Adolf Eichmann op jonge leeftijd (WikiCommons)
Boekrecensie -

De moed om laf te zijn

In zijn nieuwe boek "Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders" behandelt de Nederlandse socioloog Abram de Swaan een bekend probleem uit de menswetenschappen. Ieder van ons zou zich in bepaalde situaties als massamoordenaar gedragen. De Swaan wil dat weerleggen. Maar formuleert hij het probleem wel adequaat? En overtuigt vervolgens zijn weerlegging?

donderdag 2 oktober 2014 12:47

In 1961 waren waarnemers in Jeruzalem op het proces van Adolf Eichmann, de organisator van de deportaties van joden naar uitroeiingskampen, dermate verrast geen bloeddorstig monster aan te treffen, dat ze concludeerden dat dergelijk kwaad en daders banaal zijn. Hannah Arendt en anderen zagen voorbij aan het feit dat Eichmann zijn eigen huid probeerde te redden. Op zijn proces noemde Eichmann de jodenuitroeiing een van de ergste misdaden ooit. Hij riep het “Befehl ist Befehl” in en waste de handen in onschuld.

Vervolg

Arendts Banality of Evil, uit datzelfde jaar 1963, viel in joodse kringen niet in goede aarde, maar ging vrij snel een eigen leven leiden. Zeker toen, ook in 1963, de resultaten van Stanley Milgrams gehoorzaamheidsexperiment bekend werden: 65 procent van willekeurig gekozen proefpersonen diende op verzoek van de proefleider levensgevaarlijke elektrische schokken toe aan een ‘leerling’ (de schokken en de pijn waren gesimuleerd).

In 1971 moest Philip Zimbardo zijn gevangenisexperiment zelfs voortijdig stopzetten omdat de willekeurig als bewaker of gevangene aangewezen studenten zozeer in hun rol opgingen, dat ze zich respectievelijk meedogenloos dan wel onderdanig opstelden. In bepaalde omstandigheden gedragen gewone mensen zich ‘vanzelf’ op wrede wijze.

Zygmunt Bauman goot een en ander in Modernity and the Holocaust (1989) in een theoretisch kader. Hij verbond de jodenuitroeiing onlosmakelijk met culturele tendensen en technische verworvenheden van de moderne staat. In Ordinary men (1992), een historisch onderzoek naar een Duits reservepolitiebataljon dat talloze joden vermoordde, toonde Christopher Browning vervolgens aan dat slechts 12 van de 500 politielui ingingen op het aanbod van hun bevelhebber de rangen te verlaten vooraleer het moorden begon. Conformisme was doorslaggevend: je makkers niet in de steek laten, niet voor doetje of lafaard doorgaan. Het vergt moed om laf te zijn.

Milgram herzien

Abram de Swaan, een gerenommeerd Nederlands socioloog, beweert in Compartimenten van vernietiging dat menswetenschappers sinds Milgram overtuigd zijn dat ieder van ons zich in bepaalde situaties als massamoordenaar gedragen zal. Hij wil dat weerleggen.

Milgram, Zimbardo en Browning hebben geenszins beweerd dat genocidair gedrag alleen situationeel wordt bepaald. Ze stelden wel dat verklaringen toegespitst op persoonskenmerken onvolledig zijn. Individu en gedrag worden altijd en overal mee gevormd en bepaald door maatschappelijke, culturele, ideologische en politieke factoren.

De Swaan verliest bovendien uit het oog dat het na de machtsovername van de nazi’s bijna negen jaar duurde vooraleer de jodenuitroeiing begon. Voordien hadden de nazi’s alles in het werk gesteld om de joden kwijt te raken door gedwongen emigratie. Eerst werden alle politieke tegenstanders uitgeschakeld, ras en volk ‘gezuiverd’ door sterilisatie en ‘genadedood’ voor gehandicapten, om uiteindelijk het bij dat zogenaamde euthanasieprogramma betrokken personeel, materiaal en knowhow in te zetten voor de genocide.

Schokplaat

De Swaan herinterpreteert het Milgram-experiment. Kern van zijn betoog is dat zij die weigerden mee te werken niet werden doorgelicht en dat de anderen geen wroeging kenden. Dat aanvankelijk alle aandacht naar het verrassend hoog gehoorzaamheidspercentage ging, is meer dan begrijpelijk. Maar Milgram onderstreepte eveneens dat de 14 personen die weigerden voordien wel 300 en sommigen zelfs 375 volt had toegediend, en dat de 26 anderen grote moeite hadden om te gehoorzamen.

Tevens gaat De Swaan voorbij aan de varianten die Milgram uitprobeerde. Als bijvoorbeeld de ‘leerling’ niet protesteerde, diende bijna iedereen 450 volt toe. Moest de leraar de schokken niet zelf toedienen, dan ging iedereen door. Moest de leraar de hand van de leerling op de schokplaat drukken, dan weigerde 70 procent. Milgram verklaarde dit uit een aangeboren tendens tot gehoorzamen maar, anders dan De Swaan beweert, hij bestudeerde ook persoonsverschillen. Katholieken waren het gehoorzaamst, studieniveau en volgzaamheid waren omgekeerd evenredig, legerdienst en gehoorzaamheid recht evenredig.

De Swaan zegt niet te kunnen aannemen dat de proefpersonen geloofden dat de schokken echt waren. Maar waarom stopten sommigen dan wel en waarom vindt De Swaan juist dat zo enorm belangrijk?

Zoals in het echt

De Swaan heeft kennelijk geen weet van de kritiek die Lee Ross en Richard Nisbett in 1991 op het Milgram-experiment gaven (The Person and the Situation). Van groot belang was de geleidelijkheid van het gehoorzaamheidsproces. In dertig kleine stapjes van 15 volt evolueerde de ‘leraar’ van feedback naar levensgevaarlijke schok. Zoals in de echte wereld. Ook genocidaire situaties zijn niet uit het niks ontstaan.

Hadden de proefpersonen direct 450 volt moeten toedienen, dan had vermoedelijk niemand dat gedaan. Had de proefleider aangegeven dat elke deelnemer op elk moment kon stoppen door bijvoorbeeld op een rode knop te drukken en dat elk verzoek van de leerling moest worden opgevolgd, dan zou de gehoorzaamheidsgraad heel wat lager geweest zijn. Milgram had met andere woorden niet voorzien in een ‘ongehoorzaamheidskanaal’, een vluchtweg zonder gezichtsverlies.

Om te kunnen stoppen, moest de ‘leraar’ niet alleen zijn engagement en toegenomen betrokkenheid ontkrachten. Hij moest ook een voor zichzelf, de proefleider en de leerling aanvaardbare rechtvaardiging bedenken voor het feit niet eerder gestopt te zijn, bijvoorbeeld 15 volt voordien. Bijna ondoenbaar, behalve op dat ene moment dat de leerling niet meer reageerde, zijn toestemming minstens impliciet opschortte – tevens het moment waarop 35 procent van de ‘leraars’ stopte.

Uitsluiting

Ook de andere experimenten en onderzoeken behandelt De Swaan op onvolkomen wijze. Zijn geleerde uiteenzetting voegt niets toe aan wat al bekend was over genocidair gedrag: persoonsverschillen tellen mee; groepsvorming impliceert altijd uitsluiting (natie, ras, klasse…); mensen houden er vijandbeelden op na; genocidaire regimes stimuleren geweldimpulsen in bepaalde ‘compartimenten’ van de samenleving.

Wat De Swaan schrijft over Zygmunt Baumans boek is in elk geval van toepassing op zijn eigen boek: “Het vriendelijkste oordeel over zijn intellectuele benadering is dat ze te weinig onderzoek en te veel theorie bevat”.

Abram de Swaan: Compartimenten van vernietiging. Over genocidale regimes en hun daders, Amsterdam, Prometheus/Bert Bakker, 2014, 314 p.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!