(archief Lucas Catherine)
Analyse -

Andreas Vesalius en het lef van Leuven

Leuven herdenkt Andreas Vesalius, grondlegger van de wetenschap der menselijke anatomie. Dat is niet terecht, vindt Brusselaar Lucas Catherine. Leuven stond immers niet erg open voor de man en zijn werk toen hij nog leefde, Brussel daarentegen...

donderdag 9 oktober 2014 13:29

De stad Leuven herdenkt
Vesalius. Op hun website VesaliusLeuven lees ik: “De geboorteplaats
van Andreas Vesalius is ons allen bekend. De begraafplaats van deze
bekende Leuvenaar blijft echter een mysterie”.
Dat is een zin om met een zware korrel zout te nemen. Hij was immers
een Brusselaar en ondertekende altijd met Andreas Vesalius
Bruxellensis. Waar hij begraven ligt, vertel ik zo dadelijk – maar het
is zeker niet in Leuven.

De dag dat de Leuvense viering
op een persconferentie werd aangekondigd in het radiojournaal
vertelde de dienstdoende journalist dat Vesalius in Leuven prof was
geweest. Dat hebben ze gelukkig daarna niet meer zo geformuleerd, want
dit was liegen als een ketter. Ketters zijn trouwens al vijf eeuwen
een specialiteit van Leuven.

Eigenlijk zouden ze in Leuven
in uiterste schaamte moeten zwijgen over Vesalius en hadden de
Brusselaars hem moeten vieren. In Brussel vinden ze dat Vesalius niet
te slijten valt aan toeristen, toch niet zoals de Meyboom, de
Ommegang en Keizer Karel. Herschrijven ze in Leuven de geschiedenis
om het duistere verleden van de universiteit te verbergen, in Brussel
herschrijven ze de geschiedenis in functie van het toerisme. Vesalius
was nochtans een Brusselaar die in Leuven alleen maar ongemak en
tegenkanting heeft gekend.

Andries Wijtinck

Op 31 december 1514 werd in het
Brusselse Hellestroatje Andries Wijtinck geboren, ook genoemd Andries
van Wesel, omdat zijn betovergrootvader ooit uit het Rijnlandse Wesel
naar Brussel was geëmigreerd. Het Hellestroatje bestaat niet meer.
Het was een verbinding tussen de huidige Wolstraat en Miniemenstraat

Zijn vader liet Andries vanaf zijn
zes jaar lagere school lopen aan de Priempoort in de wijk Sint-Goriks
bij de Broeders van het Gemene Leven. Deze religieuze groepering
ontstond eind veertiende eeuw uit reactie tegen de verloedering van
de rooms-katholieke clerus en allerlei ongewenste kerkelijke
praktijken. Ze speelden een progressieve rol en hadden bijvoorbeeld
in 1476 in Brussel de boekdrukkunst geïntroduceerd.

Daar leerde Andries zijn eerste
woordjes Latijn en Grieks. In 1530 ging hij twee jaar studeren in
Leuven aan het Pedagium Castri, de School aan de Borcht, een
middelbare school die afhing van de universiteit daar. Hij
vervolmaakte zijn Latijn en Grieks aan het Drietalen College.

Wierook en verbrand vlees in Leuven

De sfeer in Leuven had niet
veel met de renaissance te maken. Het rook er te veel naar wierook en
verbrand mensenvlees. Aan de universiteit van Leuven, dit
voorgeborchte van Rome, veroordeelt men Luther al in 1519. Ook de
Paus rook daarna de zwavel van de ketterij en in juli 1520 arriveerde
een pauselijk gezant die de net gekroonde keizer Karel om maatregelen
vroeg.




Karel ondertekende daarop in
september 1520 zijn eerste edict tegen de protestbeweging. Een maand
later organiseerde de Leuvense Universiteit de eerste
boekverbranding. Tachtig boeken van Luther gingen in de vlammen op.
Het mocht niet baten. Nog dat jaar verschenen de eerste vertalingen
van Luther in het Nederlands en in 1521 werden, ondanks het edict en
de boekverbranding, in Brussel de eerste werken van Luther verkocht
door Hendric in ’t Kelderken, een boekverkoper bij de
Sint-Niklaaskerk.

Drijvende kracht achter de
inquisitie was Adriaan Floriszoon Boeyens, professor en rector in
Leuven. Heel zijn carrière speelde zich trouwens in Leuven af. Hij
staat ook bekend als Adriaan van Utrecht en was privéleraar van de
jonge Karel V geweest. De man reisde eind 1517 met Karel V mee naar
Spanje, werd er tot kardinaal gekroond. Karel promoveerde hem tot
inquisiteur van Aragon, Navarra en Valencia.

In 1519 overleed Karels
grootvader Maximiliaan en vertrok hij naar Duitsland om zich daar tot
keizer te laten kronen. Voor zijn vertrek stelde hij Adriaan Boeyens
aan tot regent van Spanje en tot Inquisidor General van Castillië en
Leon. Daarmee kwam heel de Spaanse Inquisitie onder ‘Leuvens’
bevel.

Op 23 april 1522 werd in
navolging van Spanje hier in de Nederlanden de Inquisitie ingevoerd.
Frans van der Hulst, lid van de Raad van Brabant werd door de Keizer
officieel aangesteld om de repressie te organiseren. En Adriaan
Boeyens die ondertussen, dankzij politieke druk van
Karel, tot paus was gekroond, bekrachtigde dit. Hij gaf Van der Hulst de titel “universalem
et generalem inquisitorem”
.

De Leuvense inquisitie

Kort daarna werd hij opgevolgd
door drie klerikale inquisitoren: Olivier Buedens uit Ieper voor
Vlaanderen, Nicolas Houzeau uit Bergen voor Henegouwen en Niklaas
Coppin uit Leuven voor Brabant. Alle drie hadden ze nauwe banden met
de Universiteit van Leuven. Het is dus een mythe dat de Inquisitie
bij ons een Spaans fenomeen was. Zowel de ideologen als de beulen van
de ‘Spaanse Inquisitie’ kwamen van hier.

Leuven bleef een bastion van
Roomse wreedheid met een hoogtepunt onder rector Frans van Son
(1507-1576) die samen met de beulen naar de terechtstellingen keek. “Zij gaven hun ogen de kost alsof zij te gast waren aan een overdadig
diner waar ze hun buik tegoed konden doen”, zo beschrijft een
ooggetuige het in 1545.

Daartegenover was Parijs
toleranter. Vesalius ging dan ook in 1533 in Parijs geneeskunde
studeren. Naast het aanhoren van voorlezingen ex cathedra struinde
hij geregeld door het Cimétière des Saints Innocents, toen het
grootste kerkhof op het continent, om geraamten te zoeken en ging hij
op de Montfaucon, de Galgenberg van Parijs, naar lijkschouwingen
kijken. Welke lijken gebruikt mochten worden, was sterk
gereglementeerd: enkel van onthoofden en gehangenen (geen
gevierendeelde, geradbraakte of verbrande lijken), ook vrouwenlijken
waren verboden.

Terug naar Brussel

In 1536 brak oorlog uit tussen
de Franse koning François I en Keizer Karel. Als onderdaan van een
vijandige natie moest Vesalius dus Parijs verlaten en keerde hij terug
naar Brussel. Toen deed hij hier zijn eerste lijkschouwingen, niet
alleen van geëxecuteerden. Toen een adelijk meisje stierf sprak men
van vergiftiging, maar uit de lijkschouwing van Vesalius bleek dat ze
gestorven was omdat haar korset te strak was dichtgesnoerd.

Hij zette zijn studies een jaar
verder in Leuven en publiceerde er in 1537 zijn licenciaatsthesis
Paraphrasis in nonum librum Rhazae medici Arabis clarisiss. Ad Regem
Almansorem
(Parafrase van het negende boek van de grote Arabische
geneesheer Al Razi, dat hij schreef voor koning Al Mansur).

Eer het jaar om was, kreeg hij
ruzie met zijn professor en daarom trok hij naar Padua waar hij zijn
eigenlijke dokterstitel behaalt en aangesteld werd als hoogleraar in
de anatomie en in de heelkunde. In Padua publiceerde hij zijn eerste
groot werk Tabulae Anatomicae, zes grote anatomische platen. Die
droeg hij op aan Narcissus Parthenopeus, hofgeneesheer van Keizer
Karel.

In 1543 volgde dan zijn
meesterwerk De Humanis Corporis Fabrica Libri Septem (Zeven boeken
over de bouw van het menselijk lichaam). Dit kolossale boekwerk van 7
kilogram met 663 pagina’s van elk bijna een halve meter hoog, droeg
hij op aan Keizer Karel.



Standbeeld van Andreas Vesalius op het Barricadenplein in Brussel (foto Lucas Catherine)

Die voelde zich daarmee erg gevleid en
stelde hem aan tot lijfarts. Als huisarts van Keizer Karel had
Vesalius meer dan zijn handen vol. Omwille van de slechte
eetgewoonten van de keizer – slecht kauwen en ijskoude dranken –
had die veel maagklachten. Dat slecht kauwen kwam door een afwijking
aan zijn gezicht: zijn onderkaak sprong te veel uit waardoor hij een
kruisbijter was.

De Keizer leed verder nog aan
een andere erg hinderlijke ziekte die hem soms dagen aan het bed
kluisterde, jicht. Ook dat vind je in de geschriften van Vesalius
terug. In 1546 schreef hij zijn Chinawortelbrief Andreae Vesalii
Bruxellensis, medici caesarei epistola, rationem modumque propinandi
radicis Chynae decocti, quo nuper invictissimus Carolus V. Imperator
usus est, pertractans
(Brief van Andries Van Wesel, de Brusselaar,
geneesheer van de keizer, handelend over hoe en op welke wijze het
afkooksel van de Chinawortel moet gedronken worden, dat onlangs door
de onoverwinnelijke keizer Karel V gebruikt werd).

Wanneer Keizer Karel op 25
oktober 1555 troonsafstand doet in het Paleis op de Koudenberg, ontslaat hij bijna al zijn personeel, ook Andreas Vesalius. Hij
benoemt hem wel tot Comes Palatinus, Graaf van het Heilig Lateraans
Paleis. Dit levert hem een aardige lijfrente op.

Spaanse kortzichtigheid

Daarop trad onze Brusselaar in
dienst van diens zoon en opvolger Filips II met wie hij op 23
augustus 1559 inscheept naar Spanje. Vesalius voelde er zich niet
echt thuis. Hij kon daar door de strikte katholieke leer geen
lijkschouwingen verrichten en kon dus zijn anatomisch onderzoek niet
verderzetten.

In 1564 vertrok hij op
bedevaart naar Jeruzalem. Kwade tongen beweren dat hij tot die
bedevaart veroordeeld werd door de Spaanse Inquisitie omwille van een
clandestiene lijkschouwing, maar dat is nergens bewezen. Onderweg,
bij een tussenstop in Sète bij Montpellier, nam hij afscheid van zijn
gezin. Zij zetten hun reis verder naar Brabant.

In Palestina bezocht hij de
heilige plaatsen Jericho en de Jordaanvallei. Op de terugreis kwam
zijn schip in een storm terecht en ze leden schipbreuk op het
eiland Zakynthos in de Ionische Zee, ten noordwesten van Griekenland.
Daar stierf hij aan tyfus op 15 oktober 1564.

Hij kreeg op het eiland twee
monumenten en er is een straat naar hem genoemd, de hodos Andrea
Vesal. In Brussel hangt een gedenkplaat op de plek waar zijn huis
stond, nu het atheneum Robert Cateau. Verder kreeg hij een standbeeld
op het Barrikadenplein in de Onze-Lieve-Vrouw ter Sneeuw-wijk en een
straat in de Bas-Fonds.

Die Vesaliusstraat heeft trouwens een cynische geschiedenis. Tot 1853, toen ze zijn naam kreeg
heette ze Spellekensstraat, omdat de beruchte inquisiteur Jan Grouwels er woonde. Zijn bijnaam ‘Spellekens’ kwam van het feit
dat hij met spelden de ogen van ketters bewerkte. Zo konden ze
volgens hem niet meer naar de duivel kijken.

Die
was dus ook een ‘anatoom’, maar van een ander soort. Of Grouwels in
Leuven had gestudeerd, vermelden de bronnen niet. Het zou kunnen, want
zoals Luther toen al schreef: “Daar kan zelfs een ezel een diploma
halen”.

Dit artikel is gebaseerd op het hoofdstuk over Vesalius in het boek ‘Brussel van Renaissance tot Republiek’ van Luc Catherine, waarin ook de voornaamste bronnen worden vermeld:

  • Eugène
    Baie, Le Siècle des Gueux (6 delen), Brussel, 1947
  • Moritz
    Roth, Andreas Vesalius Bruxellensis, Berlin, 1892, herdruk
    Amsterdam 1965
  • A.Burggraeve, Etudes
    sur Vésale, Gent, 1841

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!