"Artist-bashing en linkse hobby's"
Tom Vermeir speelde speelde jarenlang bij rockgroep A Brand en werkte als acteur bij Compagnie Cecilia, het KIP, HETPALEIS en vele andere gezelschappen. Momenteel trekt hij met Action Zoo Humain door Vlaanderen met de voorstelling Flandrien. Een voorstelling die hij op Facebook promoot in de volgende bewoordingen: “Komt dat zien, komt dat zien! Deze subsidievretende potverteerders komen met hun product uit de hangmatcultuur binnenkort naar een leeg theater bij u in de buurt! Ook benieuwd naar wat de linkse elite met het zuurverdiende geld van de Vlaamse belastingbetaler uitvreet? Bestel dan snel een veel te duur ticket en laat u ontgoochelen door dit populistische zootje beroepsdoppers! Wees snel want het aantal plaatsen voor de gewone werkmens is beperkt. Waarschuwing voor de gevoelige nationalist: Bepaalde scènes in dit stuk worden uit onwil van bepaalde anderstalige acteurs niet gespeeld in de Vlaamse voertaal.” Deze artiest is boos.
Onze afspraak wordt een paar keer uitgesteld, verplaatst en dan weer uitgesteld. De man heeft het druk. Uiteindelijk belandt hij op een zondagnamiddag in mijn sofa. Wie zei dat die culturo’s niet weten wat werken is?
“Heb je dat interview met Bart De Wever gezien op de Nederlandse televisie? Daar zou onze nieuwsdienst een en ander van kunnen leren, zeg.” (verwijzend naar het veelbesproken interview in het Nederlande televisieprogramma Oog in oog: http://www.npo.nl/oog-in-oog/06-11-2014/KN_1662294)
“Eindelijk werd hij eens echt op de rooster gelegd, met feiten nog wel. Bij ons worden feiten en veronderstellingen gewoon door mekaar gegooid. Journalisten doen niet eens de moeite meer om dingen te doorprikken. Stellingen die eigenlijk veronderstellingen zijn worden gewoon geponeerd en geslikt. Maar bon, daar moeten we het misschien niet over hebben.”
Artist-bashing
Ik vraag hem hoe hij zich voelt in het huidige klimaat, waarin wat naar cultuur ruikt bij voorbaat verdacht is.
“Oh ja, dat klimaat van "artist-bashing” is echt wel een feit. Met mij persoonlijk gaat het voor het eerst in jaren best goed. Maar dat is niet vanzelf gegaan. Met A Brand hebben we jarenlang aan de weg getimmerd. Ik heb onlangs eens – voor de lol – berekend wat ik heb verdiend in die tien jaar als muzikant. Ik kwam uit bij een uurloon van minder dan een euro. Maar gelukkig tellen en rekenen artiesten niet op die manier. Eigenlijk zijn we zo goed als altijd aan het werk. Ik vind dat niet erg. Ik doe wat ik doe met bezieling. Soms werk ik voor niets. Dat doe je omdat je ergens in gelooft, omdat je mooie dingen wil maken, ook al zijn er geen grote budgetten mee gemoeid. Maar om dan het label van profiteur opgeplakt te krijgen, dat is niet alleen onaangenaam, dat is gewoon niet fair.”
“Ik stel voor dat die mensen die ons profiteurs noemen eens een paar maanden met me ruilen. Ik weet wel zeker dat ze zullen schrikken van de slopend lange werkdagen, vaak van ‘s ochtends vroeg tot ‘s nachts, de relatieve onzekerheid, de bergen administratie die ik allemaal zelf in orde moet zien te krijgen, de lage lonen, … Niet iedereen kan daarmee om, niet iedereen is ervoor in de wieg gelegd.”
Afgunstcultuur
“Ik denk dat sommige mensen hun werk echt niet graag doen. Ik doe mijn werk wel graag. Dat steekt blijkbaar veel mensen de ogen uit. Kunnen we elkaar niet gewoon laten doen en laten zijn? Ik ben ook wel eens jaloers op mijn vriend de notaris, enfin, op zijn loon. Maar laat mij twee dagen zijn werk doen en ik word zot. Zelf ben ik nu 17 jaar bezig en ik durf stellen dat ik 90 % van de tijd zwaar onder het barema heb gewerkt. In de beginjaren had ik vaak niet eens een euro over om een broodje te kopen. Maar eigenlijk wil ik daar niet over zagen. Ik klaag niet. Ik heb geluk. Maar het zou fijn zijn als mensen eens een realistisch beeld hadden van ons bestaan.”
“Intussen heb ik een artiestenstatuut. Maar daar probeer ik zo weinig mogelijk gebruik van te maken. Het dient enkel om de tijd tussen contracten op te vullen en dan niet in een gat te vallen. Een artiestenbestaan is vaak onzeker. Dat statuut vangt die onzekerheid een beetje op en dat is nodig. Ik lig 8 tot 9 maanden per jaar onder contract en tussendoor heb ik vaak nog wat kleinere opdrachten met dagcontracten. Dat is leefbaar."
“Mochten de theaters en de concertzalen nu leeg blijven, ik zou nog kunnen begrijpen dat men vragen stelt bij de meerwaarde van wat wij doen. Maar het tegendeel is waar. Ik speel bijna elke avond voor een volle zaal. Met A Brand stonden we op grote festivals en speelden we in uitverkochte clubs. Gezelschappen als Compagnie Cecilia en vele anderen hebben honderden voorstellingen gespeeld, elke voorstelling voor een uitverkochte theaterzaal. Ziet men daar dan de waarde niet van? En dat terwijl Vlaanderen een ongelooflijk rijk kunstenlandschap heeft dat tot ver over de grenzen respect afdwingt."
"Bedrijven krijgen ondersteuning, werkingsmiddelen of investeringen. Ik stel voor dat we het geld dat naar cultuur gaat vanaf nu ook zo noemen."
Beeldvorming
“Uiteindelijk gaat het allemaal om beeldvorming. Die klopt gewoon niet. “Hangmatcultuut”, “profitariaat”, “subsidievreters”, “potverteerders”, … Het zijn populistische termen die gemeengoed zijn geworden. Ze worden kritiekloos door iedereen overgenomen. Ik zie dat zelfs in mijn familie. Vroeger werd er ook wel gelachen met ons, artiesten, maar het was veeleer plagerig. De toon is veranderd en venijniger geworden. Ik beeld me dat echt niet in. Terwijl ik gewoon keihard werk, weinig verdien en alles eerlijk aangeef. Maar mijn werk wordt blijkbaar gezien als een hobby.”
“Die verharding in het discours is algemeen: of het nu gaat over artiesten die misbruik maken van hun artiestenstatuut of over de werkloze met de vijf appartementen: voor elk geval van misbruik zijn er honderd mensen die eerlijk en hard werken en hun best doen.”
“Als ik bekijk hoeveel mensen er tewerkgesteld zijn in de podiumkunsten en hoeveel middelen er uiteindelijk naar de kunstenaars gaat, dan kan ik alleen maar vaststellen dat de kunstenaar als allerlaatste langs het loket passeert, wanneer alles bijna op is. Terwijl het eigenlijk wel daarover gaat: over de creatie. Veel mensen laten zich ook gewoon onderbetalen of werken gratis, omdat ze anders hun producties niet vertoond krijgen. Ik zie wel dat er her en der in de sector aan de alarmbel wordt getrokken. Het artistieke staat onder druk terwijl dat net centraal zou moeten staan.”
Solidariteit
“Er heerst in de kunstensector een soort neoliberale reflex om vooral de eigen meubels te redden. Er is maar weinig solidariteit. Ik zie ook de angst om zich uit te spreken, men is bang om geviseerd te worden. Ik begrijp dat wel, maar weiger er aan mee te doen. Zelf heb ik maar weinig materieels wat mij bindt en ik heb geen kinderen te voeden. Ik heb dus weinig te verliezen. Ik zie hier en daar wel indivuen hun nek uitsteken. Hett zijn altijd dezelfden die in de bres springen voor de rest.”
“Mijn haar gaat rechtstaan als ik minister Gatz hoor zeggen dat de cultuursector eens aan zelfreflectie moet doen. Een creatieproces is heus geen feestje en vraagt een grote emotionele en persoonlijke investering. Het is een intensief en soms heftig proces. Je moet als artiest vaak erg ver en diep gaan, soms verder en dieper dan je leuk vindt. Wij doen constant aan zelfreflectie. Dat is eigen aan de kunstenaar, eigen aan het creatieproces.”
“De cultuursector”, die bestaat trouwens niet. Er is helemaal geen sprake van een coherent en homogeen geheel. Zelfs tussen de theatersector en de muzieksector zit er een wereld van verschil en is er weinig contact en uitwisseling. Daarnaast is de muzieksector ook nog eens het verwaarloosde stiefbroertje wat de budgetten betreft. Hoe vaak wij als jonge band niet voor 300 euro ergens zijn gaan spelen. Met die 300 euro moesten we onze geluidsman, ons transport en alle andere kosten betalen. Soms moesten we gewoon bijleggen om te kunnen spelen. Jonge bands worden gewoon uitgebuit. Maar omdat je een radiosingle hebt en op Pukkelpop speelt denkt men dat je zwemt in het geld. En dat je de hele dag loopt te niksen, af en toe eens optreedt en daarna pinten zuipt. Het keiharde repeteren, het schrijven en componeren, het opnemen van een album, dat ziet niemand.”
“Ik heb het al eens gezegd: eigenlijk zouden we met z’n allen, acteurs, muzikanten, kunstenaars, eens collectief moeten staken. Als het geld op is, dan doen we gewoon niks meer. Geen concerten meer, geen voorstellingen meer, iedereen technisch werkloos. Maar bon, dat gaat niet gebeuren. Het is ieder voor zich en iedereen wil in de eerste plaats z’n boterham verdienen.”
“Boeren en havenarbeiders trekken naar Brussel en de straat op wanneer ze willen protesteren. Kunstenaars schrijven een intelligent opiniestuk in De Morgen. Tja. Laat ons gewoon terug meer aan maatschappijkritiek doen, op onze manier en met onze wapens. Laten we terug protestsongs schrijven, laat ons weer politiek theater maken. Er zal al eens ongemakkelijk geschuifeld worden in de zaal, maar daar ligt onze kracht, dat is ons enige mogelijke antwoord.”
“Ik vind het burgerinitiatief Hart boven Hard hoopgevend. Voor het eerst wordt er voorbij de eigen sector gekeken en worden er banden gesmeed. Maar ik ben bang dat het preken blijft voor eigen kerk. Hoe krijgen we zo’n initiatief voorbij de eigen achterban? Hoe treed je in dialoog met mensen die al die tijd gevoederd zijn met vooroordelen? Ik heb er voorlopig geen antwoord op.”