Noam Chomsky tijdens een Occupy-event op 7 april 2011 (foto Andrew Rusk/Creative Commons)
Interview -

Chomsky: mensen moeten zich verzetten

De recente tweede editie van Noam Chomsky’s 'OCCUPY: Class War, Rebellion and Solidarity' is uitgebreid met een lang interview met 's werelds meest bekende politieke criticus. Hij spreekt daarin onder meer over democratische machten in de Amerikaanse geschiedenis, over vakbonden, over niet-stemmers, over postdiensten, over scholieren, milieubeleid, coöperaties, public relations... Hier volgt een uittreksel.

woensdag 22 oktober 2014 11:47

(Opmerkingen tussen haakjes zijn eigen toelichtingen bij de vertaling)

Een
artikel met de titel Gangster Bankers: Too Big
to Jail
door Matt Taibbi recentelijk (op 14 februari 2012) gepubliceerd in Rolling Stone,
beweert dat de regering bang is om machtige bankiers, zoals zij die (de grote Amerikaanse zakenbank) HSBC
leiden, te vervolgen. Taibbi zegt daarin dat er “een klasse bestaat die
gearresteerd kan worden en een klasse die men niet kan arresteren.” Hoe kijkt u
aan tegen de huidige gang van zaken in de klassenstrijd in de VS?

“Wel, er woedt hier altijd een
klassenstrijd. De VS is een maatschappij die in buitengewone mate gebaseerd is
op ondernemen, veel meer dan andere samenlevingen. Het bedrijfsleven is er erg
klassegericht  er wordt constant een bittere klassenstrijd uitgevochten om de
macht van de grote bedrijven te vergroten en de oppositie daartegen uit te schakelen.
Af en toe wordt dit ook erkend.

Wij gebruiken de term ‘arbeidersklasse’
niet, de term is hier taboe. Je wordt verondersteld om ‘middenklasse’ te
zeggen, zodat we minder snel zouden doorhebben dat er wel degelijk een
klassenstrijd aan de gang is.

Het klopt dus dat hier een klassenstrijd
woedde, die van één kant komt, omdat de andere kant ervoor koos om niet deel te
nemen aan deze strijd.Dit had als
gevolg dat de leiding van de vakbonden er jarenlang naar streefde overeenkomsten
te sluiten met de grote bedrijven, waarbij de bij hen aangesloten werknemers  bijvoorbeeld
de autoarbeiders  bepaalde voordelen zouden krijgen zoals redelijke lonen,
gezondheidszorg,enzovoort.

Er werd door die aanpak niet ingegrepen in
de algemene klassenstructuur zelf. Dat is dan ook een van de redenen waarom
Canada wel over nationale sociale zekerheid beschikt en de VS niet. Dezelfde
vakbonden aan de andere kant van de grens eisten immers wel een zorgprogramma
voor iedereen (voor alle werknemers, dus ook zij die niet bij de vakbonden
aangesloten zijn en ook voor werknemers in alle andere bedrijven).

Hier onderhandelden ze enkel over een
zorgprogramma voor henzelf en dat kregen ze. Natuurlijk is dit een overeenkomst
die de grote bedrijven zo kunnen verbreken wanneer ze maar willen, en tijdens
de jaren 1970 waren ze dat ook van plan. We hebben kunnen zien wat er sinds dan
allemaal gebeurd is.

Dit is slechts een klein onderdeel van een
lange en ononderbroken klassenstrijd tegen de werknemers en de armen. Het is
een echte oorlog die gevoerd wordt door een zeer op de instandhouding van de klassenverschillen
gerichte economische klasse en daardoor ook een van de voornaamste oorzaken van
de ongebruikelijke geschiedenis van de Amerikaanse arbeidersbeweging.
Georganiseerde arbeidsstrijd werd in de VS herhaaldelijk en bijzonder grondig
onderdrukt, waardoor het een veel gewelddadigere geschiedenis heeft moeten
ondergaan dan in vele andere landen.

Aan het einde van de
negentiende eeuw hadden we hier de grote vakbondsorganisatie, Knights of Labor (‘Ridders van de arbeid’)
en bovendien was er een radicale populistische boerenbeweging. Nu valt dat nog moeilijk
te geloven, maar ze hadden hun basis in Texas en ze waren echt radicaal. Ze ijverden
voor eigen banken, eigen coöperaties, zelfcontrole over alle transacties en de
handel. Dit groeide snel uit tot een grote beweging die zich verspreidde over de
belangrijke landbouwgebieden.

De Farmers’ Alliance (‘Boerenbond’) heeft geprobeerd om zich te verbinden
aan de Knights of Labor, wat tot een grote
klassengebaseerde organisatie had kunnen leiden, indien men dit verbond tot een
goed einde had kunnen brengen. Helaas werden de Knights of Labor gewelddadig vernietigd en de Farmers’ Alliance op andere manieren uit elkaar gerukt. Dit had tot
gevolg dat een van de grootste democratische machten in de Amerikaanse
geschiedenis grotendeels werd vernietigd.

Daar waren
verschillende aanleidingen voor. Eén daarvan was dat de Burgeroorlog (de oorlog
tussen de noordelijke en zuidelijke staten, 1861-1865) eigenlijk nooit
beëindigd werd. Een van de gevolgen van de Burgeroorlog was dat de politieke
partijen die er uit ontstonden in feite sektarische partijen waren. De slagzin toen
was: “Je stemt zoals je schiet”. Zo zit het (de Amerikaanse politieke cultuur)
vandaag nog steeds in elkaar.

Laat ons eens kijken
naar de rode (Republikeinse) en de blauwe (Democratische) staten tijdens de
laatste verkiezingen: het lijkt wel de kaart van de Burgeroorlog. Ze hebben hun
partijlabel veranderd, maar voor de rest is het precies hetzelfde gebleven: het
zijn sektarische partijen die niet gebaseerd zijn op klassen, omdat ze op
andere manieren zijn onderverdeeld. Daar bestaan heel wat verklaringen voor.

De enorme voordelen
die aan de zeer rijken werden gegeven, de privileges van de zeer rijken hier,
wegen veel meer door dan die in andere, vergelijkbare samenlevingen. Die
privileges maken deel uit van de huidige klassenstrijd. Kijk maar naar de
salarissen van CEO’s. CEO’s hier zijn niet bepaald productiever of briljanter in
Europa. Het loon, de bonussen en de enorme macht die ze hier krijgen, zijn echter
compleet buiten proportie. Ze vormen waarschijnlijk zelfs een aanslag op de
economie en ze worden zelfs nog machtiger, omdat ze ook de controle hebben
verworven over de besluitvorming van het overheidsbeleid.

Dat is waarom we al
onze aandacht besteden aan (het beheersen van) de schuldenlast en niet aan tewerkstelling,
wat toch zeer belangrijk is voor de bevolking. Dat laatste interesseert de
banken echter niet, dus wie maalt erom? Het illustreert ook hoe het volledige
democratische systeem aanzienlijk versplinterd is.

Dat verklaart waarom
de mensen hier tegenwoordig in de statistieken op dezelfde manier ruwweg
volgens inkomensniveau of salaris worden geklasseerd. De 70 procent onder aan de
ladder is vrijwel rechteloos; zij hebben bijna geen invloed op het beleid. Hoe
hoger je je bevindt op deze schaal, hoe meer invloed je uitoefent. Helemaal aan
de top ben je eigenlijk gewoon de leider van de hele show.

Een goed onderwerp om
te onderzoeken, als dat mogelijk zou zijn, is uitzoeken “waarom mensen niet
gaan stemmen.” Het aantal niet-stemmers is hier hoog, grofweg 50 procent, zelfs
bij presidentiële verkiezingen  en dat is dan nog veel hoger dan tijdens de andere
(verkiezingen).

Er bestaan studies
over de levensopvattingen van de mensen die niet gaan stemmen. Eerst en vooral
identificeren ze zich vooral met de Democratische Partij. Als je bovendien naar
hun verwachtingen ten opzichte van het leven kijkt, dan zijn ze in feite vooral
sociaaldemocraat. Ze willen een baan, ze willen sociale rechten, ze willen dat
het overheidsbeleid zich bezighoudt met de organisatie van sociale diensten, enzovoort.

Ik veronderstel
daarnaast dat ze minstens voor een deel niet willen gaan stemmen vanwege de
belemmeringen die er bestaan om effectief te gaan stemmen. Dat is allesbehalve
een groot geheim. De Republikeinse Partij doet er echt alles aan om te voorkomen
dat mensen gaan stemmen. Immers, hoe meer er mensen gaan stemmen, hoe meer moeilijkheden zij krijgen.

Er zijn daarnaast nog andere
redenen waarom mensen niet gaan stemmen. Ik vermoed, maar ik weet niet hoe ik
het kan bewijzen, dat een deel van de reden waarom mensen niet gaan stemmen, is
dat ze gewoon aanvoelen dat hun stem geen enkel verschil zal maken, dus waarom
de moeite doen?

Zo krijg je dan een
soort van plutocratie waarin de publieke opinie nauwelijks van tel is. Wat dat
betreft is er niet echt veel verschil met andere landen, het fenomeen is hier enkel
extremer. Het is vooral véél extremer. Dus ja, er is hier een constante
klassenstrijd bezig.

Wat hier met de
vakbonden gebeurde, is daarbij cruciaal, want dit was de basis voor de organisatie
van eender welke volksoppositie tegen de macht van het kapitaal. Precies daarom
moesten ze ontmanteld worden. Tijdens de jaren 1920 werd de arbeidersbeweging
vrijwel gebroken door Wilsons Red Scare
(‘rode afschrikking’, een slogan van president Wilson, 1913-1921) en andere toestanden.

Tijdens de jaren 1930
stak dit fenomeen opnieuw de kop op. Het werd de drijvende kracht achter de New Deal, samen met de oprichting van de
CIO (de syndicale koepelorganisatie Congress of Industrial Organizations)
enzovoort. Aan het einde van de jaren 1930 begon de economische elite zich te
organiseren om hiertegen te reageren.

Ze begonnen ermee,
maar konden niet veel uithalen tijdens de Tweede Wereldoorlog, omdat toen een status quo heerste. Onmiddellijk na de oorlog werd hun strijd opnieuw in
gang gezet met de Taft-Hartley Act (de
wet van 1947 die de al bij al nog steeds beperkte macht van de vakbonden nog
meer aan banden legde, genoemd naar de twee politici die het wetsvoorstel
opstelden)
en enorme propagandacampagnes, die heel effectief waren.

De jaren erna slaagde
men erin om de kracht van de vakbonden en de werknemers in het algemeen
volledig te ondermijnen. Vandaag zien we dat de graad van syndicale organisatie
in de privésector heel laag is. Deels is dat omdat, sinds (president Ronald) Reagan
(1981-1989) de overheid aan de werkgevers min of meer heeft gezegd dat ze vanaf
nu “de wetten kunnen overtreden, en wij gaan daar niks tegen doen”.

Onder (president Bill)
Clinton (1993-2001) heeft NAFTA (het Noord-Amerikaanse Vrijhandelsakkoord
tussen de VS, Canada en Mexico) de werkgevers in staat gesteld om de vakbonden
op illegale wijze te ondermijnen met het dreigement hun bedrijven naar Mexico
te verhuizen. Het aantal illegale initiatieven door werkgevers schoot vanaf dan
de hoogte in. Wat nog overbleef, waren de vakbonden in de openbare sector. Die
zijn onderhevig aan een tweeledige aanval.

Ze werden nog min of
meer beschermd dankzij federale wetten ter bescherming van de vakbonden van
de openbare sectoren, maar nu worden die langs twee kanten aangevallen. Wanneer
Obama nu een loonsbevriezing voor federale werknemers
uitvaardigt, dan is dat in feite een belasting op de federale ambtenaren. Het
komt immers neer op hetzelfde.

Natuurlijk komt dit
juist op het moment dat ‘wij’ zeggen dat we de belastingen op de superrijken
niet kunnen verhogen. Neem de laatste belastingovereenkomst waarvan de
Republikeinen beweren dat ze eerder toch ‘al meer belastingverhoging hebben gegeven’. Kijk nu eens goed naar wat er is gebeurd. De loonsbelasting verhogen, wat een
belasting is op de werknemers, is een veel grotere belastingverhoging dan de
verhoging van de belasting op de superrijken. Dat gebeurde echter heel stilletjes,
want ‘naar zo’n dingen kijken we niet’.

Hetzelfde is over de
hele lijn aan het gebeuren. Er worden gigantische inspanningen gedaan om de
sociale zekerheid, de openbare scholen, de postkantoren – alles wat ten dienste
staat van de gewone bevolking – te ontmantelen. Vooral de aanval tegen de
Amerikaanse postdiensten kan bijna surrealistisch genoemd worden.

Ik ben oud genoeg om
me de Grote Depressie (de wereldwijde economische crisis van de jaren 1930) te
kunnen herinneren, een tijd waarin de overheid echt arm was, maar de post nog
steeds werd bezorgd. Tegenwoordig moeten postkantoren, sociale zekerheid en
openbare scholen ontmanteld worden, omdat ze gezien worden als instellingen
gebaseerd op een principe dat als extreem gevaarlijk wordt beschouwd.

Iets aan andere mensen
geven, dat is dus een heel gevaarlijk idee. Als je om andere mensen geeft, dan
zou je wel eens kunnen gaan proberen om jezelf te gaan organiseren om de
bestaande macht en autoriteit te ondermijnen. Dat gaat nooit gebeuren als je
enkel om jezelf bekommerd bent. Je zal dan misschien wel rijk kunnen worden,
maar je geeft geen bal om waar andere mensen hun kinderen naar school kunnen
brengen, of ze zich te eten kunnen veroorloven, en zulke dingen.

In de VS noemen we dat ‘absolute individuele vrijheid’ om een of andere bizarre reden. Ik bedoel, het
is eigenlijk vooral heel erg autoritair. Deze doctrine is echter van uiterst
belang voor machtssystemen die de bevolking willen versnipperen en ondermijnen.

Dat is waarom de
vakbonden de slagzin ‘solidariteit’ hanteerden, ook al maakten ze hem zelf niet
helemaal waar. Dat is dan ook wat echt belangrijk is: solidariteit, wederzijdse
hulp, zorgen voor een ander, enzovoort. Het is dus echt cruciaal voor een
machtssysteem om dit ideologisch te ondermijnen, bijgevolg wordt daar heel veel
werk van gemaakt.

Zelfs de pogingen om
de consumptie te stimuleren zijn een poging om dat idee te ondermijnen. Een
samenleving gebaseerd op de marktideologie brengt immers automatisch het
ondermijnen van de solidariteit met zich mee. In het marktsysteem heb je
bijvoorbeeld de volgende keuze: je kan een Toyota kopen of een Ford, maar je
kan geen metro kopen, want dat staat niet in de aanbieding.

Markteconomieën bieden
geen gemeenschappelijke goederen aan. Ze bieden uitsluitend particuliere
consumptie aan. Als je een metro wil, dan zal je samen moeten komen met andere
mensen en een collectieve beslissing moeten nemen. Anders zal dit simpelweg
geen optie zijn binnen een marktsysteem. Terwijl het democratische systeem meer
en meer uitgehold wordt, zal dit minder en minder een optie blijken binnen het
openbare systeem. Al deze dingen komen samen in één punt en maken allemaal deel
uit van de algemene klassenstrijd.”

Kunt u ons wat meer inzicht geven in hoe de
arbeidersbeweging hier in de VS opnieuw opgebouwd kan worden?

“Wel, dat is al gebeurd.
Telkens de beweging werd aangevallen – en zoals ik al zei, in de jaren 1920
eigenlijk bijna werd vernietigd – slaagde men er, dankzij de inspanningen van
de bevolking, in om de beweging weer op poten te zetten.

Dat kan weer gebeuren.
Het gaat niet gemakkelijk zijn. Er zijn immers institutionele, ideologische en
culturele hindernissen. Een groot probleem is dat de blanke arbeidersklasse
gewoon aan haar lot werd overgelaten door het politieke systeem. De Democraten
proberen niet eens meer om ze te organiseren.

De Republikeinen
beweren dat ze dat wel doen. Zij krijgen daarvoor dan ook de meeste stemmen. Ze
doen dit echter met zaken die niets met economie te maken hebben, niets met
arbeid. Zij proberen hen dikwijls te mobiliseren voor zaken die met racisme en
seksisme enzo te maken hebben.

Op die manier heeft de
libertaire politiek van de jaren 1960 behoorlijk wat schade aangericht door de
manier waarop sommige van die zaken werden uitgevoerd. Er bestaan hier heel wat
goede studies over.

Neem het concept busing (de federale overheid verplichtte
de deelstaten het vervoer van schoolkinderen naar scholen buiten hun eigen wijk
te organiseren, om zo raciale integratie te bevorderen’).
Uiteraard was dat een goed idee, als je een einde wilde maken aan (raciaal)
gesegregeerde scholen. Het heeft echter duidelijk niet gewerkt. De scholen van
vandaag zijn  waarschijnlijk door nog heel wat andere redenen  meer gesegregeerd
dan vroeger. De manier waarop dat oorspronkelijk werd aangepakt, heeft vooral
de solidariteit tussen de verschillende sociale klassen ondermijnd.

Neem Boston (de stad
waar Chomsky woont en werkt). Hier bestond een programma ter
bevordering van integratie in de scholen door middel van busing. De uitvoering werd beperkt tot stedelijk Boston, het
centrum van de stad. Zwarte kinderen werden dus naar Ierse wijken gestuurd, en
omgekeerd, maar de buitenwijken werden er niet bij betrokken. De buitenwijken
waren welvarender op professioneel vlak enzovoort en hoorden er niet bij.

Wel, wat gebeurt er,
denk je, wanneer je zwarte kinderen naar Ierse wijken stuurt? Wat gebeurt er
wanneer sommige Ierse werknemers van de telefoonmaatschappij, die hun hele
leven hebben gewerkt en nu eindelijk een klein huis hebben kunnen bouwen in de
wijk waar ze hun kinderen naar de plaatselijke school willen sturen en waar ze
willen supporteren voor de plaatselijke voetbalploeg en een gemeenschap willen
uitbouwen enzovoort?

Opeens worden hun
kinderen naar ergens anders gestuurd en komen er zwarte kinderen in hun plaats.
Hoe denk je dan dat minstens een deel van die mannen zich gaan voelen? Minstens
een deel van hen zal racist worden. De buitenwijken worden niet bij het
busing-programma betrokken, dus kunnen ze zich aan verkneukelen over hoe racistisch die
anderen ginder wel zijn. Dit patroon verspreidde zich over het gehele land.

Hetzelfde is gebeurd
op het vlak van vrouwenrechten. Wanneer je een arbeidersklasse hebt die echt
onder druk staat, weet je, dan gaan mensen zeggen dat hun rechten ondermijnd
worden, dat hun banen ondermijnd worden. Misschien het enige waar de blanke
werkman zich nog aan kan optrekken, is dat hij gezinshoofd is. Juist dat wordt
nu van hem afgenomen en hij krijgt er niets voor in de plaats. Hij maakt geen
deel uit van het beleid dat moet ijveren voor vrouwenrechten.

Dat is geen probleem
voor universiteitsprofessoren (zoals Chomsky), het is echter een ander paar
mouwen bij de arbeidersklasse. Het zou bovendien ook anders kunnen. Het hangt er
van af hoe de dingen worden aangepakt. Het werd echter aangepakt op een manier
die de solidariteit heeft kapotgemaakt. Er zijn verschillende factoren die hier
invloed op hebben, maar momenteel gaat het echt wel moeilijk worden om de
arbeidersklasse nog georganiseerd te krijgen op basis van wat hen echt
aanbelangt: gemeenschappelijke solidariteit, gemeenschappelijk welzijn.

Aan de andere kant, het
zou niet echt moeilijk moeten zijn, want deze standpunten worden door bijna de
hele bevolking geprezen. Als je kijkt naar de leden van de Tea Party, de soort
die zegt, ‘Haal de regering uit mijn nek, ik wil een kleine overheid’ en
zo. Als je hun levensovertuiging
bestudeert, dan blijkt dat ze vooral sociaaldemocraat zijn. Weet je, mensen
zijn nu eenmaal humane wezens. Ja dus, je wil meer geld voor de gezondheidzorg,
voor steun, voor mensen die het nodig hebben enzovoort enzoverder, maar ‘Ik wil
de regering uit mijn nek, haal ze weg’ en navenante standpunten zijn lastig om
te overwinnen.

Sommige enquêtes zijn
behoorlijk verbazingwekkend. Er werd er een uitgevoerd in het Zuiden, net voor
de presidentiële verkiezingen. Enkel zuidelijke blanken werden bevraagd, geloof
ik, over de economische plannen van de beide kandidaten, Barack Obama en Mitt
Romney.

De zuidelijke blanken
beweerden dat ze de voorkeur gaven aan Romneys plan, maar wanneer hen dan
specifieke details van dat plan werden voorgelegd, dan bleek dat ze elk van die
details afwezen. Wel, dat is dus het resultaat van goede propaganda, mensen
zover krijgen dat ze niet langer meer kijken naar wat goed voor hen is, en nog
minder naar wat goed is voor de gemeenschap of de klasse waartoe ze behoren. Die
mentaliteit veranderen, dat gaat veel werk kosten. Ik denk niet dat het
onmogelijk is, maar het gaat zeker niet vanzelf gebeuren.”

In een recent artikel over de Magna Carta en de
Carta de Foresta
(‘Oorkonde van het Woud’, een onderdeel van de Magna Carta, waarin de gemeenschappelijke rechten van de plattelandsbevolking op de producten van de bossen werd vastgelegd, iets waar de adel
zich steeds tegen had verzet, in feite de eerste historische beslissing om
gemeenschappelijke rechten van het leefmilieu te bepalen) bespreek je Henry Vane, die onthoofd werd omwille van een petitie die
hij opgesteld had, waarin hij de macht van het volk “de originele” macht noemde,
“van waaruit alle rechtvaardige macht ontstaat”. Bent u het eens met de
stelling dat de door de overheid gecoördineerde repressie tegen Occupy
vergelijkbaar was met de onthoofding van Vane?

“Occupy werd niet echt
zachtaardig behandeld, maar we moeten nu ook weer niet overdrijven. In
vergelijking met het soort van repressie dat we al gekend hebben, was dit niet eens
zo erg. Vraag maar eens aan de mensen die deel uitmaakten van de burgerrechtenbeweging
in de vroege jaren 1960, in het Zuiden om maar iets te noemen.

Dat was zo
onvergelijkbaar repressief, enkel voor het opdagen op een anti-oorlogsdemonstratie
werden mensen al belaagd met pepperspray en in elkaar geslagen enzo.
Groeperingen van activisten worden onderdrukt. Machtssystemen aaien hen niet
bepaald over de bol. Occupy werd zeer slecht behandeld, maar het ging er niet
over – toch niet zo erg als bij andere bewegingen. Ik zou geen overdreven
vergelijkingen willen maken. Er werden geen mensen onthoofd, omdat die ‘alle macht
aan het volk’ riepen.”

Hoe kan je de Carta de Foresta in
verband brengen met het milieuactivistische en inheemse verzet tegen de
Keystone XL- pijpleiding?

“Gemakkelijk. De Carta de Foresta, dat ongeveer
de helft van de Magna Carta omvat, is min
of meer in de vergetelheid geraakt. Het ‘woud’ betekende echter niet enkel
de bossen. Het betekende de gemeenschappelijke grond, de bron van voedsel en
brandstof. Het was gemeenschappelijk eigendom, dus er werd voor gezorgd.

De bossen werd op gemeenschappelijke basis gecultiveerd en in goede
staat gehouden, omdat ze het volk toebehoorden, hun bron van levensonderhoud en
zelfs hun bron van waardigheid. Dat systeem ging langzaam ten onder in Engeland
nadat men zich die gronden begon toe te eigenen. De staat deed pogingen om over
te schakelen naar privé-eigendom van de grond en de daarbij behorende controle.

In de VS gebeurde dat op een andere manier, maar de privatisering kwam
er op hetzelfde neer. Wat we hiervan hebben overgehouden, is het wijdverspreide
geloof, die hier nu standaarddoctrine is, van wat Garrett Hardin ‘de tragedie
van de volkseigendom’ noemde. Volgens deze opvatting horen dingen die
gemeenschappelijk zijn, die geen private eigendom zijn, vernietigd te worden.

Het verleden toont ons echter het tegenovergestelde: wanneer dingen
gemeenschappelijke eigendom waren, dan werden ze bewaard en goed onderhouden. Volgens
de kapitalistische ethiek worden dingen die geen private eigendom zijn,
verwoest. Dat is die ‘tragedie van de volkseigendom’. Daarom dus moet je alles
onder privécontrole plaatsen, er mag geen publiekseigendom zijn, want het
publiek zal dat zogezegd toch maar kapotmaken.

Nu, hoe kan je dat in verband brengen met het milieuprobleem? Heel
direct: het milieu is (van) de bevolking. Wanneer het milieu (van) het volk is
– geen eigendom, maar iedereen maakt deel uit van de gemeenschap en maakt dus
deel uit van het milieu – dan zal het bewaard worden, onderhouden en
gecultiveerd voor de volgende generatie. Als het milieu privébezit is, dan zal
het uit winstbejag vernietigd worden. Dat is wat privébezit inhoudt en dat is
wat er vandaag aan het gebeuren is.

Wat je zegt over de inheemse
volkeren (of ‘autochtone’, in het geval van de VS de ‘Indianen’, zoals ze door
de Europese immigranten werden genoemd) is treffend. De hele mensheid wordt met
een enorm probleem geconfronteerd. De kans op een serieuze catastrofe is niet
ver af. We snellen af op een soort van kantelmoment, waarbij de
klimaatverandering onomkeerbaar zal zijn. Het kan nog een paar decennia duren,
misschien minder lang, maar de voorspellingen die we te horen krijgen, blijken
steeds maar weer veel te optimistisch te zijn.

Het gaat echt om een
serieus gevaar. Niemand met gezond verstand twijfelt hier nog aan. De gehele
mensheid staat voor de eerste keer in haar rampzalige geschiedenis oog in oog
met een reële totale bedreiging. Er zijn mensen die hier iets aan proberen doen
en er zijn er die het alleen maar erger maken. Wie zijn deze mensen? Wel,
diegenen die het beter proberen maken zijn de pre-industriële gemeenschappen,
de pretechnologische samenlevingen, de inheemse volkeren, de First Nations (‘de eerste volkeren’). Over
de hele wereld zijn dit de gemeenschappen die proberen om de rechten van de
natuur te vrijwaren.

De vermogende samenlevingen, zoals de VS
en Canada, gedragen zich daarentegen op manieren die de ramp zo snel mogelijk
werkeklijheid zullen maken. Dat is wat het bijvoorbeeld betekent wanneer zowel
de politieke partijen als de media enthousiast praten over ‘een eeuw van
energieonafhankelijkheid’. ‘Energieonafhankelijkheid’ betekent helemaal niks,
maar laten we het daar nu niet over hebben.

Een eeuw van ‘energieonafhankelijkheid’ betekent dat we er alles aan doen om elk klein stukje fossiele brandstof dat we
op onze Aarde nog kunnen vinden, zullen gebruiken en opbranden. In
samenlevingen waar grote groepen inheemse bevolking aanwezig zijn, Ecuador
bijvoorbeeld, een olieproducent, probeert men steun te vinden om olie in de
grond te houden. Ze zoeken fondsen om de olie te houden waar ze hoort.

Wij daarentegen willen alles uit de grond
halen, zelfs olie uit teerzand, om het dan te verbranden, waardoor alles zo snel
mogelijk zo slecht mogelijk wordt. Zo verkrijg je dus deze bizarre situatie
waarin geschoolde, ‘vooruitstrevende’, beschaafde mensen iedereen zo snel
mogelijk de keel trachten over te snijden, terwijl de inheemse, laaggeschoolde,
armere bevolkingsgroepen trachten om te ramp tegen te houden. Moest er iemand
ons van op Mars kunnen bezig zien, zou hij terecht zeggen dat onze soort
krankzinnig was.”

Zelforganisatie lijkt mogelijk op
kleine schaal binnen een vrije, op democratie gerichte gemeenschap. Denkt u dat
dit ook mogelijk is op grotere schaal, met de mensenrechten en een kwalitatief
leven als leidend principe? Welke gemeenschap die u al bezocht hebt, voldoet hier
het meeste aan? Kan het best als voorbeeld gezien worden van wat er allemaal
mogelijk is?

“Er bestaan heel wat mogelijkheden. Ik kan
een paar voorbeelden geven van plaatsen die ik heb bezocht, waar zelforganisatie
op grote, echt wel op grote schaal, werd toegepast. Neem Spanje bijvoorbeeld,
dat zich in een enorme economische crisis bevindt. Eén deel van Spanje doet het
relatief goed – dat is de coöperatie van Mondragón.

Dit is een grote samenwerking met eigen banken,
industrie, huisvesting, allerlei dingen. Het is in handen van de werknemers,
maar wordt niet door de werknemers beheerd. Er is hier dus sprake van een
gedeeltelijke industriële democratie, binnen het grotere geheel van een
kapitalistische economie.

Daar gebeuren dus ook nog heel wat lelijke
dingen zoals de exploitatie van buitenlandse werkkrachten enzovoort. Op
economisch en sociaal vlak echter bloeit deze coöperatie in vergelijking met de
rest van de samenleving daar en met de andere grote bedrijven. Het gebeurt daar
op grote schaal en het kan overal toegepast worden.

Het kan zeker hier
toegepast worden. Er zijn zelfs al voorzichtige pogingen tot contact geweest
tussen Mondragón en de United
Steelworkers
, (de Amerikaanse koepel van vakbonden van de staalindustrie), een
van de progressievere vakbonden, om een plan te ontwikkelen om hier
vergelijkbare structuren te installeren. Tot op zekere hoogte is het al in gang
gezet.

Iemand die hier al heel wat over
geschreven heeft is Gar Alperovitz, die betrokken is in de organisatie van
werkgelegenheid in ondernemingen in delen van de oude Rust Belt, (de ‘roestgordel’ is een term die sinds de jaren 1980
wordt gebruikt om de industriële ondergang in het noordoosten van de VS te
omschrijven). Dat is een behoorlijk succes en zou ontplooid kunnen worden als coöperatieve
ondernemingen. Er bestaan echt geen grenzen aan wat kan, buiten de wil om er
aan deel te nemen, en net dat is, zoals gewoonlijk, het probleem. Als je bereid
bent om je aan je taak te houden en jezelf te controleren, dan bestaan er geen
grenzen (aan wat mogelijk is).

David Hume (1711-1776)
heeft eeuwen geleden eigenlijk een ietwat beroemde paradox gesteld. Hume was
een van de grondleggers van het klassieke liberalisme. Hij was een belangrijke
filosoof en een politieke filosoof. Hij zei dat wanneer je kijkt naar de
verschillende maatschappijen in de wereld – eender welke – de werkelijke
macht dan in handen is van hen die overheerst worden, hen die geregeerd worden.

Hume vroeg zich af waarom
ze die macht dan niet gebruiken om de heersers omver te werpen en de controle
over te nemen? Hij zei dat het antwoord wel moest zijn dat, in alle samenlevingen,
de meest brutalen, de meest vrije mensen, zij die worden overheerst, kunnen
gecontroleerd worden door hun mening onder controle te houden. Als je hun
levensopvattingen en geloof kan controleren en ze vervreemd van elkaar kan
houden enzovoort, dan zullen ze zich niet verzetten om je omver te werpen.

Dit vereist wel een toelichting. In de
meer wreedaardige en repressieve samenlevingen is de controle over de mening in
feite van minder belang, omdat je mensen kan slaan met de stok. Als samenlevingen
vrijer worden, dan wordt dat daarentegen een probleem en dat merken we doorheen
de geschiedenis. De samenlevingen waarin de meest uitgebreide
propagandasystemen bestaan, zijn net ook de samenlevingen met de grootste
vrijheid.

Het meest uitgebreide propagandasysteem ter
wereld is de public relations-industrie,
die ontstond in Groot-Brittannië en de VS. Honderd jaar geleden waren de dominante
sectoren van mening dat het volk nu toch genoeg vrijheid had verkregen. Ze
redeneerden dat het te moeilijk was geworden om mensen nog met geweld onder
controle te houden. Dus moesten ze het voortaan doen door de levensopvattingen
en meningen van het volk te manipuleren, door middel van propaganda en andere
apparaten die versplintering en marginalisering in de hand werken. De Westerse
machten zijn hier heel bedreven in geworden.

De reclame- en public relations-industrie in de VS is reusachtig. Vroeger, tijdens
de meer eerlijke jaren, noemden ze dat nog gewoon ‘propaganda’. Nu klinkt dat
niet meer zo vriendelijk, dus wordt die term niet meer gebruikt. Eigenlijk is
het gewoon een groot propagandasysteem dat heel erg uitgebouwd is en zeer
specifieke doeleinden heeft.

Eerst en vooral moet het de echte markten
ondermijnen door de creatie van irrationele, onwetende consumenten die irrationele
keuzes zullen maken. Daar gaat reclame immers over, wat het tegenovergestelde
van wat een vrije markt zou moeten zijn. Iedereen die zijn televisie opzet, kan
dat zelf zien. Dit heeft immers alles te maken met monopolisering en
productdifferentiatie, allerlei dingen. Het draait vooral rond het feit dat je
de bevolking moet aanzetten tot ondoordacht koopgedrag, waardoor ze vervreemd
geraken van elkaar.

Zoals ik al zei,
consumeren is iets individueels, het gebeurt dus niet uit solidariteit – daarom
zie je geen reclamespots op tv die zeggen, ‘Laat ons samenkomen om een openbaar-vervoersysteem uit te bouwen.’ Wie gaat die reclame immers bekostigen?

Wat ze (de
reclame-industrie) ook moet doen, op dezelfde manier, is de democratie
uithollen. Dus creëren ze onwetende stembusgangers die ondoordachte
beslissingen zullen nemen. Dat is immers waar het tijdens campagnes om draait.
Miljarden dollars worden daar aan uitgegeven.

De gedachte die erachter
zit, is de democratie aan flarden scheuren, de markten beperken tot een dienst
voor de rijken, ervoor zorgen dat de macht geconcentreerd blijft, dat het
kapitaal geconcentreerd blijft en dat het volk aangezet wordt tot irrationeel
en zelfdestructief gedrag. Dit is inderdaad zelfdestructief, met alle
dramatische gevolgen van dien.

Bijvoorbeeld, een van
de eerste wapenfeiten van het Amerikaanse public
relations
-systeem in de jaren 1920 werd ‘toevallig’ geleid door de liberale
progressieve Edward Bernays – een figuur die zeer werd geëerd door de
presidenten Wilson (1913-1921), Roosevelt (1933-1945) en Kennedy (1961-1963).

Zijn (Bernays’) eerste grote succes (van
de reclame-industrie) bestond erin vrouwen aan te zetten tot roken. In de jaren
1920 rookten vrouwen immers niet. Hier zat je dus met een groot deel van de bevolking
dat geen sigaretten kocht. Dus betaalde hij jonge modellen om over Fifth Avenue
in New York (toen de meest prestigieuze winkelstraat ter wereld) te paraderen
met een sigaret in de hand.

Zijn boodschap aan de vrouwen was: ‘Wil je
even aantrekkelijk zijn als een model? Dan zal je sigaretten moeten roken.’ Tot
hoeveel miljoenen doden heeft dat niet geleid? Ik wil het niet eens uittellen.
Dat werd dus als een overdonderend succes gezien.

Hetzelfde kan gezegd worden van de
moorddadige inzet van bedrijfspropaganda voor tabak, asbest, lood, chemicaliën,
vinylchloride, noem maar op. Het is gewoon schokkend, maar neen, public
relations wordt aanzien als een zeer eerbaar beroep. Die industrie manipuleert
mensen en ondermijnt hun kansen op menselijke samenwerking. Vandaar dus de
paradox van Hume. Mensen moeten zich hier echter niet bij neerleggen. Je kan er
wel degelijk doorheen zien en je ertegen verzetten.”

© 2012 Noam Chomsky en Zucotti Park
Press

Zucotti Park Press (genoemd naar het park in New York waar Occupy in de VS begon) ontstond tijdens één van de vele bijeenkomsten van Occupy. Chomsky liet de auteursrechten voor zijn boek Occupy aan dit initiatief. Het boekje verkocht zo goed dat er nu een tweede geüpdate versie gepubliceerd wordt. Ook de opbrengst van dit boek gaat volledig naar de uitgever, die hiermee progressieve, niet-commerciële boeken een kans geeft.

Dit uittreksel werd gepubliceerd op www.alternet.org en is vertaald door Sarah Wagemans. Overname van deze vertaling – uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden
– kan mits vermelding van deze oorspronkelijke vertaling en weblink naar het boek
Occupy.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!