Analyse - Gloria Wekker

Acht wetenschappelijk onderbouwde argumenten tegen Zwarte Piet

Net zoals vorig jaar is de figuur van Zwarte Piet in Nederland onderwerp van een nationaal debat tot in de hoogste gremia. Voor de gerenommeerde sociaal en cultureel antropoloog Gloria Wekker van de Universiteit Utrecht mag het gepalaver onderhand stoppen. Ze noemt acht redenen op waarom het hulpje van Sinterklaas van het toneel moet verdwijnen.

donderdag 23 oktober 2014 11:38

De Raad van State buigt zich momenteel over de kwestie-Zwarte Piet. Mij is gevraagd om deze kwestie in een cultuurhistorische context uit te leggen, wat ik in acht punten zal doen.

Zelffeliciterend zelfbeeld

1.
In de maatschappelijke debatten over Zwarte Piet gaat het in wezen om
indringender onderliggende vragen dan of hij/zij een racistische
figuratie is. Het gaat eigenlijk om de vraag: hoe kan een land dat bijna
400 jaar een imposant koloniaal rijk gehad heeft daar geen sporen van
dragen in zijn cultuur, geschiedenis en zelfbeeld? Dit is echter een
nauwelijks bespreekbare vraag in een land waarin het meest gekoesterde
en te vuur en te zwaard verdedigde zelfbeeld is, dat we uitzonderlijk
tolerant zijn, gekenmerkt door de hevige drang tot gelijkheid en door
“kleurenblindheid”. Dus we zijn per definitie niet racistisch.

In feite gaat dit debat impliciet over hoe we dat
prettige, zelffeliciterende zelfbeeld kunnen blijven vasthouden. Wat
hier aan de orde komt, is niet enkel het gevoel van zwarte mensen dat ze
gediscrimineerd worden, maar de erkenning van de institutionele,
systemische en symbolische aspecten van racisme.

Dominante partij

2.
Het is interessant dat het de liefhebbers van Zwarte Piet zijn, in
meerderheid witte mensen, die vaststellen dat Zwarte Piet niet
racistisch is. Ze hoeven daarvoor ook niet te rade te gaan bij de mensen
die daar wellicht een op ervaring gebaseerd oordeel over kunnen hebben.
Als in de tijd van de Tweede Feministische Golf mannen gezegd zouden
hebben “wij zijn de experts op het gebied van seksisme en wij stellen
vast dat daar geen sprake van is in Nederland”, zou iedereen de
absurditeit daarvan inzien. Bij een verschijnsel als racisme, is het
kennelijk acceptabel dat de dominante partij, sans gêne, vaststelt dat
Zwarte Piet niet racistisch is.

Dat wil niet zeggen dat alleen mensen behorend tot
groep X, kennis kunnen hebben van het verschijnsel X. Ik bepleit geen
epistemologische Apartheid. Integendeel. Iedereen kan expert worden op
elk gebied, maar op welke expertise op het terrein van ras zijn de
uitspraken van bijvoorbeeld het Pietengilde gebaseerd?

Postkoloniale melancholie

3.
Ik plaats de figuur van Zwarte Piet binnen de Nederlandse cultuur en
geschiedenis als een erfenis van het koloniale verleden, en van de
slavernij in het bijzonder. Vanuit een psychoanalytisch perspectief,
hebben West Europese landen met een koloniaal verleden het
verlies van hun koloniën nooit goed verwerkt en lijden ze onder
“postkoloniale melancholie” (Gilroy 2005), een ingewikkelde kluwen van
tegenstrijdige gevoelens, die zich soms manifesteert als het
vanzelfsprekende en gratis gevoel van morele, culturele en intellectuele
superioriteit, dan weer als een ernstige malaise over hoe de
samenleving met de komst van zwarten, migranten en vluchtelingen ten
nadele veranderd is.

Het bezit van een koloniaal rijk betekent
onvermijdelijk een verwikkeld zijn in narcistische structuren, in een
almachtsfantasie, die wanneer hij geconfronteerd wordt met verlies,
resulteert in melancholie en depressie; ‘Indië verloren, rampspoed
geboren’.

Diep ingesleten cultuurgoed

4.
Terwijl de herinnering aan “Ons Indië” een gelaagde is
– tempo doeloe,
respect, verdriet, bitterheid, woede – is de herinnering aan het
Westelijk deel van het koloniale rijk, Suriname en de Antillen, veel
éénduidiger. Ten opzichte van Suriname overheerst het gevoel ‘blij dat
we ze kwijt zijn’. Ten opzichte van de Antillen ‘waren we ze maar
kwijt’, getuige onder anderen het schaamteloze voorstel van de PVV om de
Antillen op Marktplaats aan te bieden.

De beeldvorming is dat de West alleen maar geld
gekost heeft en nog kost. Het diep ingesleten cultuurgoed dat wél aan de
West refereert, is de figuratie van Zwarte Piet.

Machtsverhoudingen

5.
Zoals blijkt uit historisch en cultural studies-onderzoek in de VS
(Hartman 1997) is de essentie van de machtsverhoudingen onder slavernij
zó dat de tot slaaf gemaakten hun witte eigenaren niet alleen moeten
dienen, in de zin van arbeid en seksuele diensten leveren, belangrijker
nog is dat ze dat moeten doen met een lach op hun gezicht. Hun
belangrijkste opdracht is te laten zien dat ze plezier hebben in hun
leven, dat ze tevreden zijn met hun bestaan en niets liever willen dan
dit. ‘Ze willen niet vrij zijn’, is de onderliggende boodschap.

Ze moeten zich dus op een bepaalde, manier gedragen

vrolijk, zorgeloos, loyaal, bescherming biedend tegen witte angsten,
ongeacht de gruwelijkheden waaraan ze zélf op dagelijkse basis
blootgesteld werden. Witte mensen schiepen een beeld van zwarten waarin
zij zich superieur konden voelen, maar vooral waarin zij zich niet
schuldig hoefden te voelen: immers slaven waren ‘van nature’ gelukkig,
blij en tevreden.

Europese mythologieën

6.
Dat Zwarte Piet zwarte / beroete voorgangers heeft, die hun oorsprong
vinden in Middeleeuwse Noordse, Germaanse en andere Europese
mythologieën, is wetenswaardig, maar vormt op geen enkele manier een
insulatie van de figuratie tegen later racisme. Wat is de functie van
Zwarte Piet als de onderwijzer Jan Schenkman hem introduceert in 1850, op het
hoogtepunt van het kolonialisme?

Ik noem drie functies.

  1. De continuïteit met de
    eerdere Boemannen zit in de functie van Zwarte Piet om stoute kinderen te
    straffen en af te voeren naar Spanje; 
  2. Ook het Nederlandse publiek
    dat zich aan hem en zijn fratsen vergaapte, moest overtuigd worden van de
    inherente vrolijk- en blijheid van het type, zodat de slavernij met een
    gerust geweten kon voortduren; 
  3. De intocht fungeerde als een
    ‘leerschool’ voor witte mensen in de metropool over wat het betekende
    een burger van een koloniale natie te zijn; wie ‘wij’ zijn en wie ‘zij’
    zijn, en dat was en is niet inwisselbaar.

Rituele degradatie

7.
Het aantal stereotypen over zwarte mannen en vrouwen is beperkt, maar
diep geworteld. De Noord-Amerikaanse en Nederlandse répertoires
overlappen voor een groot deel. Zwarte Piet belichaamt wat Stuart Hall (1997)
‘rituele degradatie’ noemt, een representatie die zo ‘natuurlijk’ is dat
hij geen uitleg of rechtvaardiging nodig heeft.

Hij behoort tot het geïdealiseerde en
gesentimentaliseerde ‘happy black‘-type, dat geen zorg in de wereld
heeft, dom is en krompraat, maar die zingt, danst, rare fratsen
uithaalt, de hele dag door moppen tapt en wiens grootste plezier is
witte mensen en hun kinderen plezier te bezorgen. Zwarte Piet is de
Nederlandse versie van Oom Tom (overigens een bestseller hier, vanaf de
publicatie in 1852). Er zit behoorlijk wat continuïteit in de beeldvorming.

Racisme met de paplepel

8.
Op grond van het voorgaande ligt het voor de hand te veronderstellen
dat het verschijnsel-Zwarte Piet alle kleine kinderen racisme met de
paplepel ingeeft, het bestendigt bij witte volwassenen en zwarte mensen
er, in de maanden november en december, in verhevigde mate aan
blootstelt. Onderzoek uit de VS en het Verenigd Koninkrijk laat zien
dat kleine kinderen er op drie-, vierjarige leeftijd al van op de hoogte
zijn welke huidskleur ze hebben en dat het geduchte voordelen oplevert
om wit te zijn (Williams 1997). Het vierjarige zwarte zoontje van Patricia
Williams weet dat als er op school ‘cowboys and Indians‘ gespeeld
wordt, hij nooit cowboy mag zijn.

Voor de Nederlandse situatie, zou het
hartverscheurende korte verhaal van Celestine Raalte, een zwarte moeder
die zowel haar dochter als haar kleindochter tegen de ondermijnende
werking van Zwarte Piet moet beschermen (Helder en Gravenberch 1989),  voor iedereen verplichte kost moeten zijn.

Zie dan nog eens vol te houden dat Zwarte Piet geen schadelijk verschijnsel is. Of, nog lammer, dat het niet zo bedoeld is.

Prof.dr. Gloria Wekker is sociaal en cultureel antropoloog. Van haar dissertatie I Am a Gold Coin; The Construction of Selves, Gender and Sexualities in a Female, Working-Class, Afro-Surinamese Setting (1992) verscheen in 1994 een bewerking onder de titel Ik ben een gouden Munt. De transcontinentale vervolgstudie was: The Politics of Passion; Women’s sexual Culture in the Afro-Surinamese Diaspor (2006). Een andere recente publicatie, waarvan zij co-auteur van is, heet: Je hebt een kleur, maar je bent Nederlands. Identiteitsformaties van geadopteerden van kleur (met C. Asberg, I. van der Tuin en N. Frederiks). 

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!