De paradoxen van het cultuurdebat

De paradoxen van het cultuurdebat

zondag 5 oktober 2014 15:17

Hoewel ik mijzelf nog zo beloofd had om niets te schrijven over de
besparingen in de cultuursector en het debat rond de cultuursubsidies,
ben ik bij dezen toch door de knieën gegaan. Mijn oorspronkelijke
terughoudendheid wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat ik
nooit echt goed weet wat mijn visie nu is. Alles begint weliswaar bij
een zeer uitgebreide liefde voor cultuur, of het nu om muziek,
literatuur, theater het museumwezen of erfgoed gaat. Als
cultuurhistoricus erken ik de enorme waarde van dit alles voor onze
samenleving. Wat de kwestie van de subsidiëring van/investering
in/financiering van cultuur betreft ben ik minder zeker over de visie
die ik uitdraag. Ik schipper hier namelijk tussen een libertair, die
vindt dat dragers van cultuur zich van onderuit moeten ontwikkelen, en
een cultureel utilitarist, die vindt dat de overheid, voor ons aller
welzijn, voor een levendige cultuursector moet zorgen. En dus merk ik
dat ik argumenten pro geef, die ik zelf weerleg.

Ten eerste vind
ik het zeer belangrijk dat een segment van de maatschappij zich kritisch
opstelt tegenover de breedgedragen, vanzelfsprekende consensus en de
waarden die door een groot deel van onze maatschappij als
vanzelfsprekend worden gezien en deze in vraag stelt. Een gezonde
samenleving heeft deze kritische zelfreflectie nodig. Cultuur kan hier
zeker in bijdragen. Hier staat echter in mijn mening tegenover dat veel
van de zogezegd experimentele kunst, die deze functie op zich zou moeten
nemen, vervalt in navelstaarderij en daarom net een conservatie kracht
wordt. Ooit was het misschien gedurfd en baanbrekend om iemand naakt op
een podium te laten masturberen, maar welk nut dient dit vandaag de dag?
(Zonder zelf te conservatief te willen zijn). Natuurlijk kan men ook
stellen dat kunst geen nut moet hebben, maar daarmee maakt men ook de
rol als kritisch instrument zelf ongedaan. Kunst om de kunst kan
maatschappelijk relevant zijn, maar dan zijn het eerder de kunstenaars
die los van hun creaties bijdragen aan het maatschappelijk debat, en dan
kan de vraag rijzen waarom we de kunst op zich financieren.

Ten
tweede vind ik het nodig dat er een maatschappelijke avant-garde is
die de weg leidt of, opnieuw, ten minste enkele hindernissen op de
ingeslagen paden werpt, om ons te laten stilstaan bij de richting die we
uitgaan. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis vormde deze
avant-garde een onafhankelijke groep, die niet zelden toevallig in het
juiste gezin waren geboren en de juiste opleiding hadden genoten, aan de
juiste instellingen, waar ze de juiste mensen hadden ontmoet. Vele
kunstenaars waren in feite welgesteld, waardoor ze zichzelf konden
vrijstellen van arbeid en deze kritische rol in de voorhoede makkelijk
konden vervullen. Uiteraard leefden er ook heel wat kunstenaars zonder
overvloed van connecties en middelen, maar deze konden zichzelf  uit het kluwen van de fabrieksarbeid houden, wat in een door
industrie gedomineerde samenleving al veel was. Kunst was toen ook
minder gelinkt aan consumptie dan vandaag de dag. Hoewel kunstenaars
vandaag de dag vaak meer voldoening dan geld overhouden aan hun
creaties, is deze breuk met de geschiedenis niet zonder belang. Een
argument voor een sterke financiering is dat cultuur, zoals ik hierboven
zelf ook heb aangegeven, een belangrijke rol speelt als tegenstem voor
het heersende discours en het brengen van nieuwe ideeën. Onze zogenaamde
avant-garde is vandaag de dag echter gefinancierd door diezelfde
instituties die het moet aanvallen. Zorgt dit niet automatisch voor een
ambiguïteit? Raakt dit niet aan de geloofwaardigheid van het discours?
En zou het niet kunnen dat de vermindering van subsidies net een gevolg
is van deze ongezonde houding, en dat een nieuwe beleidsploeg de
afrekening presenteert aan een avant-garde die haar rol net iets te goed
heeft vervuld?

Ten derde is er het eeuwige spook van de
kwaliteit. Als we beperkte middelen aan cultuur kunnen spenderen, kunnen
we best kijken naar wie deze middelen het meest verdient. Maar welke
criteria zouden ooit voldoen of volstaan om een correcte subsidiëring te
verzekeren? Bezoekersaantal? Absoluut niet. Anders zou FC De Kampioenen
de musical met alle subsidies gaan lopen. Culturele relevantie? Is
hoogst subjectief. Vernieuwing? Idem. Nood aan ondersteuning? Dat lokt
afhankelijkheid van middelen uit. Het is dus enerzijds zeer moeilijk om
de middelen eerlijk te verdelen, maar anderzijds is een eerlijke
verdeling wel nodig. Laten we dit over aan een commissie van wijzen dan
loert subjectiviteit en nepotisme weer om de hoek. En opnieuw, dit is
ook geen garantie dat de middelen correct worden verdeeld. En zelfs al
waren er geen budgettaire belemmeringen, dan nog kunnen we moeilijk
iedereen die zichzelf kunstenaar noemt ondersteunen, of het moet door
middel van, jawel, een basisinkomen zijn. Maar daarmee zijn de
instellingen ook niet geholpen.

Ten slotte is verspreiding een
element waar ik zelf niet helemaal uit ben of ik er nu een voorstander
van ben of niet. Dit heeft betrekking op discussie rond participatie.
Armen hebben minder toegang tot duurdere en gesofisticeerde
cultuurproducten en dus moeten we alle mogelijke drempels verlagen.
Intuïtief ben ik hier ook een voorstander van. Maar ook hier werp ik
mijzelf weer enkele bedenkingen toe. Ten eerste, als we armen geen
basisvoorzieningen en een menswaardig bestaan kunnen schenken, is
cultuur dan meer dan opsmuk voor het onrecht dat hun bestaan in feite
is? Ten tweede, als we onze basisvoorzieningen meer en meer rationeel
gaan inrichten, is een kostensurplus in de culturele sector dan nog
gerechtvaardigd? We gaan binnenkort naar Halle moeten voor longziekten,
naar Aalst voor nieraandoeningen en naar Vilvoorde voor oncologie, maar
de lokale besturen gaan vandaag de dag gebukt onder financiële problemen
omdat ze allemaal een eigen cultureel centrum moesten hebben. En gaat
dat offer niet nog absurder worden als ze ook nog eens te maken gaan
hebben met een cultuurtempel? Dit heeft het aanbod zeker niet
gediversifieerd, maar het bestaande aanbod gewoon meer venues gegeven.

Enerzijds
ben ik dus een grote liefhebber van cultuur en besef ik dat daar
investering en ondersteuning vanuit de overheid voor nodig is.
Anderzijds besef ik dat in de huidige gang van zaken keuzes moeten
gemaakt worden. En zelfs al moesten de middelen oneindig voorhanden
zijn, dan nog zou het ongezond zijn om alles en iedereen financieel op
weg te zetten, al was het maar omdat er wel degelijk zoiets bestaat als
slechte kunst, en als cultuur (deels) afhankelijk is van de overheid,
deze wel degelijk stelling kan en moet innemen. Misschien zijn we met
z’n allen te verwend geworden en vinden we cultuur belangrijk, zolang
het maar laagdrempelig, goedkoop en in de buurt is. En misschien
benaderen we cultuur zelf ook te veel als een consumptiegoed, ook al
schreeuwen we uit volle borst dat het vooral een instrument van
verandering is, een uiting van een noodzakelijke tegenstem. Misschien
bekijk ik het allemaal te rationeel en theoretisch. Waarschijnlijk
bekijken andere partijen het ook te rationeel en de sector zelf het te
emotioneel. Wat er ook van aan zij, de juiste wisselwerking tussen de
culturele sector en de overheid, tussen kunst en maatschappij en tussen
dragers van cultuur en financiële ondersteuning is een eeuwige zoektocht
naar een precair evenwicht, waar antwoorden meteen nieuwe vragen
opwerpen en beide partijen tegelijk gelijk als ongelijk hebben. Het hele
debat is dus paradoxaal, duaal, complex en zonder zaligmakende
waarheid, misschien gewoon zoals het met cultuur hoort te zijn.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!