De politicus als acteur

De politicus als acteur

zondag 28 september 2014 15:55

William Shakespeare wist het al. All the world’s a stage; And all the men and women merely players. Een kleine driehonderd jaren later zou Oscar Wilde het op zijn eigen, karakteristieke wijze verbasteren tot: The world is a stage, but the play is badly cast. In al mijn nederigheid plaatste ik mij tijdens het bekijken van De Zevende Dag in de traditie van deze genieën toen ik bij mijzelf bedacht dat “De politiek een schouwtoneel is, met slechte acteurs die steeds dezelfde tekst herkauwen, een waar ze nota bene zelden achterstaan.”. Akkoord, het rolt niet zo lekker over de tong.

Feit blijft dat er maar enkele maatschappelijke domeinen zijn waar het spelen van een rol zo belangrijk is en zo’n bepalende rol speelt om te bepalen voor wie eeuwige roem is weggelegd en wie zich moet schikken naar een bijrol in de schaduw van de vergetelheid, de weinig charmante coulissen van het leven. We denken hierbij misschien meteen aan de showbizz, de wereld van de schone schijn, de valse glimlach en andere valse lichaamsdelen. Maar daarnaast zijn er ook ‘serieuze’ beroepscategorieën waar acteren een troef is. De voorbeelden uit de rechtszaal zijn legio. Hier waant de gehaaide strafpleiter zich enkele uren in een film, een courtroom drama vol suspense en zinderende ontknopingen. Maar ook onze politieke arena zit vol met acteur en actrices, die zoals reeds gezegd vaak blijven steken in dezelfde rol of een monotoon repertoire. Karakteracteurs zijn het zelden.

Reeds in de Oudheid bepaalde retorische kwaliteiten het potentieel van een politicus. Menig Romeins senator maakte carrière vanwege zijn vermogen om pathos en kennis met elkaar te combineren. Denk maar aan Cato de Oude, die niet zonder enig zin voor drama zijn afkeer voor Carthago duidelijk maakte met de gevleugelde woorden “En verder ben ik van mening dat Carthago dient vernietigd te worden”. Het was een mooie kruising tussen de harde Romeinse politiek en het Griekse theater. Maar wat Cato toen al wist, is dat men verandering kon creëren door het eindeloos herhalen van een welbepaald idee. Ideeën zijn nu eenmaal zaden die men moet geplant zien te krijgen, waarna men rustig kan wachten tot deze ontkiemen.

Het is een grote sprong van Shakespeare en Cato naar De Zevende Dag, toegegeven. Er waren echter twee passages die mij deden denken aan de schijn van de politiek en het politieke debat. Eerst was er het interview met Annemie Turtelboom. Net als in eerdere interviews grossiert onze Vlaamse minister van Begroting in nietszeggende dooddoeners en clichés die al zo vaak herkauwd zijn dat we stilaan op zoek moeten gaan naar een alternatief voor ‘smaakloos’ (letterlijk zoals in zonder smaak. Beweren dat Turtelboom wansmakelijke dingen zegt, gaat een brug te ver). Het tweede moment was het debat met de fractieleiders, waarin veel werd gesproken, maar weinig werd gezegd. De Oscar voor beste politicus in een bijrol ging ongetwijfeld naar Koen Van den Heuvel, fractieleider van de CD&V, die met alle ernst van de wereld sprak alsof zijn partij voor het eerst aan de macht kwam. Het verleden was een ramp, de toekomst wordt glorieus. Laat ons voor alle gemak vergeten dat verleden, heden en toekomst dan wel oerbegrippen zijn, maar wel het soort die zelden los opereren van de christendemocratie.

Uiteraard moet het niet makkelijk zijn. Voor de verkiezingen zegt partij A van partij B dat ze het land de verdoemenis in hebben geholpen en van partij C dat ze op beleidsvlak even geloofwaardig zijn as een mythomaan met licht sociopathische neigingen. Partij B zegt dat partij A enkel de impasse van het land nastreeft en dat partij C verdrinkt in de wazige wolligheid. En partij C vindt enerzijds enerzijds en anderzijds anderzijds. Na de verkiezingen zijn de leden van partij A, B en C plots de beste vrienden. Wie daar niet schizofreen van wordt, is het naar alle waarschijnlijkheid al. Of men vergeet voor de goede vrede wat er allemaal gezegd is, of men onthoudt alles om later de rekening te presenteren of men heeft het geheugen van een goudvis. De Oscar voor beste politicus in een hoofdrol gaat ongetwijfeld naar Kris Peeters, die vol frustratie en pathos “Geloof ze niet” riep, om een maand later haast op zijn knieën te vallen om zijn wagonnetje aan de stoomtrein van de Grote Leider te mogen hangen. Kris Peeters had gelijk. Geloof ze niet.

Laat mij hier, voor alle duidelijk, het onderscheid maken tussen de idealistische politicus en de beroepspoliticus, die sneller van partij verandert dan van onderbroek of elke ministerpost een leuke post zou vinden, als hij of zij maar de welriekende geur van de macht mag opsnuiven. Het is van dit soort figuren dat we dooddoeners krijgen als “We hebben moedige beslissingen genomen”, “Er is geen alternatief”, “We mogen de factuur niet doorschuiven naar onze kinderen” of “We hebben vooral naar onszelf gekeken”. Diezelfde boodschappen komen in lichte variaties uit een grote verzameling monden, niet toevallig van leden van de meerderheidspartijen, die over een paar jaar elkaar weer zullen afschilderen als liefdeskinderen van Blauwbaard, The Joker en Pico van FC De Kampioenen, kort samengevat een gevaarlijk, onverantwoord en incompetent gezelschap nietsnutten, die uw en mijn stem niet verdienen. Het gaat mij hier niet zozeer om het feit dat coalities zouden moeten steunen op vriendschap, als wel dat verkiezingscampagnes misschien wat minder dramatisch en persoonlijk mogen lopen. Het zou achteraf de schijn van schijnheiligheid verminderen.

Tegenover de beroepspoliticus staat de lokale politicus, vaak meer vrijwilliger dan beleidsmaker, die zich van een ander soort acteren bedient. Maar ook hier zien we dezelfde fenomenen terugkomen, die echter nog versterkt worden door de afwezigheid van ideologie. In gemeente A zal linkse partij A zeggen dat het schandalig is dat rechtse partij B bespaart op armoede, maar wel geld over heeft voor een cultuurtempel of een nieuw voetbalveld. In gemeente B zegt rechtse partij B dat het schandalig is dat linkse partij A bespaart op armoede, maar wel geld over heeft voor een cultuurtempel of een nieuw voetbalveld. Op nationaal vlak vergeten de politici tijdens het acteren al te vaak het verleden, op lokaal vlak vergeet men de ideologie. Feit blijft dat er heel wat acteren aan te pas komt, dat men te vaak woorden uitspreekt die men ongetwijfeld liever zou uitspuwen en dat de pathos tijdens de verkiezingen en de dooddoeners tijdens de regeringsjaren de geloofwaardigheid van de politiek zelden deugd doen.

De kunst van de politieke communicatie is mettertijd te veel om het laatste gaan draaien, terwijl het net ten dienste moet staan van de politieke boodschap die men wenst te verkondigen, afgeleid van een grotere visie of ideologie. Ook media- en debattrainingen zorgen eerder voor een verbetering qua retoriek in plaats van een verbetering van de ideeën die men op onderbouwde wijze wil propageren. Misschien ligt het probleem uiteindelijk niet helemaal bij de acteurs, die ook maar de rol opnemen die ze denken te moeten vervullen, maar bij de scriptschrijvers, die niet verder geraken dan droge cijfers en kleine, weinig wervende maatregelen voor de grote problemen van vandaag en morgen of die, als spindoctors en marketeers bij de zoveelste vernieuwingsoperatie of tijdens ideologisch congres #ontelbaar vooral trachten de verpakking in de verf te zetten. De politiek is een schouwtoneel en wij als toeschouwers verdienen een beter script met een geloofwaardige cast.

DISCLAIMER: Vooraleer een verwijt te krijgen om populistisch of ongenuanceerd te zijn, laat mij duidelijk zijn: ik ben er 200% van overtuigd dat voor elke beroepspoliticus-acteur minstens twee idealistische politici zijn, die ten volle het respect voor hun engagement verdienen.

dagelijkse newsletter

take down
the paywall
steun ons nu!