskarweitjes: sommigen gelukt het om zo een dag arbeid te vinden, velen zijn niet zo gelukkig.(…)
En het is opvallend dat men deze bedelaars bijna uitsluitend in arbeidersbuurten vindt en dat het bijna alleen giften van arbeiders zijn waarvan zij bestaan. Of zo’n gezin gaat zwijgend in een drukke straat staan en laat, zonder een woord te zeggen, alleen al de aanblik van de hulpeloosheid zijn uitwerking hebben. Ook hier rekenen zij alleen op deelneming van de kant van de arbeiders die uit ervaring weten wat honger is en die ieder ogenblik in dezelfde toestand kunnen komen; want men vindt deze stomme en toch zo hoogst aangrijpende manifestaties bijna uitsluitend in die straten waar arbeiders vaak komen en op de uren dat daar arbeiders passeren; vooral echter op zaterdagavond wanneer toch al de ‘geheimen’ van de arbeidersbuurten in de hoofdstraten zichtbaar worden en de middenklasse deze zo verontreinigde buurten zoveel mogelijk vermijdt. En diegenen van de overtolligen die moed en hartstocht genoeg hebben (om zich openlijk te verzetten tegen de maatschappij en om de verkapte oorlog die de bourgeoisie tegen hen voert, te antwoorden met de openlijke oorlog tegen de bourgeoisie — die gaan dan stelen, roven en moorden.
Inleidende opmerkingen — Uitwerking der genoemde omstandigheden op de lichamelijke gesteldheid van de arbeiders — Invloed van de grote steden, de huisvesting, de onzindelijkheid enz. — De stand van zaken — Tering — Tyfus, vooral in Londen, Schotland en Ierland — Buikziekten — Gevolgen van de drankzucht — Kwakzalvers — ‘Godfrey’s Cordial’ — Sterfte onder het proletariaat, meer in het bijzonder onder de kleine kinderen — De bourgeoisie aangeklaagd van sociale moord — Gevolgen voor de intellectuele en morele toestand — Tekort aan onderrichtmiddelen — Het ontoereikende van de avond- en zondagsscholen — Onwetendheid — De levensomstandigheden als scholing voor de arbeiders — Zedelijke verwaarlozing van de arbeiders — De wet als enige zedenleraar — De toestand van de arbeiders als aanleiding wetten en zeden te negeren — Invloed van de armoede — Van het proletariaat en de onzekerheid van zijn positie — De veroordeling tot dwangarbeid — De centralisatie van de bevolking — De immigratie uit Ierland — Verschil in karakter van bourgeois en proletariër — Wat de proletariërs op de bourgeois voor hebben — Nadelige zijden van het proletarisch karakter — Drankzucht — Ongebondenheid in het geslachtelijk verkeer — Uiteenvallen van het gezin — Niet nakomen van de sociale regels — Misdadigheid — Beschrijving van de sociale oorlog.
Kapitalisme is wetens en willens moord
Wanneer een persoon iemand anders lichamelijk letsel toebrengt, en wel zodanig letsel dat het slachtoffer daaraan sterft, noemen wij dit doodslag; als de dader vooruit wist dat het letsel dodelijk zou zijn, noemen wij zijn daad een moord. Wanneer echter de maatschappij[1] honderden proletariërs in een zodanige toestand brengt dat zij noodzakelijk een voortijdige, onnatuurlijke dood moeten sterven, een dood die even gewelddadig is als de dood door het zwaard of de kogel; wanneer zij duizenden de nodige levensvoorwaarden ontneemt en ze in omstandigheden plaatst waaronder ze niet kunnen leven; wanneer zij hen door de sterke arm van de wet dwingt om in deze omstandigheden te blijven tot de dood intreedt die het gevolg van deze omstandigheden moet zijn wanneer zij weet, maar ál te goed weet dat deze duizenden aan zulke omstandigheden ten offer moeten vallen en deze omstandigheden toch laat voortbestaan — dan is dat evengoed moord als de daad van de enkeling, maar een verborgen, arglistige moord, een moord waartegen niemand zich verweren kan en die geen moord schijnt te zijn omdat men de moordenaar niet ziet, omdat ieder en tegelijkertijd weer niemand de moordenaar is, omdat de dood van het slachtoffer er als een natuurlijke dood uitziet en omdat het minder een handelingsdelict dan een nalatigheidsdelict is. Maar het blijft moord.(…)
Ik zal verder moeten bewijzen, dat de maatschappij weet hoe schadelijk zo’n toestand voor gezondheid en leven van de arbeiders is en dat zij desondanks niets doet om deze toestand te verbeteren. Dat zij weet wat de gevolgen van haar instellingen zijn, dat haar handelwijze dus niet alleen doodslag maar moord is, zal ik reeds bewezen hebben wanneer ik officiële documenten, parlements- en regeringsrapporten als gezaghebbend bewijs voor het feit van de doodslag zal kunnen overleggen.
Smog, fijn stof…
Twee en een half miljoen longen en tweehonderdvijftigduizend stookplaatsen, samengepakt op drie tot vier vierkante geografische mijl, verbruiken een enorme massa zuurstof die slechts met moeite vervangen wordt omdat de bouwwijze van steden op zichzelf al de ventilatie moeilijk maakt. Het door ademen en verbranding gevormde koolzuurgas blijft door zijn soortelijke zwaarte in de straten hangen en de belangrijkste windstroom strijkt over de daken van de huizen heen. De longen van de bewoners krijgen niet de volledige hoeveelheid zuurstof en het gevolg daarvan is lichamelijke en geestelijke verzwakking en verminderde levenskracht.
Hygiëne, zuiver water…
Het vuilnis en de stilstaande plassen in de arbeiderswijken van de grote steden hebben dus de ergste gevolgen voor de volksgezondheid want juist zij ontwikkelen de ziekteverwekkende gassen; hetzelfde geldt voor de uitwatering van de verontreinigde rivieren.(…)
Men onthoudt hen alle middelen tot zindelijkheid, men onthoudt hen water omdat er alleen tegen betaling waterleiding wordt aangelegd en men de rivieren dermate verontreinigt dat zij niet meer voor zindelijkheidsdoeleinden deugen. Men dwingt hen alle afval en vuilnis, al het vuile water, ja vaak de meest weerzinwekkende drek en fecaliën op straat te gooien door hun alle middelen te ontnemen om zich er op andere wijze van te ontdoen; men dwingt hen daardoor hun eigen buurten te verpesten.(…)
Stress door flexibiliteit en bestaansonzekerheid…
Men stelt hen bloot aan de meest opwindende stemmingswisselingen, aan de heftigste slingeringen tussen angst en hoop: men jaagt hen op als wild en laat hen niet tot rust en rustig levensgenot komen. Men ontneemt hen elk genot behalve het geslachtsverkeer en de drank, maar wel beult men hen dagelijks af tot aan de volkomen uitputting van al hun geestelijke en lichamelijke krachten en prikkelt hen zodoende voortdurend tot de onzinnigste buitensporigheid in de twee enige genietingen die hun zijn gelaten. En als dit alles niet helpt, als zij dit alles doorstaan, dan vallen zij ten prooi aan de werkloosheid van een crisis, waarin hen ook het weinige wat men hen tot nog toe gelaten had, ontnomen wordt.
De epidemioloog…
Wat is hier anders te verwachten dan een overgrote proportie aan sterfgevallen, een voortdurend optreden van epidemieën en een onvermijdelijk toenemend lichamelijk verval van de werkende generatie? Laat ons zien hoe de feiten liggen.(…)
Met de tering concurreert nog, naast andere longziekten en roodvonk, vooral de ziekte die de vreselijkste verwoestingen onder de arbeiders aanricht — de tyfus.(…)
In Edinburgh en Glasgow greep de tyfus bijzonder fel om zich heen in 1817 na de duurte en in 1826 en 1837 na de handelscrises en telkenmale luwde hij voor een tijdje na een drietal jaren lang geheerst te hebben. In Edinburgh leden tijdens de epidemie van 1817 ongeveer 6000 en in 1837 ongeveer 10.000 personen aan de koorts en niet alleen het aantal zieken, maar ook de hevigheid van de ziekte en het relatief aantal sterfgevallen nam toe bij ieder opnieuw uitbreken van de epidemie.[2] Maar het woeden van de ziekte in alle vroegere perioden lijkt kinderspel te zijn geweest in vergelijking met haar optreden na de crisis van 1842. In heel Schotland werd een zesde van alle armen door de koorts aangetast, terwijl het kwaad door rondtrekkende bedelaars met vliegende snelheid van de ene naar de andere plaats werd overgebracht; de middelste en hogere maatschappelijke klassen werden er niet door getroffen. In twee maanden waren er meer ziektegevallen dan in de twaalf voorafgaande jaren. In Glasgow kregen in 1843 twaalf procent van de bevolking, 32.000 mensen, de koorts en van hen stierf 32 procent, terwijl de sterfte in Manchester en Liverpool gewoonlijk slechts acht procent bedraagt.(…)
Hij bewijst, dat telkens een periode van ontbering — een handelscrisis of misoogst — het epidemisch optreden van de tyfus in Schotland zowel als in Ierland veroorzaakt heeft en dat de kwaadaardigheid van de ziekte bijna uitsluitend de werkende klasse trof.(…)
Voeding…
Het tijdelijk ontbreken van voldoende voeding, waaraan bijna iedere arbeider minstens eenmaal in zijn leven is blootgesteld, draagt er alleen nog maar toe bij om de gevolgen van de slechte, hoewel toereikende voeding te verergeren. Kinderen die juist in de tijd dat zij de voeding het meest nodig hebben, maar half te eten krijgen — en hoeveel zijn er zulke niet tijdens iedere crisis, ja zelfs nog in de beste periodes van bedrijvigheid — zulke kinderen zullen vast en zeker in hoge mate zwak, scrofuleus en rachitisch worden. En dat zij het worden kun je zó zien. De verwaarlozing waartoe de grote massa van de arbeiderskinderen is veroordeeld, laat onuitwisbare sporen na en heeft de verzwakking van de hele werkende generatie ten gevolge. Daarbij komen nog de ongeschikte kleding van deze klasse en de hierdoor verhoogde onmogelijkheid om zich tegen kouvatten te weren(…)
Alcoholisme…
Alle verlokkingen, alle mogelijke verzoekingen spannen samen om de arbeiders drankzuchtig te maken. Brandewijn is bijna hun enige bron van vreugde en alles helpt mee om deze zo dicht mogelijk binnen hun bereik te brengen. De arbeider komt moe en verslapt van zijn werk thuis; hij vindt zijn woning van alle huiselijkheid gespeend, vochtig, ongezellig en vuil; hij heeft dringend iets nodig wat hem opkikkeren kan, hij moet iets hebben dat hem de arbeid de moeite waard en het vooruitzicht van de volgende zware dag draaglijk maakt. Zijn afgetobde, onbehaaglijke en zwaarmoedige stemming die reeds het gevolg is van zijn slechte gezondheid, vooral van de slechte spijsvertering, wordt helemaal ondraaglijk door zijn overige levensomstandigheden, door de onzekerheid van zijn bestaan, door zijn afhankelijkheid van alle mogelijke toevallen en door zijn onvermogen om zelf iets te doen voor het zekerder maken van zijn toestand.(…)
De drankzucht heeft hier opgehouden een zonde te zijn waarvoor men de zondaars aansprakelijk kan stellen, het wordt een fenomeen, het noodzakelijke, onvermijdelijke gevolg van bepaalde omstandigheden voor een althans ten aanzien van deze omstandigheden machteloos object.(…)
Gezondheidszorg…
Een andere oorzaak van lichamelijk lijden ligt voor de arbeidersklasse in de onmogelijkheid om zich in geval van ziekte bijstand van goede artsen te verschaffen.(…)
De Engelse artsen hebben hoge tarieven en de arbeiders zijn niet in staat deze te betalen. Zij kunnen dus óf helemaal niets doen óf zijn gedwongen zich van goedkope kwakzalvers en kwakzalversmiddeltjes te bedienen, waarmee zij zich op den duur meer schade dan goed doen.
Medicaliseren…
Een overgroot aantal van zulke kwakzalvers huist in alle Engelse steden en verschaft zich door advertenties, muurplakkaten en allerlei andere foefjes een praktijk onder de armere klassen. Daarnaast worden ook nog een massa zogenaamde patentgeneesmiddelen (patent medicines) voor alle mogelijke en onmogelijke kwalen verkocht: Morrisons pillen, Parrs levenspillen, Dr. Mainwarings pillen en duizend andere pillen, aftreksels en balsems die de eigenschap bezitten om alle ziekten ter wereld te genezen. Deze artsenijen bevatten weliswaar zelden direct schadelijke dingen, maar werken wel heel dikwijls nadelig op het lichaam als er vaak en veel van wordt ingenomen, en daar de onkundige arbeiders in alle advertenties krijgen voor gepreekt dat men daarvan nooit te veel kan innemen moet men niet verbaasd zijn dat zij er voortdurend, met en zonder verdere noodzaak, grote hoeveelheden van slikken. Het is niet ongewoon dat de fabrikant van Parrs levenspillen in één week 20.000 tot 25.000 doosjes van deze heilzame pillen verkoopt en zij worden ingenomen ook: door de één tegen verstopping en door de ander tegen diarree, tegen koorts, zwakte en alle mogelijke kwalen.
(…) nemen thans de Engelse arbeiders hun patentgeneesmiddelen in om zichzelf daardoor te schaden en de fabrikant ervan met hun geld snel rijk te maken. Een van de schadelijkste van deze patentmiddelen is een van opiaten, vooral laudanum gemaakt drankje dat onder de naam ‘Godfrey’s Cordial’ wordt verkocht. Vrouwen die thuis werken en op eigen of andere kinderen moeten letten, geven hun deze drank, opdat ze rustig zullen zijn en, zoals velen menen, sterker zullen worden. Vaak beginnen zij direct na de geboorte te dokteren, zonder enig idee te hebben van de schadelijke gevolgen van deze ‘hartversterking’, totdat de kinderen sterven. Hoe ongevoeliger het organisme van het kind voor de uitwerking van het opium wordt, des te groter hoeveelheid wordt hem ervan ingegeven. Als het ‘Cordial’ niet meer helpt, wordt ook wel onvermengd laudanum toegediend, vaak 15 tot 20 druppels tegelijk. De coroner van Nottingham verklaarde aan een regeringscommissie[6], dat één apotheker volgens eigen zeggen in één jaar tijd dertien centenaar laudanum tot ‘Godfrey’s Cordial’ had verwerkt. Men kan zich licht voorstellen wat de gevolgen voor de aldus behandelde kinderen zijn. Zij worden bleek, kwijnend en zwak en sterven meestal nog voor zij twee jaar oud zijn. Het gebruik van deze medicijn is in alle grote steden en industriestreken van Groot-Brittannië zeer verbreid.
Sterftecijfers als uitkomst…
De sterftecijfers leveren daar het onweerlegbare bewijs voor.
Volgens het rapport van de directeur van het bevolkingsregister G. Graham ligt de sterfte in heel Engeland en Wales jaarlijks iets onder de 21/4 %, d.w.z. jaarlijks sterft één op 45 mensen.[7] Dit was tenminste het gemiddelde in 1839-1840; het jaar daarop daalde het sterftecijfer iets en was slechts één op 46. In de grote steden echter ligt de verhouding heel anders. Voor mij liggen (in de Manchester Guardian van 31 juli 1844) officiële statistieken met sterftecijfers, waarin de sterfte in enige grote steden als volgt berekend wordt: Manchester inclusief Salford en Chorlton 1 op 32,72 en exclusief Salford en Chorlton 1 op 30,75; Liverpool inclusief de voorstad West-Derby 31,90 en exclusief West-Derby 29,90 terwijl het gemiddelde van alle aangegeven districten van Cheshire, Lancashire en Yorkshire — en daaronder vallen een groot aantal heel of half landelijkse districten alsmede vele kleine stadjes — met een bevolking van 2.172.506 mensen een sterftecijfer van 1 op 39,80 oplevert. Hoe ongunstig de arbeiders in de steden ervoor staan toont het sterftecijfer van Prescot in Lancashire, een streek waar steenkoolgravers wonen en dat, daar het werk in de open steenkoolgroeven niet zo gezond is, nog achter staat bij de landbouwgebieden wat de gezondheidstoestand er betreft. De arbeiders wonen echter op het land en het sterftecijfer is 1 op 47, 54, dus bijna 21/2 maal gunstiger dan het gemiddelde van heel Engeland. Al deze gegevens berusten op de sterftestatistiek van 1843. Relatief nog hoger is de sterfte in de Schotse steden: in Edinburgh in 1838-1839 1 op 29, ja in 1831 in de oude stad zelfs 1 op 22, in Glasgow volgens Dr. Cowan (Vital Statistics of Glasgow)[8] gemiddeld sinds 1830 1 op 30 en in sommige jaren 1 op 22 tot 24. Dat deze enorme verkorting van de gemiddelde levensduur hoofdzakelijk voor rekening van de arbeidersklasse komt, ja dat het gemiddelde van alle klassen door de geringere sterfte onder de hogere en middelste klassen nog verbeterd wordt, wordt ons van alle kanten verzekerd. Een van de meest recente getuigenissen komt van de arts P.H. Holland in Manchester die in officiële opdracht[9] een onderzoek instelde te Chorlton-on-Medlock, de voorstad van Manchester. Hij classificeert huizen en straten in elk drie klassen en vond de volgende verschillen in sterfte:
|
Sterfte |
||||
|
Straten eerste klasse: |
huizen |
1ste |
klasse |
1:51 |
|
" |
2de |
" |
1:45 |
|
|
Straten tweede klasse: |
" |
3de |
" |
1:36 |
|
" |
lste |
" |
1:55 |
|
|
" |
2de |
" |
1:38 |
|
|
" |
3de |
" |
1:35 |
|
|
Straten derde klasse: |
" |
1ste |
" |
ontbreekt |
|
" |
2de |
" |
1:35 |
|
|
" |
3de |
" |
1:25 |
Uit verschillende andere tabellen die Holland brengt, blijkt dat de sterfte in de tweede klasse van straten 18 % en in de derde klasse ervan 68 % hoger ligt dan in die van de eerste klasse; dat de sterfte in de huizen van de tweede klasse 31 % en in die van de derde klasse 78 % groter is dan in de eerste klasse en dat het sterftecijfer in de slechte straten die gesaneerd werden, met 25 % terugliep. Hij eindigt met de voor een Engelse bourgeois zeer openhartige opmerking:
‘Wanneer wij zien dat de sterfte in enige straten viermaal zo groot is als in andere en in hele stratenklassen dubbel zo groot is dan in andere klassen, wanneer wij verder zien dat zij nagenoeg onveranderlijk groot is in de straten die in slechte toestand verkeren, en nagenoeg onveranderlijk klein in straten die in goede conditie zijn, dan kunnen wij niet aan de gevolgtrekking ontkomen, dat massa’s onder medemensen, honderden van onze naaste buren jaarlijks omgebracht (destroyed) worden door gebrek aan de allergewoonste voorzichtigheidsmaatregelen’.
Het rapport over de gezondheidstoestand van de arbeidersklasse bevat een mededeling die ditzelfde feit bewijst. In Liverpool was in 1840 de gemiddelde levensduur van de hogere klassen (gentry, professional men etc.) 35 jaar, van de zakenmensen en beter gesitueerde handwerkers 22 jaar en van de arbeiders, dagloners en de werkende klasse over het algemeen slechts 15 jaar. In parlementsrapporten zijn nog talloze soortgelijke feiten te vinden.
De sterftecijfers worden hoofdzakelijk door de vele
sterfgevallen onder de kleine kinderen in de arbeidersklasse zo hoog opgevoerd.
Het tere lichaampje van een kind weerstaat de ongunstige invloeden van een laag
levenspeil het slechtst: als beide ouders werken of een hunner gestorven is,
staat het vaak bloot aan een verwaarlozing die zich zeer spoedig wreekt en men
hoeft zich dan ook niet te verwonderen dat bv. volgens het laatstgenoemd
rapport in Manchester meer dan 57 % van de arbeiderskinderen voor het vijfde
levensjaar sterft, terwijl van de kinderen der hogere klassen maar 20 % en
gemiddeld van alle klassen op het platteland nog geen 32 % van alle kinderen
onder het 5de jaar sterft[10]. Vervolg: http://community.dewereldmorgen.be/blog/dirkvanduppen/2014/12/02/boekbespreking-de-toestand-van-de-arbeidersklasse-in-engeland-van-friedrich-engels-deel-ii-en-vervolg