Blackout

Blackout

vrijdag 3 oktober 2014 13:22

Vorig weekend was het volgens de cyclische aard van de dingen een goed moment om eens bij te komen en uit te rusten. Eigenaardig genoeg zijn dat meestal de momenten waarbij ik niet de innerlijke kalmte heb om dat te doen. Bij het ontbijt kondig ik aan dat ik de gang maar eens ga aanpakken. De wenkbrauw van mijn man rijst in een driehoek terwijl hij verderleest in de krant. 

Ik haal de gang leeg en begin al meteen oud behangpapier van de muur te rukken. Dat lucht op. Ik rommel op zolder verfrollers bijeen, schuurpapier, een druprekje. Ik doorzoek de kelder op potten oude verf. Primer: check. Witte verf: check. Ik trek een oude broek aan met een scheur er in en een versleten tienerhemdje dat me redelijk belachelijk staat. Ik vlieg als een wilde furie op de muren. Rukken, schuren, ladder verzetten en verzetten, hoekjes uitverven, toch maar beslissen om de randen af te plakken. Man en kinderen vluchten wijselijk, ze zoeken het mooie weer op in het park. Ik schilder een paar vuile hoeken lekker dicht, ik negeer dat de primer 24 uur moet drogen en ik voorzie de wanden van een dekkende laag verf. De muur wordt witter naarmate de dag vordert, de rust volgt in het kielzog.

Tegen de avond komt de kroost thuis, ‘waw’end en ‘joehoe’end over de stralende inkomsthal. De tafel wordt gedekt, een kramp over huiswerk verschijnt, er wordt op de piano getokkeld, getelefoneerd, mail gecheckt. 

‘Ik ga even iets anders aandoen,’ zeg ik achteruitschrijdend richting trap. In de badkamer steekt een lading was in de machine. Ik ga ‘m meteen uit hangen en beland zo op de zolderkamer, mijn refuge in het huis. Ik trek de velux open en kijk uit op de binnenkant van het huizenblok. Zoals elk jaar is er op het einde van de zomer dat plotse vroeger donker worden. Het verdwijnen van de dagen in de herfst.  

Ploef. Een eigenaardig plofgeluid. Achter alle ramen boven de stadstuinen, garages en koterijen vallen de lichten uit. Het gaat gepaard met een vreemde stilte, het befaamde David Lyncheffect, de drone waarvan je niet besefte dat ie er de ganse tijd was, valt weg en er ontstaat een nieuwe ruimte. De zinderende noisesoep met geluid van onder meer televisies, repetities, gekibbel, de koeler van de kruidenier en deuntjes van computerspelletjes, valt stil. Er volgen kreten en verwonderde vragen in de verte, een tsjilp van een vogel. De geluiden steken schril af in het plotse ontbreken van de altijd aanwezige onderstroom van stadsgeluid. 

Beneden heerst volop opwinding. Kaarsen worden uitgehaald. Even later wordt er op de voordeur geklopt. Een vriendinnetje van de oudste dochter. De ouders moeten nog weg, of ze even bij ons kan blijven. Nog meer opwinding. Kaartspelletjes aan tafel bij kaarslicht. Afwassen bij koplamplicht. Uitstellen van de bedgang. 

De vader van het meisje belt op, dat ze langer onderweg zullen zijn dan gedacht. We overleggen of we een bed zullen opmaken maar beslissen samen dat het met morgenmaandag in het vooruitzicht beter is dat ze in haar eigen bed gaat slapen. Ik ga met het meisje mee. 

De twee straten die tussen ons huis en het hare liggen zijn volkomen getransformeerd. Het is erg donker, er is geen maan om bij te schijnen, onze ogen passen zich voor een stuk aan. Bij bepaalde huizen zitten mensen op kampeerstoelen buiten met drankjes en kaarslicht. Er heerst een uitgelaten zomernachtsfeer. Een autoradio speelt. Twee mensen doen een dansje op de stoep. Dan weer een donker stuk. Ik kijk binnen door de ramen. Overal kaarsjes. De huizen lijken meer dan anders op beschermende omhulsels van de bewoners. Plots struikel ik. Ik val net niet en grijp me vast aan iemands dijbeen. Ik realiseer mij dat het het been moet zijn van de man die ik dagelijks passeer, al zeven of acht jaar lang. Elke dag fiets ik hem voorbij, soms wel drie of vier keer op een dag. Een stukje dagelijks onbegrijpen omdat hij mijn begroeting nooit beantwoordt. Na een tijdje gaf ik het op, het is lullig telkens in het ijle te groeten. Maar ook dat opgeven voelt als een dagelijks zeertje. Hij is een man van begin de vijftig die als het weer het toelaat op een bankje voor zijn deur zit. Hij heeft moeite met lopen. Er staan krukken tegen de bank geleund.  Hij heeft een vrouw met fel roodgekleurd haar en twee dochters, twintigers die elk een kleutertje hebben. Nu leun ik met mijn hand op zijn dij en ik hervind mijn evenwicht. Zijn vrouw komt net met een lichtje naar buiten waardoor we elkaars gezicht te zien krijgen.

‘Goeiedag.’

‘Goeiedag.’

Het meisje en ik zetten onze weg voort, ons avontuur door twee straten die nu in een andere dimensie zijn ondergedompeld. We passeren een jongen en een meisje in het donker, tieners denk ik. Ze zitten schrijlings op een laag muurtje naar elkaar toegekeerd. Ze praten over school, over een voorval met een leerkracht. We komen aan bij het huis waar we moeten zijn. Als een dief sluip ik mee naar boven in het onbekende huis. Op de tweede verdieping luister ik op de gang hoe het meisje zich klaarmaakt om te gaan slapen. Plots floept het licht aan. ‘Oef,’ zegt ze en ze kruipt in bed. Ik wens haar een goeienacht, loop naar beneden en trek de deur achter me dicht.

Iedereen is weer naar binnen. Morgen is het maandag. Woonkamers zijn helverlicht. Televisies staan aan. De parallelle wereld van daarnet is opgelost. Alleen de twee tieners zitten nog buiten. Als twee katten op het lage muurtje. Schrijlings naar elkaar gericht. Het meisje tatert er op los over de refter ‘s middags en de toetsen van deze week. Haar ene hand ligt voor zich uit op het muurtje. De hand van de jongen ligt ook tussen hen in, op een centimeter of twee van de hare.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!