Interview -

Van ’t Bos en den Blauwe Steen: verhalen uit de haven (deel 1)

Op een stralende zondag heb ik afgesproken met Sabine Wysocki in een taverne aan de kerk. Ze is 45, alleenstaand, met een dochter van 20. Frèle lichtgewicht, vurig rode haren, lichte ogen die alles gezien hebben en een glimlach om van te smelten. We zetten ons achteraan aan een tafeltje, bestellen koffie en beginnen aan mijn snelcursus ‘werken aan de dok’.

dinsdag 11 november 2014 13:59

Sabine werkt sinds drie jaar in de
haven. Ze heeft daar een opleiding voor gevolgd. De technieken voor
het laden en lossen werden aangeleerd en welke veiligheidsvoorschriften te
allen tijde gerespecteerd moeten worden. Achttien maanden was Sabine een ‘blauw
boekske
’. Dat betekent zoiets als ‘beginner’, iemand die zich nog moet bewijzen
en moet laten zien het aangeleerde in praktijk te kunnen brengen. Nu
is ze sinds september trotse bezitster van  ‘ne goeien boek’, wat inhoudt dat Sabine bestaanszekerheid heeft en dus officieel als havenarbeidster erkend is.

“Veiligheid
staat voor alles. Ik moet onder andere auto’s laden en lossen. Soms sta ik
beneden in het luik, soms aan wal, ook wel ‘den blauwe steen’ genoemd. Vijf
mensen worden met een busje opgepikt aan de kaai en zo zijn er verschillenden
busjes achter elkaar, we rijden in colonne het schip op, ieder van ons stapt in
een auto en rijdt die auto veilig naar een parking. Ondertussen zwaaien er
zware kranen met containers boven je hoofd. Dan is het echt wel belangrijk dat
je alle veiligheidsvoorschriften kent en respecteert en heel gestructureerd te
werk gaat. Voor jezelf, maar ook voor je collega’s.”

“Ik werk soms bij het stukgoed. Je brengt zwaar materiaal
(bijvoorbeeld grote, ijzeren buizen) vanuit het luik van het schip naar het
bos’. Dat is de plaats waar alle goederen gestockeerd worden tijdens het laden en lossen, soms is dat binnen, soms buiten. Daar leg ik
balken klaar en sla spieën om alles vast te leggen. Dat is gevaarlijke en stevige arbeid, je wil niet dat je vingers ergens tussengeraken, want die ben je
gegarandeerd kwijt dan.”

Je ziet eruit alsof
de eerste beste windstoot je zo omver blaast. Hoe speel je dat fysiek klaar?

“Daar zijn
die technieken dus voor. Om je werk veilig te kunnen doen, en het zijn ook
truukjes om al die zware dingen te kunnen heffen en draaien. Ik ga je het
vakjargon besparen, maar ik moet soms bruggen aan kranen hangen met kettingen
waaraan ringen hangen van wel 70 kilogram. Dat doe je niet op fysieke kracht alleen. Maar
toch, het is zware arbeid hoor.“

Overpakken

Je bent alleenstaande
moeder. Hoe combineer je je gezinsleven en huishouden met je werk? Hoe ziet een
werkdag er voor jou uit?

“Ik sta op om 9 uur en maak dan eten klaar voor mijn
dochter. Ik doe wat boodschappen, kuis als dat nodig is en maak me klaar om
naar het aanwervingbureau (het ‘kot’) in de Cadixstraat te rijden. Tegen 13.15
weet ik of ik die dag werk heb of niet. Dan haast ik me naar de juiste kaai. Om
14 uur moet ik daar klaarstaan om te beginnen werken. Dat kan op Linkeroever
zijn, maar ook in Kallo of Stabroek. Je hebt dus echt een auto nodig om daar op
tijd te geraken, en vooral ook om ’s avonds na je shift weer terug thuis te
geraken. Het einde van mijn shift is normaal gezien tegen 21.30, heel soms
loopt dat wat uit. Dan rijd ik naar huis, neem een douche, eet iets en
kijk nog wat naar tv. En dan ga ik slapen. Op de dagen dat er geen werk is, doe
ik andere dingen. Dat is mijn vrije tijd.”

Je weet dus enkel van
dag tot dag wat je gaat doen?

“Dat klopt. Maar dat vind ik juist leuk. Ik heb geen vaste
baas en niemand verplicht me om van 9 tot 5 te werken. Mijn dochter is nu 20,
die kan haar plan wel trekken, en ik ben een nachtmens, ik functioneer veel
beter later op de dag. Ik kan best wel mijn dagen en weken plannen, hoor. Nu
ik over  ‘ne goeien boek’ beschik, heb ik recht op 21 dagen verlof. Ik moet
dat natuurlijk wel op tijd aanvragen om dat ook te krijgen wanneer ik het graag
zou willen, maar over het algemeen loopt dat wel vlot. Het is een soort van
vrijheid waar ik me wel goed bij voel. ”

Je bent een vrouw en
je werkt in een mannenwereld. Is dat niet moeilijk?

(lacht) “Ik heb mij wel zwaar moeten bewijzen, ja. In
het begin aan het ‘kot’, toen ik nieuw was, wilde niemand met mij werken. Ze
dachten dat ik dat niet zou aankunnen – zo’n maske van 48 kilo – en dat ze dubbel werk zouden moeten doen. Ik
heb me echt moeten bewijzen. Nooit aanvaarden dat iemand het wel zou overpakken
van mij, nee, zelf doen, laten zien dat ik het kon, dat ik wist waar ik mee
bezig was. En als ik genegeerd werd bij het aanwerven, mijn keel openzetten.
Maar ik heb veel respect gekregen ondertussen, de andere dokkers steunen mij,
ze weten wat ik waard ben. Ik word nu ook dikwijls opgebeld voor werk, de
mensen weten dat ik mijn job goed doe en dat ik heel erg let op veiligheid. Ze
kennen mij hier als ‘de Rosse’ of ‘Rosse Sabine’, da’s mijn bijnaam. Dat
beschouw ik als een compliment. Het betekent dat ik geaccepteerd ben door mijn
collega’s.”

Onverantwoord

‘Veiligheid’, dat
woord heb ik je al een paar keer horen zeggen.

“Veiligheid. Ja, daar draait echt alles om. Havenarbeid is
goedbetaald werk, en met reden. Het is levensgevaarlijk werk. Er zijn al
collega’s van mij gestorven door een ongeluk. Werken aan de haven houdt enorme
risico’s in. Wij werken niet met klein spul, hè. Wij werken met containers en
kranen en grote ijzeren platen en buizen. Een vinger of een been ben je zo
kwijt. Wie niet goed is opgeleid en niet weet wat-ie moet doen en vooral hoe,
die betekent een gevaar voor zichzelf, maar ook voor de anderen.”

“Wij werken in
ploegjes van twee of vier, je bent verantwoordelijk voor elkaar, je kan het je echt
niet veroorloven om zomaar eender wat te doen. Daarom houden wij zo vast aan de
Wet Major. Die bepaalt dat enkel erkende havenarbeiders aan de dok mogen laden
en lossen. Erkend betekent dat je de opleiding hebt gevolgd en ervoor geslaagd
bent. Dat je het vakjargon begrijpt, alle technieken en
veiligheidsvoorschriften kent én toepast. Fernand Huts (baas van Katoen Natie,
een van de honderd rijksten van België en fervent tegenstander van de Wet Major,
nvdr) wil van die wet vanaf, want hij wil goedkopere werkkrachten.”

“Ik zeg
absoluut niet dat dit slechte mensen zijn, hè. Iedereen heeft recht op werk. Maar
goedkopere werkkrachten zijn mensen die geen opleiding hebben gekregen, en die
dus ook helemaal niet weten wat en hoe ze hun taken moeten doen. Dat is totaal
onverantwoord! Als er een kraan naar beneden komt en je roept ‘onderuit!’ en
iemand weet niet wat dat betekent, of je weet niet dat je in zo’n geval
‘onderuit!’ moet roepen, dat kan iemand zijn leven kosten. Handen af van de Wet Major, écht, ik meen het. Voor de
veiligheid van ons allemaal.”

“Huts laat nu onder andere uitschijnen dat hij die wet wil
afschaffen, omdat anders vrouwen en mensen van vreemde origine geen kansen
krijgen om in de haven te kunnen werken. Maar daar gaat het helemaal niet om.
Ik werk zelf voor Katoen Natie, en ik ben niet de enige vrouw. En er zijn
genoeg erkende havenarbeiders met vreemde roots. Dus het argument dat de Wet
Major discriminerend werkt, gaat niet op. Die wet beschermt ons, die verplicht
de werkgever om enkel arbeiders die geslaagd zijn voor de opleiding aan te
nemen. Dààr gaat het om, en daarom moeten ze van het statuut van de
havenarbeider afblijven. Je zet toch ook geen verpleegster zonder opleiding bij
een patiënt? Of iemand zonder onderwijzersdiploma voor een klas? Hoe
onverantwoord is dat niet?”

Emotioneel

Hoe zou je een
dokwerker omschrijven?

“Dat is een sociaal en open iemand. Bezorgd, met een enorm
verantwoordelijkheidsgevoel. Een grote mond, ja, maar ook eerlijk. Hier is
weinig achterklap. Problemen worden aangekaart en uitgepraat. Ja, we gaan soms
bruut met elkaar om. Als er zich een gevaarlijke situatie voordoet, dan heb je
geen tijd om dat voorzichtig aan te brengen, je brult. Maar dat is niet
persoonlijk bedoeld, en dat wordt ook niet zo ervaren. Natuurlijk zijn er ook
rotte appels, maar in welke sector heb je die niet? En wij zijn ook emotioneel, ja. Ik denk dat dit komt, omdat onze job zoveel risico’s inhoudt. Zelfs als je
een collega die verongelukt niet goed hebt gekend, dan ben je daar toch kapot
van. Je had het zelf kunnen zijn. Het had ons allemaal kunnen overkomen. Kijk,
ik krijg nu al kippenvel, gewoon door erover te praten.”

“Mijn dochter wil ook aan de haven gaan werken. Dat gaat niet zomaar vanzelf gaan. Ze zal
haar opleiding moeten volgen, zichzelf bewijzen, van zich afbijten, ervoor
gaan, elke dag opnieuw. Het is niet omdat ik bij de haven werk, dat zij ook
zomaar zal aangenomen worden. Ik zal fier op haar zijn als ze zal slagen voor
haar opleiding en heel erg bezorgd tegelijkertijd. Ik wil niet dat haar iets
overkomt, begrijp je? De dokwerkers, da’s één grote familie. Wereldwijd hebben
wij de slogan ‘An injury to one, is an injury to all’. Wij geven om elkaar ja,
er is een heel grote solidariteit.”

Hoe zie je de
toekomst?

“Rooskleurig, zolang de Wet Major blijft bestaan. Ik heb mijne ‘goeien boek’, mijn werk is zwaar,
maar ik doe het graag. De werksfeer is tof en ik word gerespecteerd. Maar ons
statuut moet blijven bestaan. Daar moeten ze echt afblijven. Daarom gaan we
staken, wij gaan dat niet van ons laten afpakken. En op pensioen gaan op je 67e,
dat is onzin, daar is ons werk te zwaar voor. We gaan een hele hoop
werkkrachten met veel ervaring verliezen daardoor, want die gaan nu ze nog
kunnen nog snel op brugpensioen gaan. We gaan zo een hoop belangrijke know how
verliezen. Geen goeie zet van de regering.”

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!