Analyse - Loes Debuysere, Sami Zemni

Tunesië aan de vooravond van de verkiezingen

Op 26 oktober stemt de Tunesische bevolking voor een nieuw parlement. Vier jaar nadat het land het startschot gaf van de zogeheten Arabische Lente, lijkt Tunesië als enige in de regio nog in de running om de revolutionaire eisen van toen waar te maken. Het is een eiland van relatieve stabiliteit in een erg woelige oceaan. Een balans en een vooruitblik.

vrijdag 24 oktober 2014 12:43

Terwijl Egypte in handen van een nieuwe militaire
dictatuur is gevallen, Libië op de rand van staatsfalen balanceert
en het fascistoïde IS(IS) het Midden-Oosten in een wurggreep houdt, kan de
Tunesische bevolking na de Arabische Lente naar de stembus trekken. Toch blijven de uitdagingen groot.

Politieke
moeheid en economische malaise

Zo groot de euforie was bij de eerste verkiezingen in oktober 2011, zo weinig
blijft daarvan over in 2014. Ontgoocheld in de politieke leiders van
hun land staan weinig Tunesiërs te springen bij het idee om zondag
opnieuw te gaan stemmen. De combinatie van hooggespannen
verwachtingen na de revolutie met het falen van politici om hun
talrijke beloftes in te lossen, heeft, vooral bij jongeren, geleid
tot een gebrek aan geloofwaardigheid van het politieke establishment.
Het gevoel heerst dat er weinig veranderd is tussen het politieke
schouwspel van voor en na de revolutie. Machtsgeilheid en persoonlijk
gewin zouden de kenmerken van het politieke leiderschap zijn. Het
feit dat de presidentsverkiezingen, die in november plaatsvinden,
veel meer aandacht krijgen dan de parlementsverkiezingen – terwijl de
nieuwe grondwet net beduidend meer macht toekent aan het parlement en
de regering dan aan de president – toont hoe de mentaliteit van
personencultus nog altijd leeft.




Echtgenote:
‘Wat wordt er precies bedoeld met een verkiezingsprogramma?’
Echtgenoot: ‘Weet je nog voor ons
huwelijk, toen ik jou vertelde dat ik je cadeaus zou kopen en je vaak
mee uit zou nemen en een paleis zou bouwen en alles voor je zou doen
wat je van mij verlangde? Wel, heb je daar effectief iets van
gezien?’

Het gevoel
van onvrede met de politieke instellingen is grotendeels gegrond in
ongenoegen over de economische toestand van het land. De
socio-economische crisis die aan de basis lag van de Tunesische
opstand eind 2010 werd nauwelijks aangepakt. De verschillende
interim-regeringen en de verkozen regering onder leiding van de
Islamistische partij Ennahdha slaagden er bijvoorbeeld niet in om de
werkloosheid, die vooral jongeren en vrouwen treft, terug te dringen.
De werkloosheid bedraagt officieel nog steeds meer dan 15 procent (wat vele
observatoren overigens een te laag cijfer achten). Hoewel dit een
verbetering is ten opzichte van 2012, is dit cijfer ver boven de 13 procent van voor de revolutie.1
Ook het toerisme, een belangrijke bron van inkomsten voor Tunesië,
draait nog lang niet op volle toeren. Hoewel de sector hoopte dat de
ratificatie van de nieuwe grondwet begin dit jaar, en de politieke
stabiliteit die ermee gepaard ging, het toerisme zou doen
aanzwengelen, is dit nauwelijks gebeurd.

Dit heeft
vooral te maken met de penibele veiligheidstoestand in Tunesië en de
regio. In een land met een erg vreedzame geschiedenis is de toename
van Salafistisch-geïnspireerd geweld, voornamelijk aan de grenzen
met Libië en Algerije, niet alleen merkwaardig maar ook choquerend
voor de bevolking. De bevolking neemt het de regering kwalijk te lang
te soft opgetreden te hebben tegen deze terreur. Het geweld in
Tunesië is gedeeltelijk te verklaren door het gebrek aan economische
toekomstperspectieven voor gemarginaliseerde jongeren. Het feit dat
daarenboven nauwelijks geïnvesteerd is geweest in de achtergestelde
en rurale regio’s in het Tunesische binnenland, waar de opstand in
2010 begon, heeft enkel bijgedragen tot gewelddadige uitvalsbasissen
in deze regio’s.

In plaats
van te focussen op socio-economische waardigheid en interne regionale
gelijkheid, twee belangrijke eisen van de revolutie, besteedde de
Islamistisch-gedomineerde regering sinds 2011 vooral aandacht aan de
consolidatie van haar macht en aan het promoten van de ‘authentieke’
identiteit van het land. Sinds de revolutie botsen twee verschillende
maatschappijprojecten steeds vaker in Tunesië. De Islamisten
promoten een Tunesië gestoeld op de traditionele Islamitische en
Arabische waarden van het land, terwijl anderen de quasi-seculiere
erfenis van founding
father

Bourguiba (de eerste president van de Tunesische republiek) wil doen
herleven. Deze botsende identiteitspolitiek overstemde niet alleen de
socio-economische crisis in het land, maar plaatste Tunesië ook aan
de afgrond van een diepe politieke crisis in 2013. De politieke
moorden op twee vooraanstaande progressieve politici in februari en
augustus van dat jaar betekenden een absoluut dieptepunt in Tunesië’s
transitie.

De
strijd der Titanen: Ennahdha versus Nidaa Tounes

Het actieve
optreden van een sterke civil society, en dan vooral van de nationale
vakbond (UGTT) en de nationale werkgeversorganisatie (UTICA), slaagde
er uiteindelijk in een totale politieke crisis af te wenden. Begin
2014 kwam er een onafhankelijke regering van technocraten aan de
macht en ratificeerde Tunesië, na consensus en compromissen in het
parlement, een nieuwe en relatief progressieve grondwet die de weg
plaveide voor nieuwe verkiezingen. Zich baserend op verkiezingspolls
gedurende de afgelopen maanden (polls zijn tijdens de kiescampagne
zelf verboden), is iedereen het erover eens dat de
parlementsverkiezingen zich zullen ontpoppen tot een strijd tussen
het Islamistische Ennahdha en de ‘seculiere’ Nidaa
Tounes-beweging. Deze alliantie werd opgericht in 2012 met als
hoofddoel tegengewicht te bieden aan het fenomeen van politieke Islam
in Tunesië. Ondanks het feit dat Ennahdha veel kritiek te verduren
kreeg tijdens haar regeerperiode, ziet het er niet naar uit dat de
partij afgestraft zal worden door de kiezer. Niet alleen is het
gebruik van religieus geïnspireerde symbolen een belangrijke
politieke aantrekkingsfactor in een land dat conservatiever is dan
sommigen soms willen toegeven. Bovendien geniet Ennahdha vooral in
het binnenland en het zuiden nog steeds veel aanhang, omdat ze door
velen gezien wordt als een partij die komaf wil maken met de
overheersing van de traditionele politieke elite van Tunis, die sinds
de onafhankelijkheid het land politiek, economisch en cultureel
controleert. Daarnaast investeert Ennahdha sterk in deze
parlementsverkiezingen en draait haar zeer professionele kiescampagne
op volle toeren.

Hoewel
Ennahdha, geleid door de 73-jarige Rashed al-Ghannoushi, en Nidaa
Tounes, geleid door de 87-jarige Béji Caid Essebsi, lijnrecht
tegenover elkaar staan met hun identiteitsdiscours, hebben beiden
meer gemeen dan in eerste instantie lijkt. Beide heren behoren tot
een (erg) oude generatie van politieke leiders, tot grote spijt van
de ontgoochelde jeugd die de revolutie leidde en die zich niet
vertegenwoordigd voelt door deze oudere garde. Daarnaast leunt ook
het economische programma van beide partijen dicht bij elkaar aan.
Ondanks het feit dat Nidaa Tounes een allegaartje is van
verschillende politieke ideologieën, zullen zowel Ennahdha en Nidaa
Tounes waarschijnlijk braafjes het neoliberale discours dat
gedicteerd wordt door het IMF en de Wereldbank verder zetten, om zo
de noodzakelijke leningen veilig te stellen. Het is de vraag of dit
soort economisch beleid, dat mee aan de basis van de Arabische
revoluties lag, op termijn een duurzame oplossing zal bieden voor
Tunesië.

Wat nieuw
is tijdens deze verkiezingen en veel stof doet opwaaien, is de
aanwezigheid van een aantal oudgedienden op de kieslijsten. Daar waar
oud-ministers en vooraanstaande leden van Ben Ali’s RCD-partij in
2011 verboden werden om deel te nemen aan de verkiezingen, is dat bij
deze verkiezingen niet langer het geval. Het feit dat Ennahdha, het
ultieme slachtoffer van de dictatuur, zich onthield bij de stemming
voor een ban op de verkiezingsdeelname van Ben Ali functionarissen,
toont hoe de partij beseft dat er geen ontkomen is aan deze tendens.
De populariteit van Nidaa Tounes, dat een relatief groot aantal
oud-RCD’ers herbergt binnen haar rangen, en de toenemende heimwee
van een deel van de bevolking naar de periode van voor de revolutie
(59 procent van de Tunesiërs verkiest vandaag een sterke leider2),
bewijst dit alvast.

Ennahdha en
Nidaa Tounes, die beiden niet over een absolute meerderheid zullen
beschikken, lijken tot elkaar gedoemd. Ondanks het feit dat de
achterban van beide partijen huivert bij het idee, is een coalitie
tussen beide rivalen lang niet uitgesloten, zeker indien er geen
derde grote speler uit de bus komt zondag. In dit geval geloven velen
dat Ennahdha de leiding over de regering zal krijgen, terwijl Nidaa
Tounes de president, die in november en december verkozen wordt, zal
leveren. Aangezien Ennahdha volop inzette op de
parlementsverkiezingen en geen presidentskandidaat naar voor schoof,
zal de eer van president waarschijnlijk naar Béji Caid Essebsi gaan.
Het is geen geheim dat deze 87-jarige oude rot, met tonnen politieke
ervaring, zijn lange loopbaan graag zou willen afsluiten als
president van de republiek, net als zijn grote voorbeeld Habib
Bourguiba. Ondanks de waardevolle ervaring van de man kan men de
vraag stellen of de revolutionaire Tunesische jeugd op een tweede
Bourguiba zit te wachten.

Naast de
optie van een ongemakkelijke coalitie tussen de twee protagonisten
van de verkiezingen, hopen sommige Tunesiërs op een postelectorale
alliantie van alle partijen die noch tot Ennhadha of Nidaa Tounes
behoren. Als deze stroming genoeg zetels zou halen, zou deze ‘derde’
stroming wellicht een belangrijke rol kunnen spelen om een
meerderheidsregering te kunnen vormen.

De eerste Arabische democratie?

Ondanks
alle obstakels, gaande van een slabakkende economie tot politieke
moorden en een precaire veiligheidssituatie, is Tunesië er de
voorbije jaren in geslaagd om een nieuwe grondwet af te leveren en
het land naar nieuwe verkiezingen te leiden. Het is duidelijk dat
Tunesië met deze verkiezingen een volgende cruciale fase van haar
transitie ingaat. Het kan nog alle kanten uit. Het recept voor een
succesvolle democratische transitie in Tunesië omvat vele
ingrediënten: een economische groei die de middenklasse versterkt,
meer aandacht voor gemarginaliseerde regio’s en de verzuchtingen
van de jeugd, een rechtstaat die autoritaire praktijken links laat
liggen, het vermijden van extreme politieke polarisatie door
consensus en compromis. Geen ‘Bourguibisme bis’ dus, maar een
nieuwe eigen weg vooruit. Dit alles kan bijdragen tot een succesvolle
consolidatie van Tunesië als eerste echte Arabische democratie.

1
http://www.tradingeconomics.com/tunisia/unemployment-rate

2
http://www.pewglobal.org/2014/10/15/tunisian-confidence-in-democracy-wanes/

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!