Opinie -

Storme maakt reële discriminatie onzichtbaar

“De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren”. Het is de titel van een lezing die Matthias Storme gaf bij het in ontvangst nemen van de Prijs voor de vrijheid in 2005. In die tekst trekt Matthias Storme van leer tegen de antidiscriminatiewet. Het is een betoog dat opnieuw onderwerp van debat is. Maar dat debat verloor zichzelf in intellectueel geneuzel. Het meest fundamentele bleef netjes uit zicht: discriminatie is nog steeds een feit.

woensdag 29 oktober 2014 10:28

De
bewuste tekst van Matthias Storme
opent met enkele beschouwingen over vrijheid en totalitarisme. Zijn
aanname? Dat de antidiscriminatiewet ons
land omtovert tot een totalitair regime. De
grootste totalitaire bedreigingen van de twintigste eeuw zijn het
bolsjevisme en het nationaal-socialisme, zo
schrijft Matthias Storme. Maar vandaag is
er een nieuwe dreiging. Want er
is een “nieuwe variante van het totalitarisme, een nieuwe
intolerante religie, de eureligie van de non-discriminatie.”

Het
zijn bijzonder sterke woorden. De antidiscriminatiewet wordt op
dezelfde hoogte gesteld als het nationaal-socialisme en het
bolsjevisme. Nochtans is er bij mijn weten nog geen enkel dodelijk
slachtoffer gevallen door toedoen van de antidiscriminatiewet.
Evenmin zijn er in naam van de antidiscriminatie kampen opgericht
waarin honderdduizenden politieke gevangenen verblijven. Verder
heeft Matthias Storme
nog nooit de binnenkant van een cel gezien omwille van wat hij
schreef of zei. Het valt dus nogal mee met dat totalitarisme.

Door
de antidiscriminatiewetgeving meteen als
totalitair te bestempelen wordt een retorische kunstgreep uitgevoerd.
De voorstanders van de wet worden in het kamp van het totalitarisme
geduwd en moeten eerst zien te bewijzen dat ze niet totalitair zijn
alvorens ze mogen meespreken. Eigenlijk probeert Matthias
Storme gewoon zelf de ruimte te bepalen
waarin het debat kan en mag plaatsvinden. Want, totalitarisme bevindt
zich per definitie buiten de democratische debatruimte en
verdient geen legitimiteit. Ergo, het verdedigen van de
antidiscriminatiewet is niet legitiem in de democratie à la Storme.

Antidiscriminatiewetgeving
op karikaturale wijze als totalitair bestempelen dient nog een ander
doel. Het zorgt ervoor dat het kind met het
badwater kan weggegooid worden. Er hoeft niet gewezen te worden op
juridische moeilijkheden of onduidelijkheden betreffende de wetgeving
of verbeteringen in de goede richting. Nee, de wetgeving zelf kan met
een gerust hart naar de prullenbak verwezen worden. De zwart-wit
logica die Matthias Storme
aan anderen verwijt, komt in zijn eigen denken in
haast karikaturale vorm terug.

Containers

Ondanks
de erg scherpe veroordeling van de antidiscriminatiewetgeving en het
vieren van discriminatie als de meest fundamentele vrijheid, gaat
Matthias Storme nergens specifiek in op wat hij precies onder
discriminatie verstaat. Hij lijkt discriminatie vooral erg ruim in te
vullen. Bijvoorbeeld wanneer hij stelt: “Liefde, vriendschap,
trouw, kortom alles wat zin en waarde geeft in het leven, is immers
in essentie gegrond op discriminatie; wanneer ze enkel op een
redelijke en objectieve verantwoording berust is ze waardeloos.”

Discriminatie
krijgt hier de betekenis van ‘onderscheiden’. In onze partnerkeuze
maken we vanzelfsprekend een onderscheid tussen mensen, net zoals we
dat ook doen met betrekking tot vrienden en kenissen. Dergelijke
keuzes en onderscheidingen kunnen niet redelijk of objectief
verantwoord worden. Want het gaat om intuïtieve en emotionele
keuzes. Niemand die dat betwist. Maar kunnen dergelijke keuzes zomaar
gelijkgesteld worden met discriminatie? Sterker nog, is het
fenomenologisch correct om in dit verband te spreken over
discriminatie?

Uiteraard
niet. De reden is eenvoudig. Het is compleet contra-intuïtief om een
partnerkeuze te benoemen als discriminatie. Een partnerkeuze is
immers een positieve keuze. Je kiest vóór iemand. Ook vrienden kies
je omdat je vóór je vrienden kiest, niet omdat je tegen alle mensen
bent die toevallig niet je vrienden zijn.

Discriminatie
– in de courante, ordinary language betekenis – is tégen
iets kiezen. Het gaat om het uitsluiten van een groep of een individu
omwille van het uitsluiten zelf. Vaak zonder dat daar een direct
positieve keuze tegenover staat. Denk aan de discotheekuitbater die
geen kleurlingen binnen wil omwille van hun kleur of de werkgever die
geen vrouwen aanvaardt omwille van hun vrouw-zijn. De logica die
achter het discrimineren in deze tweede, meer enge (en meest
gebruikte) betekenis schuilt, staat mijlenver van de logica die
achter een partner- of vriendschapskeuze schuilt.

Matthias
Storme hanteert het begrip discriminatie zo ruim dat de betekenis van
het begrip uitgehold raakt. Wanneer discriminatie louter synoniem
wordt van scheiden of onderscheiden dan verdwijnt de betekenis van
het begrip discriminatie in de courante zin, namelijk: het
systematisch uitsluiten van groepen en individuen.

Maar
misschien is dat uiteindelijk wat Matthias Storme wil: het begrip
discriminatie zodanig oprekken dat niemand nog tégen discriminatie
kan zijn. Het perverse effect hiervan is dat reëel bestaande
discriminatie (conceptueel) onzichtbaar wordt.

Macht

Wanneer
Storme over discriminatie schrijft, vertrekt hij van de assumptie dat
de samenleving een horizontaal vlak is, waarin geen structurele
machtsonevenwichten bestaan en waarin iedere groep of overtuiging op
evenredige wijze gerepresenteerd wordt. Structureel racisme of
discriminatie lijken niet te bestaan in het universum van Matthias
Storme. Hij weigert in te zien dat burgers met een niet-Belgische
origine op structurele wijze minder toegang hebben tot arbeidsmarkt
of dat vrouwen nog steeds met heel veel moeite weten door te stoten
naar de hoogste functies. Zaken die zwart op wit bewezen zijn.
Onderzoek na onderzoek.

Maar
als we vertrekken van het empirisch gegeven dat sommige groepen wel
degelijk op systematische wijze achtergesteld worden, dan krijgt het
discours van Matthias Storme een heel andere klank. Want dan wordt
het duidelijk dat hij spreekt en schrijft ten voordele van één
bepaalde, dominante groep en ten nadele van minoritaire groepen die
een zwakke machtspositie hebben binnen onze samenleving.

We
hoeven zelfs niet zo ver te zoeken in de lezing van Matthias Storme
om veelzeggende voorbeelden in dat verband te vinden. Hij schrijft:
“Zo is het verbod om bij het sluiten van arbeidsovereenkomsten te
discrimineren een verbod dat uitsluitend de werkgever treft; er is
nog nooit een werknemer verplicht om te rechtvaardigen waarom hij
bepaalde soorten werkgevers wenst en andere niet. Het verbod om bij
het sluiten van huurovereenkomsten te discrimineren treft alleen
verhuurders, niet de huurders.”

Matthias
Storme kiest dus feitelijk partij voor werkgevers en verhuurders. Zij
zouden de grote slachtoffers zijn van de antidiscriminatiewetgeving.
Dat het hier gaat om personen die vanuit een machtspositie opereren
ten opzichte van huurder of werknemer, lijkt bij Storme niet te
dagen. Het is nochtans duidelijk: een werknemer is afhankelijker van
de werkgever dan de werkgever van de werknemer. De werkgever vervangt
met gemak de werknemer, maar de werknemer verandert niet met
hetzelfde gemak de werkgever. Dat geldt uiteraard ook voor huurders
en verhuurders.

Bovendien
blijkt in laatst aangehaald citaat ook duidelijk de absurditeit van
Stormes interpretatie van het begrip discriminatie. Alsof de keuze
van de werknemer vóór een werkgever van dezelfde orde is als de
uitsluiting van een specifieke groep van mogelijke werknemers door
een werkgever. Dat het hier om totaal andere grootsordes gaat die op
fenomenologisch vlak niet met elkaar te rijmen vallen, komt bij
Matthias Storme zelfs niet op.

Dat
Matthias Storme de meest vanzelfsprekende empirische feiten naast
zich neerlegt bewijst ook volgend citaat: “de winnaars bij de
invoering van dit gedrocht [de antidiscriminatiewet, nvdr] zijn
duidelijk aan te wijzen: enkele goed georganiseerde
minderheidsgroepen die vandaag de politieke agenda bepalen en de hele
samenleving deconstrueren en koloniseren vanuit hun partijdig
belang.”

Het
idee is dus dat bepaalde minderheidsgroepen de samenleving
‘koloniseren’ en ‘deconstrueren’. Anders gezegd: volgens Storme geeft
de antidiscriminatiewetgeving teveel macht aan minderheden. En dat
terwijl diezelfde minderheden in praktijk nauwelijks een stem hebben.

Wat te
doen?

De
vraag is in hoeverre je dient mee te gaan in een debat dat bestaat
bij de gratie van een bewust slordige afbakening van het begrip
discriminatie en ieder empirisch feit miskent. Uiteraard heeft Storme
het over veel meer in zijn tekst. Zijn beschouwingen over recht en
moraal, de mate waarin motieven moeten in rekening gebracht worden
bij het beoordelen van daden en dergelijke meer, zijn interessant.
Vanuit academisch oogpunt dan. Maar is een maatschappelijk debat over
dergelijke, meer theoretische kwesties de moeite wel waard indien de
fundamentele theoretische en empirische vertrekpunten zo grondig fout
zitten?

Misschien
wordt het tijd om opnieuw met de voeten op aarde te landen. In plaats
van te vertrekken van spookbeelden, groteske karikaturen en sofismen
zouden we beter de realiteit als startpunt nemen. Die realiteit is
eenvoudig: discriminatie, racisme en seksisme zijn feiten. Mijn vraag
aan Matthias Storme is nog eenvoudiger: wat gaat u daar nu aan doen?

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!