De klimaatstrijd is een sociale strijd
Met No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert heeft Naomi Klein opnieuw een belangrijk boek geschreven. Ze toont hoe onze honger naar fossiele brandstoffen de aarde onleefbaar maakt, plaatst de onmacht op vlak van klimaatpolitiek in een politiek-historisch kader en roept op tot radicaal verzet. Het boek formuleert ook een denkoefening, want de situatie in West-Europa waar amper grondstoffen worden ontgonnen en geen inheemse volkeren wonen, is helemaal anders dan op een plek waar ze naar olie boren in je voortuin en waar grote gebieden nog in handen zijn van natives.
Maar de belangrijkste boodschap van No Time is dat we de klimaatopwarming enkel kunnen aanpakken als we haar kaderen in een bredere sociale strijd voor rechtvaardigheid en autonomie – en dat een sociale massabeweging nodig is om die trendbreuk te bewerkstelligen.
De uitdaging geschetst
Zoals Klein schrijft, blijft onze cultuur – geconfronteerd met een crisis die het overleven van onze soort bedreigt – doorgaan met wat de crisis veroorzaakt. Het aanstichter is volgens Klein het dominante economisch systeem: het gedereguleerd kapitalisme, de heersende neoliberale ideologie. Dit kapitalisme draait in essentie niet zozeer om wereldhandel, die is er altijd al geweest, als wel om een mondiaal beleidsplan, ontwikkeld in rechtse denktanks. Het streeft naar maximale vrijheid voor multinationals om hun goederen zo goedkoop mogelijk te verkopen, terwijl ze zo weinig mogelijk belasting betalen.
Klein stelt de klimaatverandering onomwonden voor als een strijd tussen het kapitalisme en de planeet. En op dit moment wint het kapitalisme op zijn sloffen. Dat zal enkel veranderen als we radicaal anders gaan denken, een wereldbeeld uitbouwen waar we de natuur, andere naties en eigen buren niet als concurrenten zien, maar als partners in een groots project waarbij we elkaar wederzijds opnieuw uitvinden. In die zin volgt Klein het denken van het ecologisme: niet alleen moeten we het kapitalisme bekampen zoals het zich vandaag voordoet, het gaat eveneens om een kritiek op “de bouwstenen van het materialisme dat voorafging aan het moderne kapitalisme, een mentaliteit die ook wel ‘extractivisme’ wordt genoemd". De gelijkenis is treffend met wat Harald Welzer schrijft in Zelf Denken.
Rechtse conservatieven begrijpen het
Het boek begint ijzersterk. Het maakt duidelijk waarom rechtse conservatieven veel beter begrepen hebben wat er op het spel staat. En waarom ze klimaatopwarming op georganiseerde wijze ontkennen en er veel geld tegenaan smijten. Als ze dat niet doen, moeten ze al hun privileges opgeven, gebouwd op het leegroven van de aarde en ongelijke machtsrelaties. En zal er vanuit ecologische rechtvaardigheid werk worden gemaakt van grotere gelijkheid.
Kortom: dit zou het einde van het kapitalisme betekenen zoals zij dat kennen en gewoon zijn om er de vruchten van te plukken. Als conservatieven toegeven dat de klimaatverandering een realiteit is, verliezen ze de belangrijkste ideologische strijd van onze tijd.
Waarom vrijhandelsakkoorden destructief zijn
Klein legt een belangrijk verband tussen het succes van vrijhandelsakkoorden en het debacle van klimaatconferenties en -beleid. Dat verklaart ze ook historisch: met de val van de Muur in Berlijn kwam een einde aan een periode waarin overheden zelfzeker een stevig milieubeleid uitbouwden, waarin het concept duurzame ontwikkeling tot wereldwijde samenwerking leidde en vooral democratie nog iets betekende.
Met de val kregen de neoliberale krachten vrij spel: rechtse denktanks hadden snel door dat je een doortastend klimaatbeleid kan ondergraven als het primaat van wereldwijde vrijhandel belangrijker wordt dan al het andere, inclusief het overleven van de planeet. Hiervoor ontwikkelden ze krachtige instrumenten als de Wereldhandelsorganisatie en zijn er Vrijhandelsakkoorden gekomen. En met succes: we hebben nu multinationals die landen aanklagen omdat ze een sterk milieubeleid willen voeren (zoals toen Duitsland besliste haar kerncentrales te sluiten). Zoals Klein schrijft: “Bijna tien jaar geleden beweerde een functionaris van de Wereldhandelsorganisatie dat de organisatie de mogelijkheid biedt om ‘vrijwel elke maatregel om de emissie van broeikasgassen te verminderen’ aan te vechten'.”
Klein stelt pertinente vragen zoals: "wat is het effect van de gigantisch toegenomen afstanden die basisgoederen nu afleggen op de CO2-emissies die men met behulp van de klimaatonderhandelingen wil terugdringen?" Deze vragen stellen regeringsleiders nooit op een klimaattop. Die gaan uiteraard niet over het (vrij)handelsbeleid.
Groene organisaties graven hun eigen graf
In de roman Vrijheid vertelt Jonathan Franzen het verhaal van een natuurbeschermer die gaat samenwerken met een oliemagnaat om een totaal maf project te realiseren: het redden van een natuurgebied met geld van de magnaat, op voorwaarde dat een deel ervan totaal vernietigd mag worden door bergtopmijnbouw. Ik vond het een straf maar ongeloofwaardig verhaal.
Klein toont dat de waarheid straffer is dan fictie. In de Verenigde Staten zijn er niet alleen natuur- en milieuorganisaties die samenwerken met bedrijven die het niet zo nauw nemen met het milieu (zoals Natuurpunt bij ons zich liet sponsoren door Electrabel), maar gewoonweg leven op basis van de opbrengsten uit oliewinning in het natuurgebied dat ze zogenaamd beschermen! Daarom begrijp je ook waarom de nieuwe radicale klimaatbeweging zo wantrouwig staat tegenover gevestigde milieubewegingen (Voor alle duidelijkheid: niet iedereen ging mee overstag: bijvoorbeeld Greenpeace en Friends of the Earth hebben hier nooit aan meegedaan). Maar depolitisering van natuur- en milieubewegingen is wel een serieus thema, ook bij ons.
Het publieke domein heropbouwen
Aan de hand van het voorbeeld van Hamburg, waar op basis van een referendum in 2013 de stad het stroomnet terugkocht na eerdere privatisering, pleit Klein voor de heropbouw van het publieke domein. Daarbij gaat het niet om een hernationalisering, want zoals Klein schrijft “ligt de oplossing uitdrukkelijk niet in het volgens de bestaande modellen nationaliseren van bijvoorbeeld energiebedrijven”. Grote staatsoliemaatschappijen hebben meestal dezelfde honger naar koolstofvoorraden als hun tegenhangers in de private sector.
De oplossing ligt enerzijds in decentralisatie, zodat burgers hun autonomie terug kunnen opnemen, in een nieuwe vorm van samenwerking tussen lokale overheden en burgers. En burgerinitiatieven – denk aan energiecoöperaties – spelen een cruciale rol. Anderzijds hebben de nationale overheden de taak om de uitbouw van deze lokale, decentrale netwerken te ondersteunen (zoals Duitsland doet op vlak van hernieuwbare energie). Tevens moet deze hogere overheid terug tanden krijgen, zodat ze de maatregelen neemt die noodzakelijk zijn om het tij te keren (om bijvoorbeeld het geld bij elkaar te krijgen om de transitie te financieren, zoals een stevige CO2-taks).
Maar zoals we zelf elke dag ondervinden, zullen regeringen deze daadkracht niet uit zichzelf ontwikkelen. Hiervoor is er nood aan sociale strijd: “Als we collectief de enorme opdracht van deze crisis willen vervullen, zal er een krachtige sociale beweging politiek leiderschap moeten eisen (en creëren), dat zich er niet alleen aan verbindt om de vervuilers te laten betalen voor een klimaat dat klaar is voor het publieke domein, maar dat ook twee verloren gegane vaardigheden laat herleven: openbare planning op de lange termijn en nee zeggen tegen machtige bedrijven.”
Het antwoord op de verslaving
In Noord-Amerika is de verslaving aan fossiele brandstoffen zichtbaar en voelbaar: in de uitgestrekte bovengrondse teerzandmijnen, maar ook door duizenden ‘kleine’ fracking-installaties in evenveel gemeenten en steden. Het is dan ook logisch dat hier de kiemen zijn ontstaan voor een nieuwe, radicale klimaatbeweging die terug ‘nee’ heeft leren zeggen: ‘nee, oliebedrijf, je hebt niet het recht om mijn leefomgeving te vernietigen. Al heb je de steun van de regering’. Het is deze radicale positionering die ons zeker kan inspireren in West-Europa, waarbij we al te vaak tevreden zijn met halfzachte maatregelen, hoewel we eigenlijk beseffen dat ze schromelijk tekortschieten.
Klein is dus duidelijk. Dit is niet langer de tijd van halfzachte compromissen met diegenen die klimaatopwarming geen groot probleem vinden. Integendeel, vanaf nu eisen we dat het merendeel van de olie en gas in de grond blijft, vanuit een duidelijk wereldbeeld gestoeld op waarden als sociale gelijkheid en ecologische rechtvaardigheid. De bestaansreden van sociale bewegingen ligt in het bekampen van de dominante neoliberale waarden en het tonen van andere manieren van leven. De strijd gaat dus ook tussen culturele wereldopvattingen.
Links extractivisme
Ik
schreef al dat Klein het moderne wereldbeeld fundamenteel
bevraagt. Zo schrijft ze helder: “De
Westerse cultuur van na de Verlichting biedt ons geen routekaart naar
een manier van leven die niet gebaseerd is op een extractivistische,
niet-wederkerige relatie met de natuur”.
Daarbij blijft links niet buiten schot. Zo stelt Klein aan de kaak
dat de linkse partij Syriza, de partij van de hoop in Griekenland, er
niet op tegen was dat de regeringscoalitie nieuwe olie- en gasvelden
wilde exploiteren. Daarmee wilde Syriza de pensioenen betalen in
plaats van de schuldeisers. Zoals Klein deze positie analyseert: “Ze
boden geen alternatief voor de grondstofwinning, ze hadden alleen
betere ideeën voor het verdelen van de buit".
Vanuit deze optiek besteedt Klein een belangrijk deel van haar boek aan het verzet van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen tegen extractie. Uit die strijd kunnen we veel leren: de vastberadenheid, soms gepaard met grote wanhoop, om met ongelijke wapens te vechten tegen de multinationals. Klein verwijst hierbij ook expliciet naar het wereldbeeld van deze gemeenschappen, die zich nog verbonden voelen met de aarde. Voor hen is de aarde geen ‘natuurlijke hulpbron’, maar de bron zelf van alle leven. Klein pleit er dan ook voor om te erkennen dat wij niet de baas zijn, maar onderdeel van een gigantisch levend systeem waarvan wij tegelijk afhankelijk zijn.
Dit is uiteraard een gekende traditie binnen het ecologisch denken (Klein verwijst naar Carolyn Merchant). Het boek toont dat ook vandaag, op vele plekken op de wereld, dat gevecht tegen extractivisme wordt gevoerd vanuit andere wereldbeelden. Zo kunnen sommige stammen in Noord-Amerika zich daadwerkelijk beroepen op juridische instrumenten: oude verdragen die werden afgesloten bij de kolonisering van hun leefomgeving, worden nu soms succesvol ingezet om olie- en gaswinning tegen te houden.
Wat ontbreekt: het spiegelperspectief
De grote aandacht voor de strijd van inheemse volkeren is voor mij toch ook het zwakke punt van het boek. Nadat het Westen de voorbije eeuwen inheemse volkeren over heel de wereld gekoloniseerd heeft en hun van hun rijkdommen heeft beroofd, geeft het een vreemd gevoel om nu een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid bij hen te leggen om te komen tot een daadkrachtig klimaatbeleid. We kunnen zeker leren uit hun mens- en wereldbeeld (zonder het te idealiseren), en we moeten op zoek naar een autonomiebegrip voorbij dat van de Moderniteit (waarbij controle en overheersing, ook van de natuur, centraal staat), maar we moeten in de eerste plaats naar ons zelf kijken: de hyperconsumerende middenklasse. En dat doet Klein veel te weinig.
Ze richt haar strijd vooral tegen de aanbieders van fossiele brandstoffen: de grote olie- en gasconcerns. En laat de vele vragers van deze goedkope energie, wij zelf dus, buiten schot. Want wat als morgen de CEO’s van de olie- en gasconcerns het licht zouden zien, en meteen de bevoorrading aan fossiele brandstoffen op korte tijd zouden afbouwen…?
Conclusie
Ook met deze laatste kritiek blijft het nieuwe boek van Klein een enorme verwezenlijking, een mustread om ons te laten inspireren. Vooral met het verbinden van de vele strijden over de wereld (tegen extractivisme) met de strijd voor een wereldbeeld gestoeld op sociale gelijkheid en ecologische rechtvaardigheid, geeft ze een sterke aanzet tot een routemap naar een nieuwe toekomst. Daarom wil ik ook eindigen met een boodschap van hoop uit No Time:
“Uit het verzet tegen risicovolle en extreme extractie-activiteiten ontwikkelde zich een brede volksbeweging met netwerken over heel de wereld, die haar weerga binnen de milieubeweging nauwelijks kent. En we zouden het misschien zelfs helemaal geen milieubeweging moeten noemen, aangezien ze in de eerste plaats voortkomt uit de wens tot een andere vorm van democratie; een democratie die gemeenschappen werkelijk zeggenschap geeft over de hulpbronnen die het essentieelst zijn voor ons collectief overleven – gezond water, gezonde lucht en een gezonde bodem.”
Dirk Holemans is coördinator van Oikos, denktank voor sociaalecologische verandering